De inwendige bibliotheek

Het is een van de wonderbaarlijke wetmatigheden die de menselijke soort in stand houden, zo ook de schrijvende: smaken verschillen. Iedere pot een deksel, ieder boek een lezer. Toch verwacht je ergens dat de smaak van de zogeheten professionele lezer, oftewel de literair criticus, iets minder alle kanten uit gaat dan die van de recreatieve lezer. Met andere woorden: dat er onder vakgenoten een soort consensus bestaat over wat een geslaagde roman mag heten.
Niets is minder waar, zo blijkt al zo’n tweehonderd jaar, maar toch blijft dat stomme feit af en toe verbijsterend. Zeker als het op literaire producten van vaderlandse bodem aankomt, kunnen de geigertellers zowel wild naar boven als naar onderen uitslaan. De afgelopen week was het weer raak. Waar de ene criticus concludeert dat Grunberg met zijn laatste roman definitief heeft afgedaan, ziet de andere in diezelfde laatste roman niets minder dan zijn meest onontkoombare werk tot nog toe. Heeft de een net zuchtend, want vol bewondering, de nieuwe roman van Siebelink bijgezet in de reeks onsterfelijke klassiekers, verwijst de ander, eveneens zuchtend, maar dan van ontzetting, diezelfde nieuwe roman naar de schroothoop van modieuze kitschliteratuur.
Een paar jaar geleden had je een aardige rubriek in het literaire tijdschrift Hollands Maandblad, waarin recensies van Nederlandse literatuur met elkaar werden vergeleken. Jammer genoeg was de achterliggende gedachte nogal zeikerig: de vergelijking moest aantonen dat de vaderlandse literaire kritiek niet deugde, want zwalkende was. Heldere criteria en dito argumentatie zouden immers tot een eensluidend oordeel moeten leiden. Tja, misschien dat het in communistische heilstaten zo werkt, maar in de barre democratische werkelijkheid speelt men het klaar om op basis van dezelfde criteria tot geheel andere conclusies te komen, of met behulp van totaal andere criteria tot een gelijkluidend oordeel.
Hoe beter de roman, hoe tegenstrijdiger de reacties die hij zal oproepen, zo werd mij ooit uitgelegd door een wijze, oude redacteur van een literaire uitgeverij. Eerlijk gezegd dacht ik toen dat hij dit alleen maar zei om me te troosten, slachtoffer als ik me voelde van een totaal irrationeel proces. Hoe kan men dit niet gewoon een goed boek vinden, dacht ik even ongelukkig als naïef toen voor mijn eersteling niet overal de rode loper werd uitgerold.
Het zou van innerlijke groei getuigen als die vraag, een kleine tien jaar en drie romans verder, helemaal niet meer in me zou opkomen, en aangaande mijn eigen boeken heb ik die ook wel zo’n beetje verdrongen (geloof ik), maar ik kan me nog steeds oprecht verbazen als een collega-criticus niet net zo enthousiast is over een roman als ik. Het omgekeerde komt ook voor. Dat ik denk: hoe kún je hier intrappen, in deze bullshit, deze zogenaamde goedschrijverij. Maar op de een of andere manier is dat laatste minder pijnlijk. Als ik een boek mooi vind, wil ik dat de hele wereld dat boek mooi vindt, zo simpel is het waarschijnlijk. Dat klinkt heilig en nobel, maar de werkelijkheid is dat ik iedereen die het niet met me eens is wel kan aanvliegen en met datzelfde (gelukkig meestal lijvige) boek de hersens wil inslaan. Waarom, for crying out loud?
Misschien heeft het te maken met mijn ‘inner library’, een term afkomstig van de Franse literatuurprofessor Pierre Bayard, wiens bestseller Comment parler des livres que l’on n’a pas lus? deze week in Nederlandse vertaling verscheen, maar dat ik een tijdje geleden in het Engels las (How To Talk about Books You Haven’t Read). Als we het over een boek hebben, aldus Bayard, dan gaat het nooit alleen over dat ene boek, maar altijd meteen via dat ene boek over alles wat we gelezen hebben, al die boeken die ooit een diepe indruk op ons maakten en die we sindsdien met ons meedragen, koesterend en wel. Die boeken maken ons tot wat we zijn, en kunnen niet worden aangevallen zonder dat wij ons gekwetst voelen in het diepst van ons wezen.
Het heeft iets aantrekkelijks, zo’n romantische, absolute opvatting over wat lezen met ons, met mij, doet. En iets apaiserends. Collega-critici hoeven niet langer als retedom te worden beschouwd, of als lui, kwaadaardig, laf of slijmerig, maar slechts als de torsers van hun eigen beperkte bibliotheekje.