De internetpresident

INTERNET speelt een belangrijke rol in de zaak-Lewinsky - dat mag inmiddels genoegzaam bekend zijn. Het was immers Internet-journalist Matt Drudge die op 18 januari 1998 het nieuws over de affaire als eerste naar buiten bracht. Op de webpagina’s van The Drudge Report stond die ochtend te lezen: ‘Op het laatste ogenblik, zaterdagavond om zes uur, besloot het tijdschrift Newsweek af te zien van een verhaal dat het establishment uit Washington op zijn grondvesten zal doen schudden - een stagiaire van het Witte Huis blijkt een langdurige seksuele relatie te hebben gehad met de president van de Verenigde Staten.’

De geest was uit de fles. Diverse Internet-kranten namen het nieuws over, gevolgd door lokale televisiezenders en tabloids. Pas drie dagen nadien durfden ABC News, The Washington Post en The Los Angeles Times iets over het schandaal te publiceren, gevolgd door de nationale en internationale media. Het was niet alleen Matt Drudge die een belangrijke rol speelde in deze ‘affaire van het jaar’. Ook andere Internet-bronnen namen een deel van hun taak op zich door de publicaties van Drudge over te nemen, te citeren, te verifiëren en te bediscussiëren. Grote nieuwssites als Slate, CNN, Excite, MSNBC en ook de Nederlandse e-zines Daily Planet en Shift pakten de Lewinsky-zaak met veel energie op. Bij CNN alleen al verschenen in een jaar meer dan vijftienhonderd artikelen over de kwestie. Gebeurtenissen en schandalen zorgden voor grote bezoekersaantallen op deze sites. Met als gevolg: nog meer aandacht voor Monica-gate, nog meer lekken, roddels en geruchten. Internet werkte hierbij als een rondzingende microfoon. De golven die het opwekte, werden weer in het eigen systeem opgenomen en verwerkt, en zorgden zo voor een nog grotere vloedgolf aan berichten en bezoekers. De chaostheorie werd daarmee in praktijk gebracht. Elke populaire Internet-site maakt dat van tijd tot tijd mee. De Nasa-site bijvoorbeeld, toen de Pathfinder op Mars landde. En natuurlijk de websites die het rapport van Kenneth Starr op vrijdag 11 september aan het Internet-publiek aanboden en het document naar meer dan 25 miljoen gebruikers uploadden. DE POPULARITEIT van het digitale Starr-rapport toont eens te meer aan dat Internet een heel andere rol speelt in de nieuwsvoorziening dan andere media. Kranten-, radio- en televisiejournalisten spelen van oudsher de rol van poortwachters: ze selecteren het nieuws, vatten het samen en geven er commentaar op. Bij het Starr-rapport sloegen miljoenen Internet-gebruikers die stap over, haalden het oorspronkelijke document naar hun harde schijf, lazen het en bespraken het in een van de honderden forums, usenet-groepen of chatruimtes. Journalisten kwamen daar nauwelijks aan te pas. Er zijn nog meer opmerkelijke kanten aan de zaak-Lewinsky. Zo blijkt uit de gebeurtenissen van het afgelopen jaar dat het er blijkbaar steeds minder toe doet of iets werkelijk gebeurd is of niet. Het eerste bericht dat Matt Drudge op 18 januari via zijn Drudge Report verspreidde, bleek waar te zijn, alleen wist hij dat toen nog niet. Het enige wat hij wist, was dat Newsweek een artikel over de zaak wilde publiceren maar er op het laatste moment van afzag. Een e-mailtje van een boze Newsweek-journalist deed vervolgens de rest. Controleren deed Drudge de feiten niet - dat kon hij ook niet. Hij kon ze alleen publiceren en hopen op een bevestiging van zijn vermoeden. 