10 jaar na de moord op Fortuyn: Kosmopolieten en nationalisteN

De intellectuele gedoogconstructie

Niet-populistische politieke partijen moeten de standpunten van de populisten in gematigde vorm overnemen, stellen Mark Bovens en Anchrit Wille in Diplomademocratie. Waarom zouden ze?

Op 6 mei ligt de moord op Pim Fortuyn precies tien jaar achter ons. Het afgelopen decennium voerde het rechtspopulisme de boventoon en maakte Nederland een harde ruk naar rechts, culminerend in het kabinet-Rutte dat het land beloofde terug te geven aan de hardwerkende Nederlander. Met de val van de regering zijn er velen die afgeven op het onzalige karakter van de gedoogconstructie. Het wordt de gevestigde rechtse partijen kwalijk genomen dat zij überhaupt met Wilders in zee zijn gegaan.

De gedoogconstructie is echter niet enkel op het conto van rechts te schrijven. Jazeker, het was Rutte die eigenhandig besloot over rechts te gaan bij de formatie. Maar even goed was er sprake van een brede intellectuele consensus onder wetenschappers en journalisten dat het rechtspopulisme omarmd en geïncorporeerd moest worden door politiek en media. Deze poging tot pacificatie van het rechtspopulisme werd wetenschappelijk onderbouwd met een even populaire als foutieve interpretatie van de opkomst van Fortuyn. Het falen van de politieke gedoogconstructie impliceert even goed dat de intellectuele gedoogconstructie mislukt is. Tijd om een kritisch licht te laten schijnen over de belangrijkste instantie van deze pacificerende denktrant, de invloedrijke NWO-studie Diplomademocratie van de bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille.

De centrale stelling van de studie Diplomademocratie is dat de opkomst van Fortuyn en zijn navolgers een gevolg is van de onmin tussen lager en hoger opgeleiden. De politieke dominantie van kosmopolitische hoger opgeleiden heeft geleid tot een rebellie van meer nationalistisch ingestelde lager opgeleiden, zo gaat het verhaal. De oplossing die de auteurs aandragen voor deze problematiek is eenvoudig: meer rekening houden met de wensen van lager opgeleiden, en meer lager opgeleiden in de politiek. Zo verklaarden de bestuurskundigen in NRC Handelsblad dat de pvv van Geert Wilders ‘een gezonde correctie is op het Nederlandse politieke systeem’. Een wetenschappelijk onderbouwde veer in de reet die natuurlijk van harte verwelkomd werd door Geert Wilders zelf.

Dezelfde analyse leidde tot de aanbeveling ‘dat de programmapunten van de nieuwe populistische partijen in gematigde vorm (moeten) worden overgenomen door de bestaande politieke partijen’. Het alternatief is volgens de auteurs een doemscenario, waarin net als in de jaren dertig ‘de parlementaire democratie niet meer als legitiem gezien wordt’. Gegeven het feit dat Mark Bovens bij de pvda een invloedrijke positie inneemt, is het moeilijk dit anders te zien dan als de wetenschappelijke omkleding van een ouverture richting de pvv. Zeer vergelijkbaar met Maxime Verhagens commentaar over de begrijpelijke en terechte zorgen die leven over buitenlanders en de door ‘buitenlandse ziekte’ geïnfecteerde groenten. Maar dan een tikkeltje netter en bovenal wetenschappelijker geformuleerd.

Ondanks deze nogal boude aanbevelingen vond Diplomademocratie bij verschijnen vrijwel onmiddellijk brede weerklank. Kranten plaatsten interviews met de auteurs, politici beaamden de conclusies, debatcentra organiseerden debatten over de implicaties en vooraanstaande intellectuelen als David van Reybrouck namen de analyse over. Bij de presentatie van het Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2011 herkauwde Kamer-voorzitter Gerda Verbeet nog eens de kernpunten van het NWO-rapport voor de pers. Het wekt dan ook geen verbazing dat ‘diplomademocratie’ een van de kernwoorden is geworden in het publieke debat. Vandaag de dag wordt in brede kringen het begrip ‘diploma­democratie’, en de specifieke lezing van de opkomst van het populisme die met het idee verbonden is als een sleutel gezien tot het begrijpen van de huidige politieke tegenstellingen. En dat is even opzienbarend als problematisch, want de studie rammelt aan alle kanten.

Diplomademocratie opent vrij dramatisch met de beschrijving van een ‘nieuwe maatschappelijke verzuiling’ op basis van opleiding. De stelling is dat de Nederlandse maatschappij zich ‘meer en meer lijkt te ontwikkelen tot een platoonse meritocratie’ waar hoger opgeleiden het voor het zeggen hebben. Dat er een participatiekloof bestaat en dat deze zeer omvangrijk is, wordt overtuigend en met veel onderbouwing aangetoond. Hoger opgeleiden zijn veel vaker politiek actief dan lager opgeleiden, stemmen vaker en hebben meer politieke interesse.

