«De islam is een politieke pingpongbal»

Het gaat helemaal niet zo slecht met de islam in Europa, vindt de Zwitserse filosoof en islamoloog Tariq Ramadan. Terrorisme en de cartooncrisis ten spijt gaat de integratie van moslims onverminderd door. Critici als Ayaan Hirsi Ali opereren slechts in de marge. Maar met Hamas moet wel gepraat worden.

Tariq Ramadan (1962) hoeft weinig te doen om de volle aandacht van de toehoorder te krijgen. Zijn lange, sportieve voorkomen (ooit was hij een talentvol tennisser), zijn heldere, indringende blik en zijn innemende manier van spreken geven hem extra overtuigingskracht. Maar Ramadan zou een januskop hebben. In het Frans en Engels zou hij een liberaal zijn, uitdrager van goed burgerschap en integratie van moslims, maar in het Arabisch zou hij fundamentalisme propageren. Ook op zijn afkomst wordt uitentreuren gehamerd: grootvader Hassan al-Banna was in 1928 oprichter van de fundamentalistische Egyptische Moslimbroederschap en werd in 1949 door president Nasser vermoord. Vader Said Ramadan vluchtte in de jaren vijftig naar Zwitserland om vervolging te voorkomen. Tariq werd daar geboren en groeide op in Genève. Hij geldt als een van de belangrijkste islamitische intellectuelen van Europa, doceerde filosofie en islamstudies aan de universiteiten van Genève en Freiburg en is sinds oktober vorig jaar werkzaam als gastdocent aan St. Anthony’s College in het Britse Oxford. Die bijzondere afkomst en de kritiek op zijn persoon kostten hem in 2004 een positie als hoogleraar religie aan de Notre Dame University in de Amerikaanse staat Indiana. Op basis van de Patriot Act weigerde het State Department hem een visum te verstrekken. Het werd een klein persoonlijk drama voor de Zwitser, die, met zijn koffers al ingepakt, op het laatste moment werd gedwongen zijn leerstoel in de VS op te geven. Ironisch genoeg heeft juist de grootste bondgenoot van de VS, Tony Blair, Ramadan vorig jaar opgenomen in een taakgroep die adviezen over integratiebevordering moest geven.

Tariq Ramadan: «Het is normaal om als Europese moslimintellectueel bij dit soort zaken betrokken te zijn. Ik probeer in de werkgroep duidelijk te maken dat er drie aspecten te benoemen zijn als we islamitisch radicalisme willen identificeren. Ten eerste is er sprake van een letterlijke interpretatie van de bron door mensen die zeggen: als er staat dat het zwart is, is het zwart. In de tweede plaats is er het wij-zij-denken: jij bent fout, dus ik bestrijd jou. Ten derde, op politiek vlak, is er het toestaan van het met geweld de tegenstander bestrijden. Je kunt er best een letterlijke interpretatie van koran en soenna op nahouden – dan ben je gewoon conservatief – maar voeg je daar het wij tegen zij aan toe en het billijken van geweld als politiek middel, dan wordt een grens overschreden. Dat is heel belangrijk, we moeten duidelijk maken wat het verschil is tussen conservatieven en extremisten.»

Maar het de integratie van moslims betreft, is Ramadan een optimist. Toen hij in april 2003 even naar Nederland kwam om deel te nemen aan een conferentie over antisemitisme, sprak hij van de stille revolutie die zich onder de Europese moslims voltrekt. Ook in zijn boek Westerse moslims en de toekomst van de islam, dat in hetzelfde jaar verscheen, spoorde hij moslims aan actief deel te nemen aan de samenleving en noemde hij onderwijs en goed burgerschap de sleutels tot het afwerpen van het gevoel een minderheid te zijn. Inmiddels zijn we drie jaar verder. Ramadan lijkt gelogenstraft door terroristische aanslagen in Madrid en Londen, door wereldwijde onrust als gevolg van de Deense cartoons en door de impasse in het Midden-Oosten, waar Hamas geen gesprekspartner voor het Westen mag zijn. Problemen rond discriminatie van vrouwen en homo’s, antisemitisme en sociale isolatie blijven actueel. Maar Ramadan blijft onverminderd positief. «Ik ben nog nooit zo vaak als spreker gevraagd als de afgelopen twee jaar. De evolutie van het islamitisch discours heeft zich bewogen in een richting die ook de mijne is en de overgrote meerderheid van de islamitische leiders in Europa slaat dezelfde toon aan als ik.» De aanslagen in Madrid en Londen en de moord op Theo van Gogh zijn voor de Zwitser geen teken dat het met de Europese moslims de verkeerde kant op gaat.

Maar de terroristen die de aanslagen pleegden in Londen waren toch juist schijnbaar goed geïntegreerde moslims, die volledig deelnamen aan de Britse samenleving? Ramadan schudt het hoofd: «Hoe vreselijk en verwerpelijk die aanslagen ook zijn, de daden van die jongens doen geen afbreuk aan de stelling dat ontwikkeling en emancipatie tot integratie leidt. De afgelopen vijftien jaar hebben al die jongere en oudere moslims in landen als Nederland, Engeland en Frankrijk gebouwd aan een eigen identiteit. En dat gaat nog steeds door. Ze zijn betrokken bij de maatschappij en zullen dat blijven. Natuurlijk zul je uitzonderingen hebben: mensen die in de marge opereren, die onzichtbaar zijn. Het is ontoelaatbaar dat zij onschuldige burgers doden en aanslagen moeten met alle macht voorkomen worden. Maar de realiteit is dat zij gelukkig slechts een minieme fractie van de totale moslimbevolking vormen.»

