De ‘innerlijke waarheid’

Kraakhelder legt historicus Richard J. Evans uit hoe in Hitlers Duitsland complotten tot stand kwamen en hoe ze wind onder de vleugels kregen. De parallel met fake news ligt voor de hand.

Spotprent in een Nederlandse krant over het proces tegen Marinus van der Lubbe, verdacht van het in brand steken van de Rijksdag in Berlijn op 27 februari 1933 © Beeldbank WO2, NIOD, Tjerk Bottema

Naar alle waarschijnlijkheid heeft Hitler de bekendste, meest virulent antisemitische complottheorieën uit zijn tijd nooit gelezen. Hitler bezat het pamflet over ‘de protocollen van de wijzen van Sion’ niet, maar wel talloze andere boeken die ernaar verwezen, zoals The International Jew, het geschrift van de autofabrikant Henry Ford. Hij hoefde de protocollen ook niet gelezen te hebben – onder het extreem-rechtse publiek in Duitsland van de jaren twintig kende iedereen hun boodschap. In 1897 zou een club joodse leiders in Basel bij elkaar zijn gekomen om samen te spannen om de christelijke wereldorde omver te werpen. ‘Wij – de joden – hebben het geld in handen en daarmee de controle over de wereld.’ Een hele opsomming volgt; hoe ze een wapenwedloop zouden beginnen en oorlogen zouden uitlokken, hoe ze via algemeen kiesrecht de massa’s aan de macht zouden helpen, die ze via ‘hun’ media zouden controleren. Zo zouden ze de massa ‘de verderfelijke doctrines’ van Marx, Darwin en Nietzsche opdringen, tot ze alle sociale stabiliteit zouden hebben ondermijnd.

Heel wijs waren die wijzen niet. Het document is onsamenhangend, chaotisch, vol tegenstrijdigheden en oeverloze uitweidingen waarbij, soms, gek genoeg, ineens iets merkwaardig positiefs wordt gesuggereerd – wie zou bezwaar maken tegen een samenleving zonder alcoholisme en werkloosheid?

Al in de jaren twintig toonden journalisten aan dat de protocollen nep waren. Het pamflet was een aan elkaar geplagieerd werkje dat hele hoofdstukken uit Franse anti-Napoleon-III-traktaten en Duitse romans bevatte, aangevuld met teksten van de Russische geheime dienst. Wie het heeft gefabriceerd is nooit bewezen, alleen dat het in tsaristisch Rusland gebeurde.

Hier dan de parallel naar het fake news dat onder Donald Trump zo welig is gaan tieren: de onthulling van de leugen maakte niet uit. De protocollen bleven in omloop, de nazi’s bleven ze verspreiden, ook al wisten ze zelf dat ze niet echt waren. Joseph Goebbels noteerde in zijn dagboek dat hij ervan overtuigd was dat de protocollen onecht waren, al was het maar ‘omdat ik niet geloof dat ze protocollen van deze significantie niet geheim zouden houden’. Maar, voegde hij eraan toe, hij geloofde weliswaar niet de feitelijke waarheid van de protocollen, maar wel de ‘innerlijke waarheid’.

De protocollen vormen samen met de Dolkstootlegende en de Rijksdagbrand de drie complotten waarop nazi-Duitsland zich keer op keer beriep, blijkt uit het nieuwe boek Het nazisme en complottheorieën van de Brit Richard J. Evans, of eigenlijk: Sir Richard J. Evans, want hij is geridderd voor zijn bijdrage aan de geschiedschrijving. Centraal in die bijdrage staat zijn monumentale trilogie (2003-2008) over het Derde Rijk, een trilogie die met recht gezien wordt als de meest volledige en tegelijk leesbare geschiedenis van de opkomst, wasdom en ondergang van Duitsland onder Hitler. Tot aan zijn pensioen in 2014 was Evans hoogleraar aan Cambridge en hij is, dit terzijde, buitengewoon grappig op Twitter.