Maar de kloof tussen hoger en lager opgeleiden heeft altijd al bestaan en is vrij stabiel, zo moeten de auteurs op een gegeven moment zelf ook toegeven. Het is de vraag of het etiket ‘nieuw’ hier van toepassing is, en of het als verklaring kan dienen voor de opkomst van het populisme.

Vervolgens creëert de studie een misleidend beeld van de belangen van lager en hoger opgeleiden: ‘Hoger opgeleiden zijn kosmopolieten, lager opgeleiden vooral nationalistisch ingesteld.’ Dit is volgens de auteurs niet een kwestie van het hebben van bepaalde (verlichte) ideeën of niet, maar van uiteenlopende belangen: ‘Hoger opgeleiden ervaren vooral de lusten van open grenzen, lager opgeleiden dragen de lasten.’ Dit is de bekende retoriek over ‘de verliezers van de mondialisering’. Voor deze gemeenplaats wordt echter geen onderbouwing aangeleverd, enkel wat anekdotische referenties aan de overlast die lager opgeleiden ondervinden van Poolse pensions en de spreekwoordelijke loodgieters.

We hoeven alleen maar te denken aan het transportwezen, met 350.000 werknemers (de havens, Schiphol, vrachtwagenchauffeurs) letterlijk de handen en voeten van de globalisering, of de circa 400.000 banen in de toerisme-industrie, om dit simplistische beeld onderuit te halen. De werkgelegenheid van veel lager opgeleiden is nauw verbonden met mondialiseringsprocessen. De relevante vraag is hier eerder of kiezers wel voldoen aan het achterhaalde beeld van rationele nutsmaximalisatoren dat wetenschappers als Bovens en Wille nog steeds blijken aan te houden.

De vertekenende effecten van een dergelijk schema worden al snel duidelijk als de Europese Unie ter sprake komt. Zo interpreteren de auteurs de tegenstem in het Nederlandse referendum over de Europese grondwet als hét voorbeeld van de rebellie van nationalistische lager opgeleiden tegen de dominantie van de kosmopolitische hoger opgeleiden. Volgens Bovens en Wille waren de voorstemmers ‘veelal hoger opgeleid en woonden in villadorpen en in de betere buurten van de grote steden en waren vooral een aanhanger van d66 en GroenLinks, bij uitstek de partijen van de academici, maar ook van pvda, cda of vvd’. De tegenstemmers daarentegen ‘waren overwegend lager opgeleid en woonden op het platteland, in de naoorlogse wederopbouwwijken van de grote steden of in de Vinexgebieden. Zij hadden bij de Kamer­verkiezingen van 2003 op de sp of de lpf gestemd, of waren thuisgebleven.’

De exitpolls laten echter zien dat een meerderheid van 51 procent van de hoger opgeleiden tegen de grondwet stemde (vergeleken met 72 procent van de mensen met een middelbare opleiding en 82 procent van degenen met een basisopleiding). Bovens en Wille stellen dat dit verschil van twintig tot dertig procent de causale verbinding tussen de diplomademocratie en de populistische revolte aantoont. Er wordt dan ook vrijuit gesproken van ‘het nee van de lager opgeleiden’. De oplettende lezer heeft echter al gezien dat in het hypothetische scenario dat iedereen in Nederland hoogopgeleid zou zijn, de uitslag alsnog een nee tegen de grondwet zou zijn geweest. Het beeld van de tegenstemmers dat Bovens en Wille aandragen als lager opgeleide, ‘nationalistische’ sp- en lpf-stemmers of thuisblijvers is een ernstige misrepresentatie: zo stemde zelfs de bij uitstek hoogopgeleide ‘kosmopolitische’ GroenLinks-achterban in meerderheid tegen. Alleen d66 en het cda stemden voor, niet echt het toonbeeld van een kosmopolitische coalitie.

Problematisch is verder dat er aan de nee-stem een eenduidige nationalistische betekenis wordt gegeven, terwijl daar geen bewijs voor is. Een panelonderzoek in opdracht van het ministerie van Buitenlandse Zaken maakt aannemelijk dat de stem tegen de EU-grondwet eerder geïnterpreteerd moet worden als een veel breder gedragen zorg onder zowel lager als hoger opgeleiden over het verlies van democratische zeggenschap. ‘Het wordt ons gewoon in de maag gesplitst’, was de typische reactie van een respondent in de klankbordgroep. De nee-stem kan niet simpelweg gereduceerd worden tot de tegenstelling kosmopolitisme/nationalisme of de angst voor Polen en andere Oost-Europeanen, waar Wille en Bovens het herhaaldelijk over hebben.

