Claire-Louise Bennett schreef een ongrijpbaar boek © Mark Walsh

In Kassa 19 van Claire-Louise Bennett betreden we de binnenwereld van een schrijfster, een naamloze verteller die als een bezetene door haar eigen coming-of-age-verhaal raast. Iets duisters scheidt haar van de sociale wereld, iets onuitspreekbaars waarvan ze de oorsprong niet kent. Als kind voelde ze al een ‘dissonantie’ tussen haar innerlijke leven en de wereld om zich heen. Ze zoekt troost in boeken; eerst als lezer, later als schrijver. Het begint met krabbeltjes achter in haar schoolschriftje, lijnen die al krullend over de bladzijde bewegen, transformeren, taal worden, zinnen, verhalen: de verbeelding gaat met haar aan de haal. Wat volgt is een wervelstorm, een magistrale stortvloed van associaties en herinneringen waarin Bennetts verteller haar innerlijke leven in één lange ademstoot en op volstrekt onverschrokken wijze uitbraakt op papier.

‘Ik was niet zozeer geïnteresseerd in het scheppen van een personage’, zei Bennett in een interview met The Irish Times, ‘maar in het scheppen van het gevoel van een aanwezigheid’. Dat doe je niet, aldus Bennett, door het nauwkeurig schetsen van een achtergrond of familiegeschiedenis, maar door zichtbaar te maken wat te vaak onzichtbaar blijft: iemands totale, rauwe binnenste. Bennett prikt de lucht uit het idee van een ‘literair personage’, en wat overblijft zijn de ingewanden van een vrouw; het vrouwelijke zelf, binnenstebuiten gekeerd. In dit inwendige crescendo zijn details over het leven van de verteller schaars. We leren dat zij opgroeide in een arbeidersstadje ten westen van Londen, en dat de kiem van haar buitenstaandersblik ligt besloten in het feit dat haar ambities dit milieu overstijgen. Dat ze op narcistische mannen valt. We weten dat haar moeder veel las, net als haar grootmoeder, en dat mentale onrust als een spook door de vrouwelijke familielijn dwaalt.

Bennetts schrijfster leert al snel dat de binnenwereld van vrouwen gekenmerkt wordt door geheimzinnigheid: vrouwen, waarschuwt haar oma, houden altijd iets achter. Voor hun geheimen is in de wereld geen plek. Bennett lijkt genoeg te hebben van die beklemming. Ze openbaart een wereld vol liefdeloosheid, vervreemding en angst. Haar verteller suist over de witte vellen papier, denkt en voelt en bloedt, een diep, donker menstruatiebloed, ‘het volmaaktste rood ter wereld’.

Met literatuur kun je de angst, en soms de dood, op afstand houden

We volgen haar naar Londen, waar ze gaat studeren, en daarna naar Ierland, waar ze in afzondering leeft. Telkens opnieuw vlucht ze weg in boeken: die van anderen, en haar eigen verhalen. Personages komen tot leven, zoals de Rus in de supermarkt die haar, boodschappen scannend achter kassa 19, een boek overhandigt – Nietzsche’s Voorbij goed en kwaad – en daarmee door haar ‘vlees heen’ kijkt, ‘tot recht in de versnellende omwentelingen van mijn hoogst afwijkende waanvoorstellingen’.

Dat zijn herkenbare waanvoorstellingen, voor een schrijvende vrouw tenminste, aangewakkerd door een aangeboren buitenstaandersgevoel dat zich gespiegeld ziet in de poëzie van Sylvia Plath en Anne Sexton; literatuur waar Bennetts verteller omheen cirkelt als een motje om de vlam van een kaars. Het zijn niet voor niets ‘confessionele’ dichters: de dood is nooit ver weg. Of de waanzin. Waar Bennetts schrijfster in het begin vooral boeken van mannen leest, stort ze zich al snel op het werk van vrouwen. Ze wil weten hoe je die vrouw wordt waar Simone de Beauvoir het over had.

Bennett, die in 2015 debuteerde met de verhalenbundel Pond, weet dat literaire genres vooral bestaan om duidelijkheid te scheppen in de boekhandels; dubbelzinnigheid is funest voor de verkoop. Maar het leven is vooral ambivalentie, en in Kassa 19 zit die ambivalentie in de poriën van de tekst. Het is autofictie zoals niet eerder geschreven, met een ingrijpende toewijding aan de eigen ervaring én aan de verbeelding, zonder een duidelijke grens te stellen tussen die twee. Leven en kunst bestaan niet naast, maar met elkaar. Zonder verbeelding geen leven. ‘Als je directe omgeving niet veel te bieden heeft aan betrouwbare begrenzingen’, zegt Bennetts verteller, ‘is het niet ondenkbaar dat je uiteindelijk een caleidoscopisch proza gaat schrijven dat voortdurend het onderscheid tussen voorwerpen en wezens, zelf en ander, herschikt en een beeld van de wereld uitdrukt in vormen en geometrie, texturen en tonen.’

Bennett creëert een uitzinnige innerlijke wereld en behangt de muren, in zoverre die solide zijn, met taal, bedwelmende taal, lange zinnen, en een uiterst kakofonisch vocabulaire. Ze verdwijnt in haar verbeelding en komt weer boven, een ander mens. Het telkens herinneren van gebeurtenissen, het aanzwellen van de fantasie, houdt de schrijfster in leven.

Met literatuur kun je de angst, en soms de dood, op afstand houden. In een boek leven en sterven we, ‘levend en stervend, linkerbladzij, rechterbladzij, en zo door’. De ‘macht van het geschreven woord’ is wat Kassa 19 aanstuurt. Het is een meta-commentaar op het schrijversleven, en een antwoord op de vraag: waarom lezen? Waarom schrijven? Te midden van de chaos van het leven is schrijven een container, iets wat een mens bijeenhoudt. Het heeft iets magisch. Iets machtigs. Net als na een intens gesprek met een geliefde, of met je psychiater, is het onmogelijk om precies te vertellen wat je hebt meegemaakt na het lezen van Kassa 19. Het is een wild, ongrijpbaar, huiveringwekkend goed boek.