'Je kunt later altijd nog het tegendeel beweren’ is Drudge’s gevleugelde uitspraak. Het Amerikaanse tijdschrift Brill’s Content rekende onlangs Drudge’s score uit: ruim eenderde van zijn beweringen over Clinton bleek achteraf onjuist, eenderde was waar en van eenderde was het niet duidelijk. Maar dat doet er volgens Drudge en het merendeel van de Internet-gebruikers niet toe, want de vraag is niet of iets waar is, maar of het waar had kunnen zijn. Neem het verhaal van de Nederlandse arts die claimde via computernetwerken de verkrachter van zijn vrouw in Zwitserland te hebben opgespoord. Bleek niet waar, maar leverde toch een leuk verhaal op, dat in tientallen, zo niet honderden e-zines en webpagina’s verscheen en nog steeds een belangrijke urban legend van het net vormt. DE ONVERSCHILLIGHEID ten opzichte van de waarheid is natuurlijk niet alleen kenmerkend voor Internet. Ook andere media bezondigen zich eraan, met name de roddelbladen en de tabloids. Alleen lijkt het bij het net tot norm verheven te zijn. Cyberspace is immers tijdelijk, virtueel, instabiel, vaag en dubbelzinnig. Elk bericht kan door iedereen bekeken en becommentarieerd worden, alles kan ogenblikkelijk weer herroepen worden, dus waarom zou je je als informatiemaker druk maken over de exacte, controleerbare waarheid? Dat kun jij in je eentje niet uitmaken, dat zal over langere tijd door een grotere gemeenschap gebruikers moeten worden gedragen. De waarheid is de uitkomst van een proces, geen product. Dat privacy zo langzamerhand een leeg begrip is geworden, is een andere opmerkelijke en overduidelijke invloed van Internet. Clintons belangrijkste verweer was lange tijd dat Starr geen recht had in zijn dossiers te wroeten en lijfwachten en advocaten te verhoren omdat de zaak-Lewinsky een privé-aangelegenheid was. Dit argument werd met opvallend gemak aan de kant geschoven. Niet alleen door Starr, maar - en dat is het frappante - ook door de media en de publieke opinie. Blijkbaar heeft een president van Amerika geen privé-leven meer. En waarom niet? Omdat hij een openbare functie heeft, zo luidt de redenering. Maar heeft niet iedere onderwijzer, soldaat, directeur, ambtenaar, journalist of werkloze dat? Privacy is van vroeger. Een privé-leven lijkt niet meer voor ons weggelegd, daarvoor hoef je maar naar de videocamera’s op de straathoek te kijken, of naar de milieupolitie die dagelijks vuilniszakken controleert. Ook deze ontwikkeling is op Internet in al z'n extreemheid te zien. Wie zich eenmaal in cyberspace begeeft, weet dat hij een keizer zonder kleren is: je hele hebben en houden kan door iedereen bekeken worden. En wat eenmaal op het web staat gaat nooit verloren. Internet-journalist Francisco van Jole toonde een tijd geleden in de Volkskrant aan hoe makkelijk het is om iemands duistere verleden op Internet op te sporen. Hij herinnerde zich vaag dat een inwoner van Putten een keer een mailtje in een nieuwsgroep had achtergelaten. De man was op zoek naar foto’s van naakte kleuters en had - zeer klungelig - gevraagd of ze hem ook op 'te list’ konden zetten. Via een zoekmachine vond Van Jole het oorspronkelijke bericht, speurend naar de fout gespelde woordgroep. Daarna zocht hij op het gevonden e-mailadres dat de dommerik had achtergelaten. En warempel: in een andere nieuwsgroep had de man een printer te koop aangeboden. Inclusief naam en telefoonnummer. Binnen tien minuten wist Van Jole de identiteit van de Puttenaar bloot te leggen. Speelt privacy geen enkele rol op Internet, ook daarbuiten wordt het een steeds leger begrip, zoals Clinton heeft gemerkt. Waar president Kennedy in de jaren zestig nog ongestoord een promiscue erotomane levensinstelling kon botvieren, daar bleef Clinton in de jaren negentig niets bespaard. Dat komt omdat de gedachten over privacy in drie decennia ingrijpend zijn veranderd. Met als belangrijke richtingbepaler het net. En dat is wat Monica-gate aantoont: hoezeer de mores van Internet inmiddels tot onze dagelijkse cultuur zijn doorgedrongen. En waarom zou je als journalist, beveiligingsmedewerker of computerdeskundige fijngevoeliger met het privé-leven van een burger moeten omspringen dan de Amerikaanse Senaat? Slecht voorbeeld doet slecht volgen. DE