Het is een rommeltje bij de BVD

De informatiefabriek

Talloze ministers waren niet op de hoogte van het onderzoek naar De Roy van Zuydewijn. Een incident, aldus het kabinet. Uit een onbekend rapport blijkt echter dat informatiebeheer bij de BVD structureel een rommeltje is. En dat is niet het enige.

Afgelopen week debatteerde de Tweede Kamer over de rel rond het Koningshuis. Riep het optreden van premier Balkenende in de voorafgaande weken al vraagtekens op, het debat in de Kamer werd een gênante vertoning. Aan zijn capaciteiten om crisissituaties ferm het hoofd te bieden, wordt nu alom getwijfeld. Tot ergernis van de voltallige Kamer maakte een stamelende premier de verwarring over de precieze rol en bevoegdheden van de toenmalige Binnenlandse Veiligheidsdienst, de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging en het Kabinet van de Koning alleen maar groter. Daardoor zag minister Donner van Justitie zich genoodzaakt in te grijpen. Hij gaf de Kamer een spoedcursus staatsrecht voor gevorderden, met als uiteindelijke conclusie dat van enig onrechtmatig handelen door overheidsorganen geen sprake was.

Maar een aantal belangrijke vragen is onbeantwoord gebleven. De BVD (nu AIVD) mag dan gerechtigd zijn geweest onderzoek te verrichten naar mogelijke onvolkomenheden van de aanstaande echtgenoot van prinses Margarita, de kwestie blijft waarom niemand van de politiek verantwoordelijken daarvan op de hoogte was. Zowel oud-premier Kok als de vorige ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken verklaarden met de hand op het hart dat er door de BVD nooit enig onderzoek naar De Roy van Zuydewijn was uitgevoerd. Dat bleek naderhand niet te kloppen: er was wel degelijk sprake van een onderzoek, moesten de ministers in een excuusbrief aan het echtpaar melden.

Dat roept pijnlijke vragen op over het informatiebeheer binnen de BVD en de communicatie tussen de BVD en de politiek verantwoordelijke ministers. Het ging hier immers om een politiek zeer gevoelige kwestie. De verleiding is groot het af te doen als een ongelukkig misverstand. Maar in werkelijkheid kampt de bvd/aivd met een structureel probleem, zo blijkt uit een van de zeldzame onafhankelijke onderzoeken die ooit naar de BVD zijn gedaan. De Groene Amsterdammer wist de hand te leggen op een rapport van adviesbureau Andersson, Elffers, Felix (AEF) van begin jaren negentig, dat nooit volledig in de openbaarheid is gekomen. Het rapport trekt een aantal vernietigende conclusies over het informatiebeheer en de werkwijze van de BVD.

De BVD is een in zichzelf gekeerde dienst waar het verzamelen van informatie een doel op zich is geworden, stelden de onderzoekers van het adviesbureau onomwonden vast. Het rapport maakt puntsgewijs duidelijk dat het informatiebeheer, de core business van elke inlichtingendienst, een rommeltje is. Informatie wordt afzonderlijk en op verschillende manieren geregistreerd en gedocumenteerd. De verschillende dienstonderdelen documenteren op uiteenlopende wijzen en ook binnen directies bestaan verschillen in aanpak. De administratieve eindverantwoordelijkheid is over te veel afdelingen en bureaus gesplitst. De decentralisatie van documentatie verloopt weinig planmatig.

Het adviesbureau concludeerde: «Voor een ‹informatiefabriek› als de BVD is het absoluut noodzakelijk tot een verbetering van deze situatie te komen. Een eerste en meest belangrijke stap daartoe zou kunnen zijn een helder inventariseren van de bij de primaire processen behorende informatiebehoefte en een heldere toewijzing van verantwoordelijkheden ter zake van het ordelijk voorzien in die behoefte. Er zal hier sprake moeten zijn van het nodige monnikenwerk.»

Het rapport constateert verder dat er binnen de BVD tal van «autonome operaties» lopen waarover niemand controle heeft, dat er zulke waterdichte schotten tussen de dienstonderdelen bestaan dat de linkerhand niet weet wat de rechterhand doet, dat er nauwelijks sturing van onderzoek plaatsvindt en dat er soms onvoldoende besef van democratische verantwoordingsplicht bestaat. «Het ontbreekt aan een helder strategisch concept, afdoende voortgangsrapportages, een adequate planning op prioriteiten en een voldoende mate van sturingsinformatie», luidt de uitsmijter. «De resultaten nemen te zeer en te vaak de vorm aan van toevalstreffers, die dan vervolgens onevenredig veel invloed hebben op de waardering van werkprocessen en de veroorzakers van die toevalstreffers. (…) In feite kan niemand verantwoordelijkheid dragen voor een product of het productieproces in zijn totaliteit.»

Het lijkt erop dat het door AEF aanbevolen «monnikenwerk» nooit heeft plaatsgevonden. Een aantal affaires van het afgelopen jaar wekt de indruk dat het informatiebeheer binnen de dienst nog steeds een rommeltje is. Neem het antecedentenonderzoek naar voormalig staatssecretaris Bijlhout, die in het verleden iets te innige banden met de Surinaamse legerleider Bouterse bleek te onderhouden. Informatie die gewoon in kranten had gestaan, maar die de BVD blijkbaar niet zo snel in zijn archief kon terugvinden. Of neem de vernietigende conclusies van de commissie-Van den Haak, die onderzocht hoe de beveiliging rond Pim Fortuyn was geregeld. Op een aantal cruciale vragen kreeg de commissie geen antwoord omdat de verantwoordelijke BVD-ambtenaar al enige maanden ziek thuis zat.

