Het mislukte integratiebeleid van Van Boxtel

De islam als dekmantel

Na alle commotie rond imam el-Moumni, en na alle rumoer rond Marokkaanse jongeren, worden steeds meer vraagtekens gezet bij het beleid van minister van Integratie Roger van Boxtel. «De islam wordt als zondebok gebruikt voor een mislukt integratiebeleid.»

Minister Van Boxtel verslijt de Marokkaanse sjeik el-Moumni in het openbaar voor «leugenaar» terwijl Marokkaanse jongeren het bij petitie opnemen voor de gewraakte imam. Het wangedrag van enige honderden Marokkaanse jeugdcriminelen wordt gepolitiseerd als nooit tevoren en de integratie belemmerende rol van de islam is het gesprek van de dag in veel media. Katholieken, protestanten, liberalen en socialisten mogen hun zuilen de laatste vijftig jaar min of meer voortvarend hebben afgebroken, islamieten worden in Nederland tegenwoordig weer in ouderwetse trant gecategoriseerd, zo lijkt het. Als dat gebeurt voor bepaalde welomschreven doelen, zoals een volkstelling is er geen bezwaar tegen, vindt de in Lausanne wonende islamkenner professor Jacques Waardenburg: «Maar de islam wordt over en weer gebruikt als dekmantel voor problemen van andere aard, zoals sociaal-economische afstanden en tegenstellingen. Door er het etiket van de godsdienst op te plakken worden die problemen verabsoluteerd. Zodoende raken compromisoplossingen buiten bereik. Van Boxtel moet juist niet hameren op de godsdienst en al helemaal niet frontaal de aanval openen op een imam.»

Waardenburg schreef begin dit jaar voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een werkdocument over de islam in Nederland. Het is door WRR-medewerker Gerrit Kronjee aan de minister aangeboden, maar volgens zijn woordvoerder is het stuk op het departement onbekend. Waardenburg kwam tot de bedroevende conclusie dat de categorisering van Marokkanen, Turken en andere migranten uit islamitische landen als «islamieten» hun integratie in de weg staat, niet in de laatste plaats omdat hun religieuze organisaties de retoriek overnemen. Veel experts onderschrijven die conclusie. Migratieonderzoeker Rinus Penninx constateert dat Turkse en Marokkaanse organisaties lange tijd een afspiegeling waren van de politieke tegenstellingen in hun land van herkomst.

Tegenwoordig omschrijven ze hun positie in de Nederlandse samenleving in religieuze termen en hun leiders maken daarvan gebruik door te verkondigen dat het seculiere karakter van de Nederlandse samenleving hun integratie in de weg staat. Penninx: «Anderzijds verlaat de overheid zich steeds meer op de religieuze leiders, een figuur die sterk doet denken aan de hoogtijdagen van de verzuiling, toen de contacten tussen de zuilen beperkt bleven tot de voormannen. En als de minister zich gaat bemoeien met de religieuze competentie van imams is het hek helemaal van de dam. Het lijkt verdorie wel of we terugkeren naar de tijd van het bisschoppelijk mandement.»

Volgens Waardenburg worden de moslims qualitate qua tot probleem gemaakt: «‹Islamiet› is een stigma, en de boodschap van ons integratiebeleid luidt: het zou beter zijn als je het niet bent. Het opgeven van de godsdienst is een impliciete eis.» Ook Forum-directeur Ahmed Aboutaleb vindt dat sociaal-economische problemen ten onrechte op het conto van de islam worden geschreven: «Ons onderwijs bijvoorbeeld is een black box waar vijftig procent van de kinderen van minderheden zonder een goede opleiding uit komt. Het is te makkelijk om dat probleem aan de godsdienst te wijten. Maar in Den Haag is het helaas een breed gedeelde opvatting dat de islam een goede integratie in de weg staat. Niet iedereen durft dat hardop te zeggen, maar daarvoor hebben we Elsevier, dat zich zoetjes aan ontwikkelt tot een anti-islamitisch actieblad.»

«De minister houdt zich verre van religies», bezweert zijn woordvoerder onder verwijzing naar de scheiding tussen kerk en staat. Maar in de laatste episode van het Marokkaanse integratiedrama lijkt de minister zich wel degelijk te hebben gemengd in religieuze aangelegenheden. Aboutaleb: «Hij heeft el-Moumni op het matje geroepen en geëist dat hij afstand doet van zijn religieuze opvattingen.» Als gevolg van alle commotie buigt Van Boxtels ministerie zich dezer dagen weer eens over de vraag of moskeeën de integratie kunnen bevorderen en of imams speciale inburgeringscursussen zouden moeten volgen. Fout, meent ook de Leidse antropoloog dr. Shadid: «De islam wordt als zondebok gebruikt voor een mislukt integratiebeleid. De problemen met Marokkaanse jeugdcriminelen bijvoorbeeld hebben niets, maar dan ook niets met de islam te maken. Die jongens hebben geen letter van de koran gelezen en zien nooit een moskee van binnen.»

Zelfs Van Boxtels eigen adviesorgaan is niet enthousiast over zijn aanpak. «Religieuze organisaties hebben niet tot taak de integratie te bewerkstelligen. De overheid gebruikt de religie te pas en te onpas», zegt voorzitter Said Bouddouft van de Stichting Samenwerkingsverband Marokkanen en Tunesiërs (SMT). Het lijkt een zwaktebod van de minister: hij zoekt intellectuele voorsprekers van de Marokkaanse gemeenschap en richt zich daarom tot de imams die op wereldlijk niveau eigenlijk geen recht van spreken hebben. Tegelijk roept hij de Marokkaanse gemeenschap op de problemen met ontspoorde jongeren intern op te lossen, een gebaar dat menige betrokkene in het verkeerde keelgat is geschoten.