MANIER waarop Clinton en Starr de zaak-Lewinsky afwikkelden en uitspeelden naar het publiek, is een derde, typische Internet-invloed. Hier was geen sprake van een standaard juridische procedure, maar van een bulldog-gevecht waarbij alles geoorloofd leek. Over en weer werden bijvoorbeeld meer dan eens feiten naar de media gelekt, vaak via anonieme mailtjes zoals Matt Drudge ondervond. Dat leidde in het geval van Starr zelfs tot een juridisch tegenonderzoek. Clinton liet zichzelf ook niet onbetuigd door de integriteit van Starr en zijn team meermalen in twijfel te trekken en de promiscuïteit van een van de leden van de juridische commissie te onthullen. Toen Larry Flint zich vervolgens met de zaak bemoeide was er niets meer over van het rationele respectvolle onderzoek dat een impeachment-proces hoort te zijn. Wat hier gebeurde was niets meer of minder dan een Flame War, zoals ervaren Internet-gebruikers weten. Flamen is de ruwe, heethoofdige manier van discussiëren zoals gebruikelijk is op Internet. Hoewel vele etiquetteboekjes en Lieve Mona’s proberen om het verschijnsel terug te dringen, lijken de techniek en de structuur van het net het flamen uit te lokken. Je bent immers vrijwel anoniem, daar achter je pc'tje; je kunt niet of nauwelijks met non-verbale tekens je oordeel verzachten of vermenselijken. Een discussie of e-mailwisseling loopt vaak uit de hand. Net als het privé-oorlogje tussen Starr en Clinton, waar zakelijkheid en menselijkheid al snel ver te zoeken waren. Alleen al de manier waarop Starr de bekentenis van Monica Lewinsky wist af te dwingen getuigde van een nietsontziende mentaliteit, waarin alles geoorloofd was, en verdachten en getuigen niet meer dan poppetjes waren in een groter geheel. Het was alsof Starr vanachter een beeldscherm opereerde en een game speelde. Nee, sterker nog, hij leek in alles op een typische hacker. Starr was immers in de afgelopen jaren niet zozeer op zoek naar de waarheid of mogelijke wetsovertredingen van de president, als wel naar een beveiligingslek. Toen hij dat gevonden had, openbaarde hij zijn bevindingen aan de gemeenschap en liet de uiteindelijke consequenties van zijn openbaringen over aan het grote publiek - net als elke hacker zou doen. Starr hield niet op bij zijn oorspronkelijke opdracht - het onderzoeken van illegale investeringen in de Whitewater-affaire - maar hij ging door: via Travelgate, de zelfmoord van Vince Foster en Paula Jones naar Monica Lewinsky. Het ging hem blijkbaar noch om de inhoud van die afzonderlijke zaken, noch om de vraag of Bill Clinton fouten heeft begaan die hem ongeschikt maken als president van de VS, maar om het vinden van die ene fout. Elke overtreding was goed geweest - al was het een nooit betaalde verkeersboete of een zwartbetaalde hondenoppas voor Buddy. Ook daarin gedroeg Starr zich als de typische hacker voor wie de inhoud van een computer niet van belang is. Een hack is een hack: of er nu een blauwdruk van een korte-afstandsraket op de harde schijf staat, of de administratie van een korfbalvereniging. Het gaat om het binnendringen zelf en het vinden van het lek. Hoe moeilijker het systeem, hoe groter de uitdaging. Wat de CIA-computer voor een hacker is, dat is de president van Amerika voor onafhankelijke juridische speurders als Starr: de hoofdprijs. The claim to fame. Hoezeer Starr zich als een computerinbreker gedroeg wordt pas echt duidelijk als je zijn tactiek in detail vergelijkt met die van een doorsnee hacker, zoals bijvoorbeeld beschreven staat in de november-uitgave van Scientific American. Een hacker zal volgens het tijdschrift eerst proberen via een min of meer openbare ingang binnen te komen, maar als het bedrijf een goede firewall (beschermingslaag) heeft, zal een andere methode gezocht worden. Vaak zullen de meest geavanceerde inbraakmethodes echter