Terwijl Bovens in nrc next vermeldt dat ‘zorgen van gewone Nederlanders over europeanisering, immigratie, en globalisering’ door de elite worden weggezet ‘als xenofoob en racistisch’ maken Bovens en Wille zich evenzeer schuldig aan ­projectie door een meerderheid van de bevolking weg te zetten als nationalisten. Als we de data van het kiezersonderzoek uit 2006 erbij nemen, duikt er zelfs een fascinerende, even valide verklaring op voor het feit dat meer lager opgeleiden tegen de EU zijn: lager opgeleiden hebben een grotere voorkeur voor directere vormen van democratie dan hoger opgeleiden en politici. In andere woorden: de tegenstelling tussen lager opgeleide democraten en hoger opgeleide technocraten is evengoed uit de data af te leiden.

Dan is er nog de kwestie van de kip en het ei. Waren de opvattingen van het toekomstige rechtspopulistische electoraat er al voordat Fortuyn er was, of was het Fortuyn die ongearticuleerde politieke sentimenten voor het eerst tot een samenhangend verhaal wist om te smeden? Bovens en Wille gaan van het eerste uit. Fortuyn is slechts een gevolg van een al eerder bestaande tegenstelling tussen hoger en lager opgeleiden op het gebied van immigratie en Europese eenwording. ‘Deze scheidslijn tussen kosmopolieten en nationalisten is geleidelijk gegroeid en die groei is gelijk op gegaan met de komst van immigranten naar Nederland en met de toenemende europeanisering.’ ‘Al aan het begin van de jaren negentig zetten veel kiezers asielzoekers en immigratie boven aan de lijst van brandende maatschappelijke kwesties.’

De zorgen over deze issues zouden lange tijd niet politiek zijn gerepresenteerd, met als gevolg dat ze telkens gegroeid zijn. Deze situatie heeft tot de opkomst van het populisme geleid. Maar als we de data van het kiezersonderzoek erop nalezen waar de auteurs hun argument op baseren, dan lijkt er geen sprake te zijn van een rechtlijnige groei van bezorgdheid die met het populisme tot uitbarsting komt. In de jaren voor Fortuyn, van 1994 tot 1998, lezen we dat ‘op het strijdpunt van aanpassing van etnische minderheden aan de Nederlandse cultuur’ de opinie van de gemiddelde kiezer zich ‘enigszins in progressieve richting’ verschuift. Ook is er in diezelfde periode sprake van ‘een afname van polarisatie onder het electoraat’ op hetzelfde thema.

Vlak voor de opkomst van Fortuyn was er dus juist sprake van een tendens die tegengesteld was aan de tendens die door de auteurs wordt geschetst: de onvrede nam niet geleidelijk toe, er was eerder sprake van een radicale breuk. Zo bevond het vertrouwen in de politiek zich vóór Fortuyn op een recordhoogte; na de moord op Fortuyn sloeg dat om in alomtegenwoordige ontevredenheid. De enige logische conclusie is dat Pim Fortuyn zelf een spelbepaler is geweest en een belangrijke invloed heeft uitgeoefend op zowel de groei van de politieke ontevredenheid als op het stemgedrag in de verkiezingen van 2002. De enige logische conclusie is dat de ideo­logische inhoud van Fortuyns betoog zijn kiezers heeft beïnvloed.

Een belangrijk gedeelte van het verklarende werk in Diplomademocratie berust op ontwikkelingen die geleidelijk of spontaan verlopen. Zo is de bovenstaande scheidslijn tussen kosmopolieten en nationalisten ‘geleidelijk’ gegroeid. Het woord ‘geleidelijk’ lijkt in dit geval als een vorm van mystificatie te dienen die betekent dat er iets niet verklaard hoeft te worden, dat er iets genaturaliseerd wordt. Zijn dit werkelijk spontane, geleidelijke ontwikkelingen? Of is de politieke meningsvorming op dit gebied het resultaat van een actieve politieke strijd over probleem­definities, agendabepaling en betekenisgeving? De essentiële vraag is hier of bij rechtspopulistisch stemgedrag bijvoorbeeld meespeelt dat kiezers een ander begrip van de werkelijkheid hebben – dat de sluizen openstaan, dat er sprake is van islamisering, dat de pvda tot de massa-immigratie heeft besloten, om maar wat wijdverspreide nieuw-rechtse gemeenplaatsen te noemen – omdat ervaringen geframed en hun politieke opinies gevormd worden door Pim Fortuyn en media als De Telegraaf, HP/De Tijd, GeenStijl of Elsevier. Deze vraag valt echter buiten het postideologische kader van studies als Diplomademocratie. De auteurs hebben vooraf netjes met elkaar afgesproken dat ideologie geen rol meer speelt als communicatiekanaal tussen elite en massa.