«De minister creëert een kloof terwijl hij eigenlijk bruggen moet bouwen», vindt ook commissaris Max Daniel van politiekorps Gelderland-Midden. Daniel kwam in het nieuws toen hij zei dat minister Van Boxtel zich te weinig liet adviseren door allochtone deskundigen. Door wie laat hij zich dan wél bijstaan? De zoektocht blijft steken in Den Haag, bij de beleidsmedewerkers van de afdeling Integratiebeleid. Een woordvoerder verzekert dat het ambtenarenapparaat op de directie minderheden, dat voor veertig procent uit al lochtonen bestaat, «verdomd goed weet wat er speelt. En de minister zelf spreekt constant mensen in het veld. Het is dus maar de vraag wanneer je iemand een adviseur noemt.»

Formeel zijn de externe adviseurs van Van Boxtel verenigd in het Landelijk Overleg Minderheden, waarvan het SMT deel uitmaakt. Bouddouft is allerminst tevreden met zijn aandeel. «Het ministerie deed in het verleden wel eens iets met onze adviezen. Tegenwoordig is er nog wel contact, maar ik denk niet dat ze onze aanbevelingen serieus nemen.» Van Boxtel heeft het SMT bijvoorbeeld niet geraadpleegd over de jongste kwestie rond Marokkaanse jongeren, en ook niet bij het opstellen van zijn brief over de Criem-projecten (tegen jeugdcriminaliteit onder etnische minder heden) die hij eind deze week naar de Kamer stuurt, zegt Bouddouft. «Maar daar is van onze kant eigenlijk geen behoefte meer aan. We hebben al zoveel voorstellen op dit gebied gedaan waar de minister niets mee doet.»

Hij verwijst naar het rapport Samen vol vertrouwen de toekomst tegemoet uit 1998, waarin een groep Marokkaanse deskundigen de groeiende problemen van de Marokkaanse jeugd bekijkt in opdracht van het ministerie van Justitie. Het rapport bevat bladzijden vol aanbevelingen, maar de minister heeft er vrijwel niets mee gedaan. «Zijn oproep dat wij, Marokkanen, een voorbeeld moeten nemen aan de Antillianen, die een commissie hebben ingesteld om onderzoek te doen naar de problemen binnen de Antilliaanse gemeenschap, is dan ook misplaatst», zegt Bouddouft. «Pas als het uit de hand loopt, worden wij erbij gehaald. Dan moeten wij het oplossen. Maar het is in veel gevallen te laat. Wij leggen al jaren de nadruk op preventie, maar overheden hebben er een handje van de hulp van Marokkanen op het gebied van preventie te dwarsbomen. In Gouda wilde een groep Marokkanen het buurtvaderproject invoeren. De gemeente hield dat tegen omdat het een taak van de politie zou zijn. Twee jaar geleden boden we onze hulp aan de hoofdcommissaris van Utrecht aan. Er broeide van alles onder Marokkaanse jongeren en we wilden helpen voorkomen dat het uit de hand liep. Dat werd geweigerd. De commissaris vond dat hij de zaak onder controle had.»

Naar verwachting zal Van Boxtel in zijn brief aan de Kamer benadrukken dat de Criem-projecten, het paradepaardje van zijn departement, zullen worden uitgebreid omdat de pilot-projecten alom als geslaagd worden beschouwd. Verder onderzoeken Van Boxtels ambtenaren hoe zij de Marokkaanse gelederen erbij kunnen betrekken. «Maar dat is moeilijk», meldt de ministeriële woordvoerder: «De Marokkaanse gemeenschap is slecht georganiseerd, het is geen hechte club. We bekijken met wie de minister er het best over kan spreken, wie voor een gesprek wordt uitgenodigd en wie niet.»

Wie weet krijgt Ahmed Aboutaleb dan toch nog dat langverbeide telefoontje van de minister met een verzoek of hij eens wil komen praten. De Forum-directeur is tijdens de laatste crisis in integratieland niet één keer benaderd door het ministerie. «We zijn geen adviesinstelling, dus dat hoeft op zich niet», zegt hij, «maar in zo'n gewichtige zaak als rond el-Moumni verwacht je toch dat hij of een van zijn ambtenaren tenminste even contact opneemt.» Shadid vraagt zich hardop af of de minister zich überhaupt laat adviseren.

«Hij heeft natuurlijk een politieke verantwoordelijkheid en het is geen wonder als hij wordt tegengesproken door mensen uit verschillende vakgebieden», zegt Penninx. «Maar ik heb grote twijfels over de expertise van bepaalde overheidsorganen. De BVD schreef in haar laatste jaarverslag een aantal dingen over islamisme en terrorisme waardoor ik me af vroeg of ze wel iets van het onderwerp weten. Vijf jaar geleden, toen ze aan het herstructureren waren, kwamen ze bij mij om te vragen hoe ze het moesten aanleggen om informatie in te winnen in migrantenkringen. Daarna heb ik wel eens wat onderzoeksverzoeken gehad van de BVD en ik kon die organisatie nimmer betrappen op een overmaat aan kennis. Als ze al informatie verzamelen, zijn hun bronnen erg selectief. Intussen wordt er in hun jaarverslag wel weer stemming gemaakt tegen islamieten.»