Televisie

De innemende tiran

Televisie: Ischa Meijer

De Auschwitz-herdenking bracht me bij Primo Levi, Het respijt. Op 27 januari zag hij vier Russische soldaten te paard. «Behalve door medelijden leken ze bezwaard door een verward gevoel van schroom, dat hun lippen verzegelde en hun ogen gekluisterd hield aan het schouwspel van dood en verwoesting. Dat was de schaamte die wijzelf ook zo goed kenden, de schaamte die ons na selecties overmande en alle keren dat we een schanddaad moesten bijwonen of ondergaan; de schaamte (…) die de gerechte voelt om het door een ander begane kwaad, omdat dat nu bestaat, onherroepelijk deel uitmaakt van de wereld van de bestaande dingen, en zijn goede wil nietig of ontoereikend is geweest en het niet heeft kunnen verhinderen.»

Het is die schaamte, aangevuld met schuldgevoel, waarover Annie Schmidt het wilde hebben in dat laatste interview met Ischa Meijer (Avro). Een paar keer houdt hij dat tegen, schijnbaar niet in een bekentenis geïnteresseerd, tot ze hem beveelt te luisteren: «Al die weggevoerde mensen. Dat we dat hebben laten gebeuren.» Waarop Ischa zegt dat het kennelijk heel menselijk is dat te laten gebeuren. Annie, van slag, zwijgt en knikt dan peinzend. Waarna het verder gaat over de Parool-tijd. Een prachtig gesprek dat, herhaald, goed had kunnen dienen als In Memoriam Ischa. Gesprek waarin hij op de tv het hoge niveau van zijn radiowerk haalde. Dan maar herhalen in een Annie-kroonjaar. En blij zijn dat de VPRO zo veel werk maakt van herdenken.

De kritiek op Kees de Groot van Embdens Ik hou van mij is dat die documentaire te weinig over Meijers werk gaat en te veel over diens persoonlijk leven. Maar het is een indrukwekkend portret via familie en geliefdes, waarin zijn «kernwerk» Brief aan mijn moeder een van de leidraden is. En dat persoonlijk leven is niet alleen verklaring voor zijn gedrag maar ook voor werk en werkwijze. Daarover inderdaad meer in Hoe was ik?, mooie tweedelige radiodocumentaire van David de Jongh in De avonden (747 AM), deze en volgende week. Daarin rept Ischa zelf over de schaamte, die hij maar al te goed kende. En die hem, altijd in de contramine, vaak schaamteloos maakte. Hoe is het mogelijk dat we met zo velen fan waren van een wispelturige tiran die gasten schijnbaar willekeurig brak of maakte? Omdat hij ook briljant, geestig en innemend was en ons het gevoel gaf dat we hem héél goed kenden. En hij ons. Zodat we, net als die vijf vrouwen bij zijn begrafenis, wel naar zijn zuster hadden willen gaan om haar toe te fluisteren: «Weet u, ik had een heel speciale band met Ischa.»