Het is de vraag of dit nog houdbaar is na de opkomst van Fortuyn. In de verhouding tussen massa en elite die we vinden bij rechtspopulistische politici en bij rechtse media kan het bijna niet anders dan dat ideologie wel degelijk een belangrijke rol speelt. Hoe zou je anders kunnen verklaren dat mensen zich zorgen maken over dingen die simpelweg onwaar zijn? (Er is immers sinds het strikte immigratiebeleid van Job Cohen geen sprake van openstaande sluizen, noch van islamisering, en het was een regering van vvd en cda, niet de pvda die tot de gastarbeiderimmigratie heeft besloten.) Je zou natuurlijk kunnen zeggen dat de zorgen over ‘islamisering’ in afgelegen dorpen in Limburg en in plekken als Urk, waar velen nog nooit een moslim hebben gezien, zich ‘geleidelijk’ hebben ontwikkeld, maar dat is even nietszeggend als verhullend.

De politieke gevolgen van dit alles zijn ­verstrekkend. In dit type narratief wordt de opkomst van het populisme gepresenteerd als de logische uitkomst van langlopende, geleidelijke veranderingen in de opvattingen van het electoraat. Deze veranderingen worden voorgesteld als een soort natuurverschijnselen, het spontane gevolg van grotendeels anonieme processen (migratie, Europese eenwording, ­globalisering). De logische conclusie die hieruit volgt is dat de politiek, wil zij democratisch en representatief zijn, een verschuiving naar rechts moet maken om zich aan te passen aan het electoraat.

Als je ervan uitgaat dat de voorkeuren van lager opgeleiden niet vaststaan, maar gevormd worden in de publieke opinie, dan kom je tot heel andere conclusies. Als de elitaire, hoog­opgeleide Fortuyn zijn merk politiek kan ­verkopen aan lager opgeleiden, dan gaat het niet zozeer om intrinsieke behoeftes van lager ­opgeleiden die door lager opgeleiden moeten worden ­vertegenwoordigd, maar eerder om wie het best met zijn wereldbeeld marchandeert. De conclusie is dan eerder dat nieuw rechts een klinkende overwinning heeft behaald in het bepalen van de politieke agenda en het bespelen van het publieke debat de laatste tien jaar.

De taak van andere politieke partijen is er niet per se in gelegen om deze overwinning te accepteren en de standpunten (en probleem­definities) van de pvv in gematigde vorm over te nemen, zoals Bovens en Wille dat graag zouden zien. Natuurlijk, dat is de klassieke depolitiserende en accommoderende geste van het pacificatiemodel van Arend Lijphart en het is niet geheel onverwacht dat bestuurskundigen deze traditionele beheerspolitiek voorstaan. Maar waarom zouden gevestigde politieke partijen de standpunten van Wilders in gematigde vorm over moeten nemen? Hebben zij niet de taak hun eigen electoraat te vertegenwoordigen en hun eigen politiek te ontwikkelen? Is dat niet waar de democratie om draait?

Rest de vraag waarom Diplomademocratie – gezien de gebreken van de studie – zoveel populariteit geniet in media en politiek. Misschien is het juist wel omdat de studie de huidige verhoudingen depolitiseert en terugbrengt tot de behapbare ‘rationele belangen’ van lager en hoger opgeleiden. Misschien is het wel omdat de studie vasthoudt aan een plezierig fantoombeeld van de democratie waarin de klant koning is, waar politiek functioneert als een dienst­verlenend bedrijf dat zich blindstaart op Motivaction-onderzoeken en politiek als merk beziet. Het is illustratief in deze dat Wouter Bos in een _Pauw & Witteman-_aflevering over de nacht van Fortuyn verbouwereerd meldde dat hij geen idee had wat Pim Fortuyns ideeën precies waren. Terwijl Fortuyn er een heel concrete en samenhangende ideologie op nahield. Het is deze inhoudelijke leegte die tot de gedoog­constructie heeft geleid, die het populisme zoveel ruimte heeft gegeven.


Dit is een ingekorte versie van een hoofdstuk uit het binnenkort te verschijnen boek van J. Uitermark, M. Oudenampsen, B. van Heerikhuizen en R. van Reekum (red.) Power to the People! Een anatomie van populisme(Boom/Lemma 2012)

* * *

_Correctie (6 juni 2012)

Bovenstaand artikel is gereviseerd om een feitelijke onjuistheid te corrigeren: er stond vermeld dat de studie over de Diploma democratie een wrr-studie is. Het is echter een nwo-studie._