De nazi’s bleven de leugens verspreiden, ook al wisten ze zelf dat ze niet echt waren

Het boek is kraakhelder. Heel lucide legt Evans uit hoe de complotten tot stand kwamen, op welke leugens of verdraaiingen ze waren gebaseerd en hoe ze wind onder de vleugels kregen. Evans onderscheidt twee soorten complottheorieën: de ‘systemic conspiracy’ en de ‘event conspiracy’ (ik gebruik even de Engelse termen uit The Hitler Conspiracies, omdat in de vertaling de scherpte rond deze termen wat verdwenen is).

De systemische variant gaat niet over een concrete gebeurtenis, maar over een maatschappijbrede ontwikkeling. De Dolkstootlegende is een klassieker in het systemische genre; het Duitse leger zou in november 1918 aan de winnende hand zijn en werd door joodse en linkse krachten gedwongen zich over te geven. Evans laat nog eens zien hoezeer dat niet klopt. Al maanden voor de overgave wist de Duitse generale staf dat het najaarsoffensief van 1918 onvoldoende was geweest en dat de situatie onhoudbaar was. Ook was het niet zo dat joodse soldaten het massaal lieten afweten; het Duitse leger liet al in 1916 onderzoek doen, en concludeerde dat joodse soldaten juist buitenproportioneel veel aan het front dienden (tachtig procent). Van de honderdduizend joodse soldaten in het Duitse leger sneuvelden er 12.000 en werden er 35.000 onderscheiden. Maar: het Duitse leger publiceerde deze resultaten niet.

Voor de miljoenen geborneerde veteranen was de uitleg van een dolkstoot meer fataal heroïsch dan de grauwe realiteit van een nederlaag. Zoals de Duitse auteur Hans Blüher schreef: ‘Pogingen van de Joodse pers om de Dolksteekmythe te weerleggen, zijn nutteloos. Je kunt alles wel bewijzen en weerleggen. Maar het is een feit dat elke Duitser het in zijn bloed heeft.’

Hitler zat met die Dolkstoot in zijn maag; hij wilde liever niet refereren aan Duits verlies door een zwakke Duitse ruggengraat, aangezien hij de superioriteit van ‘Eén volk, één Duitsland’ propageerde. ‘Hij sprak liever over Tannenberg dan over Verdun.’ Maar de systemische onwaarheid van de Dolkstootlegende versmolt met de systemische leugens over de protocollen van de wijzen van Sion. Zo voedde een klimaat van onwaarheid zichzelf.

Het bekendste voorbeeld van een ‘event conspiracy’ is de Rijksdagbrand in 1933. Vier weken na de installatie van Hitler als Bondskanselier werd de 24-jarige Nederlander Marinus van der Lubbe zonder shirt (dat was verbrand) met benzineflessen aangetroffen midden in het parlementsgebouw. Zijn lot was een snelle terdoodveroordeling (Willem Elsschot dichtte: ‘Jongen, met je wankel hoofd/ aan den beul vooruit beloofd,/ toen je daar je lot verbeidde/ stond ik wenend aan je zijde’), terwijl Hitler de brand aangreep om de noodtoestand uit te roepen en de democratie buitenspel te zetten.

De Rijksdagbrand geldt vaak als het schoolvoorbeeld van een ‘false flag’-operatie waarbij de overheid een aanval ensceneert om in de daarop volgende chaos wetten te omzeilen – zoals ook vaak over 9/11 is gesuggereerd. Evans laat zien dat de ‘cui bono’-vraag die bij elk complot gesteld moet worden vertekenend kan werken: want ja, de nazi’s profiteerden van de situatie, maar dat betekent nog niet dat ze daarom voorkennis hadden. Het laat ook zien dat complotdenken niet aan rechts voorbehouden is, want toen Duitse historici na de oorlog tot de conclusie kwamen dat Van der Lubbe inderdaad de brand had aangestoken (Evans zet het bewijs achter elkaar; het is overweldigend) werden ze door linkse publicisten als halve of hele neo-nazi’s weggehoond.

‘Post-truth is pre-fascism’, stelde historicus Timothy Snyder begin januari in The New York Times. Die oneliner onderschrijft Evans met dit historische boek, dat vaak een-op-een optrekt met onze actualiteit. De meest hardnekkige leugens kunnen uitgroeien tot niets minder dan de oorsprongsmythen van een land.