Ramadan is dan ook fel tegenstander van politici als Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders die de islam als onverenigbaar met democratie beschouwen. «Het discours van mensen als Hirsi Ali is gevaarlijk. Niet alleen voor moslims, maar voor de samenleving als geheel. Zij propageert extreem rechtse gedachten. Ik vind het niet problematisch dat extreem rechtse partijen in Europa in opkomst zijn. Het is eerder de acceptatie, de normalisatie van haar boodschap. Zij zei het gisteren, vandaag horen we de gevestigde partijen hetzelfde zeggen. Hirsi Ali noemt de islam an sich een probleem en een gevaar. De enige goede moslims zijn voor haar niet praktiserend, moslims zonder islam. Dan heeft het geloof geen enkele substantie meer.» Volgens Ramadan is haar discours echter van marginale betekenis. «Ik weet zeker dat de overgrote meerderheid van de Nederlandse politici ervan overtuigd is dat ze contraproductief werkt. Zij levert geen positieve bijdrage aan de toekomst van Nederland.»

Waarom krijgt het gematigde geluid dan zo weinig aandacht, in tegenstelling tot terrorisme en de frontale aanvallen op de islam van Hirsi Ali? Tariq Ramadan: «Ik snap wel dat de aandacht van media en publiek zich volledig daarop richt; mensen zijn geobsedeerd door verwoesting. Daar gaat de aandacht naar uit. Maar het is mijn taak niet om met politieke oplossingen voor ná de vernietiging te komen. We moeten juist samenwerkingsverbanden sluiten vóór er aanslagen gepleegd worden. Dat vraagt om zelfkritiek van moslims én Europeanen. We moeten niets accepteren dat tot een radicale lezing van de islam zou kunnen leiden. Autochtone Europeanen moeten op hun beurt kritisch kijken hoe sociale integratie bevorderd kan worden, hoe werkloosheid kan worden teruggedrongen en discriminatie kan worden bestreden. Ik pleit ook voor educatieve integratie: wat wordt er in Nederland op scholen gezegd over Nederlandse moslims?»

Ramadan wijt de integratieproblemen in Europa mede aan een gebrek aan politieke creativiteit: «Wie vertelt ons op welke wijze we moeten omgaan met immigratie, met culturele diversiteit? Als je die creativiteit niet hebt, is het gemakkelijk stemmen te verzamelen door angst uit te buiten. De islam is daardoor een pingpongbal tussen politieke partijen geworden. Toen ik met Nicolas Sarkozy in debat ging, wilde ik hem vragen over positieve discriminatie, over de arbeidsmarkt. Maar hij was alleen maar geïnteresseerd in mijn mening over stenigen. Maar ik wil van de Europese partijen weten wat hun politiek is als het gaat om de integratie van moslims. Wat is je project?»

Een wezenlijk onderdeel van dat project zou bij de lokale politiek moeten liggen. Ramadan pleit voor een gerichte aanpak van sociale problemen in de achterstandswijken door lagere overheden, een «nationale beweging van lokale initiatieven». «Overheden moeten visie tonen, niet vanuit een beeld dat zij zich gevormd hebben van de islam, maar op straatniveau. Er moet vertrouwen worden geschapen. Nederlandse moslims vertrouwen de Nederlandse overheid niet. Laten Nederlanders eens ophouden met te praten over hoe en door wie moslims worden vertegenwoordigd, over geld of moskeeën. Praat met je burgers, praat over de sociale problemen die er zijn en leer je landgenoten kennen.»

Ten slotte is er de internationale dimensie, het Israëlisch-Palestijnse conflict, dat volgens Ramadan «de boel vergiftigt». Hij noemt het ondoordacht de nieuwe gekozen Palestijnse regering van Hamas als gesprekspartner in het vredesproces uit te sluiten. Zoals hij het ook roerend eens is met de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, die pleitte vóór de dialoog met Hamas. «Je kunt een beweging die brede steun van de bevolking krijgt nóóit uitsluiten. Je kunt natuurlijk wel voorwaarden stellen waaronder je de dialoog aangaat. Maar de geldkraan dichtdraaien, niet meer met Hamas praten, dat is het straffen van de gewone Palestijnse burgers. De Palestijnen zijn ook niet gek! Ze denken: nu pak je ons aan, maar hoe zit het dan met Sharon? Die heeft óók mensen laten vermoorden, moeten we dat zomaar vergeten? Ik zou de Nederlandse regering willen vragen: is het legitiem om leiders van Hamas om te brengen? De internationale gemeenschap vindt van niet. En toch praten jullie wel met Israël en niet met Hamas. Dat is hypocriet. Je kunt geen toekomst opbouwen door alleen maar te praten met de mensen die je aardig vindt. Het enige wat ooit het Palestijnse geweld zal stoppen, is praten. Als je stil bent, steun je juist het geweld.»