stranden op de brandmuur. De enige kans op succes is vaak via de achterdeur. Dit gebeurt via een geheime, niet beschreven systeemingang, of via de dial up-verbinding (directe telefoonverbinding) van een slordige of wraakzuchtige medewerker. In Starrs geval ging het precies zo. Bij de Whitewater-zaak en Travelgate werden eerst de 'normale’ procedures gevolgd, maar telkens stuitte Starr op een muur van onwil bij medewerkers en vrienden van Clinton. Aanwijzingen genoeg, maar bewijzen ho maar. Starr had alle geluk van de wereld toen hij de oplossing in zijn schoot geworpen kreeg. Een wraakzuchtige Clinton-medewerker (Linda Tripp) nam telefoongesprekken op van een slordige medewerker (Monica Lewinsky) en zorgde zo voor het uiteindelijke bewijsstuk. Via de achteringang. Daarna was het allemaal eenvoudig. Starr liet Tripp nogmaals een afspraak maken in een restaurant, gaf haar een microfoon met een radioverbinding en confronteerde Lewinsky met de bandjes en de verklaringen, onder het oog van een imponerend kordon aanklagers en FBI-medewerkers. Op deze manier kon Lewinsky onder druk worden gezet en vervolgens Clinton tot een bekentenis worden gedwongen. Hack geslaagd, bewijs verzameld. All systems down. DE LEWINSKY-ZAAK werd een soap opera, met in de hoofdrollen een nietsontziende hacker en de machtigste man ter wereld die zijn hormonen niet in bedwang had. En wij stonden erbij en keken ernaar. Met als voorlopig hoogtepunt de videotapes van het Clinton-verhoor op 21 september. Op een half miljard tv-toestellen werd de vuile was buiten gehangen. Een mediadeskundige verklaarde na de uitzending dat de tv een doorslaggevende rol speelde bij deze zaak. De mediagenieke president had bij de verkiezingen ruim geprofiteerd van de macht van de tv en nu zag hij diezelfde macht zich tegen hem keren. Dit klinkt logisch, maar is het volstrekt niet. Clinton is niet de eerste televisiepresident, elke Amerikaanse president is dat sinds de jaren vijftig geweest. Kennedy en Reagan wonden het televisiepubliek minstens zo om hun vingers als Clinton. Nee, waarin Clinton zich onderscheidt van zijn voorgangers is het gebruik van Internet. Zo waren bij zijn eerste verkiezing in 1992 twee elementen van groot belang. Allereerst de belofte van de elektronische snelweg. Hoewel het idee voor de Electronic Highway van vice-president Al Gore kwam, profiteerde Clinton het meest van deze hoopvolle toekomstverwachting, die veel weg had van Kennedy’s belofte om vóór het einde van het decennium een man op de maan te zetten. Met de Information Super Highway gaf Clinton het Amerikaanse volk een hoopvol technologisch toekomstbeeld. Ten tweede maakte hij in die dagen als eerste toekomstige president extensief gebruik van een uitgebreide e-mailcampagne. Iets wat nu redelijk gewoon lijkt, maar destijds volstrekt uniek was. Clinton was ook het eerste staatshoofd ter wereld dat een eigen website in gebruik nam - het beroemde www.whitehouse.gov - en rechtstreeks via de elektronische postbus te bereiken was. Clinton mag zich met recht de eerste Internet-president van de Verenigde Staten noemen. Tot het jaar 1998 aanbrak, en datzelfde Internet hem een koekje van eigen deeg gaf. Door als eerste het nieuws te brengen over het schandaal. Door met alle energie te jagen op nieuwe feiten en details. Door het volledige Starr-rapport aan meer dan 25 miljoen gebruikers te uploaden. Clinton, zo zouden we kunnen concluderen, had zijn eigen medium beter moeten kennen, dan was hij niet in moeilijkheden gekomen. Hij had moeten weten dat waarheid en fictie in deze nieuwe wereld vrijwel niet meer te onderscheiden zijn, dat privacy zijn langste tijd gehad heeft, en dat Kenneth Starr weliswaar was aangesteld als speciaal aanklager, maar zich gedroeg als de eerste de beste hacker. Maar nu is hij gewaarschuwd. En wij zijn dat ook.