De iOverheid en de iSamenleving

Bijna drie miljoen keer. Zo vaak vroegen opsporingsdiensten in 2009 gegevens van klanten op bij telecombedrijven en internetproviders. In veel gevallen gebeurde dat zonder de benodigde toestemming van het Openbaar Ministerie.

Medium comm. i overheid

Het is een van de vele verontrustende constateringen uit het rapport iOverheid dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) deze week uitbracht. De belangrijkste conclusie is al vaker getrokken: de afgelopen twintig jaar is er bij de overheid een wildgroei geweest aan databanken, registratiesystemen en andere ICT-toepassingen. Alles draait om efficiëntie en veiligheid. Privacy is van ondergeschikt belang.

Maar niet eerder werd de werkwijze van deze ‘iOverheid’ zo gedetailleerd in kaart gebracht. Dat heeft te maken met de methode van de onderzoekers: ze voerden meer dan tweehonderd gesprekken met betrokken ambtenaren, politici, overheidsadviseurs en wetenschappers. Het biedt een kijkje in de keuken van een overheid die draait op het verzamelen, ordenen en bestuderen van persoonlijke informatie. Het beeld dat daaruit oprijst is ontluisterend: gemeenten en rijksoverheid verzamelen en koppelen data op bijna manische wijze. Democratische verantwoording rammelt. Gegevens bevatten vaak fouten en het weer ‘vergeten’ van informatie gebeurt zelden.

Bovendien lijken beleidsmakers bevangen door een naïef techno-optimisme. De voordelen van nieuwe ICT-toepassingen worden vaak sterk overdreven. Gevaren worden gebagatelliseerd. De bekende voorbeelden zoals het biometrisch paspoort en het elektronisch patiëntendossier (dat in de Eerste Kamer lijkt te sneuvelen) zijn slechts het topje van de ijsberg. Tongbrekers als het ‘Routerings Instituut voor Informatiestromen in de Sociale Zekerheid’ en ‘Bureau Keteninformatisering Werk en Inkomen’ maken gedetailleerde profielen van iedereen die bij de overheid aanklopt. Data waar politiediensten en zorgverzekeraars maar wat graag in willen kijken. De burger van wie al die gegevens afkomstig zijn, is machteloos. In de kluwen informatie die in de backoffice van de overheid wordt gesponnen, is het vrijwel onmogelijk te achterhalen waar - en vooral hoe - je bekendstaat. Laat staan dat het mogelijk is om foute gegevens te wijzigen.

Wie denkt dat het rapport met bikkelharde aanbevelingen komt om de woekerende ‘iOverheid’ te beteugelen, wordt teleurgesteld. De WRR stelt weliswaar dat burgers zelf de regie over hun persoonsinformatie moeten krijgen, de hoofdmoot van de aanbevelingen valt onder de noemer ‘meer reflectie en debat’. Dat is nooit verkeerd, maar bewustwording alleen is niet genoeg om privacy te waarborgen. Het probleem is juist dat privacydebatten zo weinig uithalen. Dat is vooral te zien aan burgers zelf. Het prijsgeven van allerlei intieme informatie op het net is doodgewoon. De WRR constateert terecht dat de ‘iOverheid’ verantwoordelijkheid draagt voor de ‘iSamenleving’, maar de noodzaak om burgers ook tegen zichzelf te beschermen wordt niet erkend.

In het slothoofdstuk wordt een vergelijking gemaakt met Grenzen aan de groei, het rapport dat de Club van Rome in 1973 publiceerde. De WRR wil een aanzet geven tot het debat over de grenzen van de digitale overheid. Meer ambitie was op zijn plaats geweest. De Club van Rome zwengelde het duurzaamheidsdebat inderdaad aan, maar ondertussen gaat de uitputting van grondstoffen onverminderd door. Het is te hopen dat het WRR-rapport meer resultaat zal hebben.