Ook in de kwestie-Margarita blijkt de afwezigheid van een BVD-ambtenaar, die een weekje met vakantie was, de reden te zijn voor de ontkennende antwoorden op de vraag of de dienst wellicht een onderzoek had ingesteld naar De Roy van Zuydewijn. Volgens minister Remkes was het dossier zó goed opgeborgen, dat niemand ervan wist of het kon terugvinden.

Toch is er meer aan de hand dan alleen falend informatiebeheer bij de BVD. Ook de cruciale communicatie tussen de BVD en de verantwoordelijke ministers blijkt moeizaam te verlopen. Minister Remkes stelde in de Kamer dat het dossier over De Roy van Zuydewijn, juist omdát het om zo’n gevoelige zaak ging, in de diepste kluis was gestopt waarover de BVD beschikte. Als de BVD zich dus realiseerde dat het hier om een politiek gevoelige zaak ging, waarom is dan niemand op het idee gekomen om de minister daarvan op de hoogte te stellen? Net als bij de eerdere affaires rondom Bijlhout en Pim Fortuyn lijkt het de dienst te ontbreken aan voelsprieten voor politieke en maatschappelijke ontwikkelingen en gevoeligheden. Ook dat constateerde AEF al begin jaren negentig: «De Dienst moet alerter zijn ten aanzien van politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in binnen- en buitenland en flexibeler georganiseerd zijn.»

De communicatieproblemen tussen de geheime dienst en de politiek verantwoordelijken blijken zelfs op microniveau te spelen. Toen minister Klaas de Vries destijds aan de BVD vroeg een risicoanalyse te maken van Fortuyn, had hij waarschijnlijk niet gedacht dat de dienst zich zou beperken tot het doorbladeren van wat dossiermapjes met krantenartikelen. De dienst rapporteerde vervolgens dat er geen bedreigingen waren. Zowel minister als dienst verkeerde in de veronderstelling dat ze zich goed en adequaat van hun taken hadden gekweten.

Een hilarisch voorbeeld is ooit opgetekend uit de mond van oud-premier Lubbers tijdens zijn verhoor voor de commissie die de illegale vernietiging van de archieven van de opgeheven Inlichtingendienst Buitenland onderzocht. Lubbers memoreerde dat hij eens aan toenmalig BVD-chef Docters van Leeuwen had gevraagd of er bij de dienst een dossier lag over de journalist Oltmans. «Nee», luidde het antwoord. Later bleek dat het dossier wel degelijk bestond. Lubbers: «Toen werd tegen mij gezegd: ‹Ja, maar zo hebt u de vraag niet gesteld. Als u de vraag direct anders had gesteld, hadden we geantwoord dat er inderdaad wel iets bij ons was.› (…) Op diezelfde manier hoorde ik Docters van Leeuwen, in een andere zaak zeggen: ‹Nee, er is niets›, terwijl later werd gezegd: ‹Ja, er is wel iets, maar daar sloeg de vraag niet op›.»

Het zou te gemakkelijk zijn om de BVD af te schilderen als een eigengereide, losgeslagen dienst. De weinige kenners in Nederland van de inlichtingenwereld wijzen bij voortduring op het grote gebrek aan interesse vanuit de politiek voor de BVD. Zo smeekte oud-directeur De Haan van de BVD jarenlang om duidelijkheid over het wel of niet volgen van de CPN. Vier achtereenvolgende ministers van Binnenlandse Zaken lieten hem in de kou staan, daarmee terloops ook de Kamer op het verkeerde been zettend. Of neem oud-minister Van Thijn, die een hem onwelgevallig inlichtingenrapport over politieke en financiële beïnvloeding van de grotendeels door de CPN gestuurde actiegroep Stop de neutronenbom onder het tapijt schoffelde. Voor het functioneren van een inlichtingen- en veiligheidsdienst is dat desastreus. Als het de politiek toch niet interesseert, gaan we ze ook niet steeds tot in detail bijpraten, is de logische reactie. Naarmate ministers en parlement minder kunnen of willen controleren en sturen, zal binnen een geheime dienst de neiging ontstaan om buiten de formele en hiërarchische structuren om gevoelige zaken binnenshuis af te handelen.

«Nederland weet nog steeds niet goed hoe het moet omgaan met zijn geheime diensten», concludeerde inlichtingendeskundige Bob de Graaff in NRC Handelsblad van 8 maart. Hij bepleitte een diepgaand, onafhankelijk onderzoek naar het functioneren van de AIVD. Daarbij moet het wat hem betreft in elk geval gaan om het besef van politieke en maatschappelijke ontwikkelingen bij de dienst, de interpretatie die de dienst geeft aan de wettelijke taak, de organisatie van de werkprocessen en het informatiebeheer. Daaraan zou kunnen worden toegevoegd: de politieke controle en aansturing van de dienst.

In Den Haag lijkt dat pleidooi echter aan dovemansoren gericht. Minister Remkes zei in de Kamer: «Om nu te doen alsof het met het toezicht op de BVD én vanuit het parlement én vanuit de reguliere organen een beetje slecht gesteld is, zou heel merkwaardig zijn.»

Dat de minister met hand en tand zijn dienst verdedigt is tot daaraan toe. Maar ook het parlement lijkt serieuze controle op de BVD niet nodig te vinden, zo blijkt uit de net door de Kamer voorgedragen gegadigden voor de Commissie van Toezicht, die de AIVD moet gaan controleren. Geen van de voorgedragen personen is ooit betrapt op enige belangstelling voor of deskundigheid over inlichtingendiensten.

Behalve dan oud-generaal-majoor A.J. van Reijn, die ervaring heeft met militaire inlichtingen. Maar die staat dan ook op de laatste plaats van de voordracht.