Interview Arabist Maurits Berger

«De islam werkt als een spiegel»

Nederland is hard op weg naar een eigen polder-islam. Een nieuwe zuil is aanstaande. Tegelijkertijd is de angst voor de moslims hier uitgegroeid tot een epidemie. Arabist Maurits Berger schreef er een verhelderend pamflet over. «We moeten ons verdedigen tegen onszelf.»

Even overgekomen uit zijn woonplaats Damascus viel de Nederlandse arabist Maurits Berger de afgelopen weken van de ene verbazing in de andere. De reacties in Nederland op de gebeurtenissen van 11 september troffen hem als bijzonder dramatisch. Hij was niet de enige die dat opviel. De International Herald Tribune bracht tot twee keer toe op de voorpagina berichten uit het anders zo vredige polderland: nergens in West-Europa waren de geluiden tegen het idee van een oprukkende islam «zo schril».

Berger schreef naar aanleiding van Zwarte Dinsdag en de daaropvolgende kettingreactie het pamflet Kruistocht en Jihad, waarin hij de westerse «angstlust» aangaande de islam tegen het licht houdt, en tracht de opgeroepen hysterie te dimmen met ratio en kennis van feiten. «Dit boekje heb ik geschreven als verdediging tegen onszelf», schrijft Berger in het voorwoord. «Tegen de eenzijdigheid waarmee vanuit de westerse wereld naar moslims wordt gekeken.»

Berger houdt zich al vijftien jaar bezig met de Arabische wereld, waar hij sinds 1995 ook woont; eerst in Cairo en daarna in Syrië. Hij is er werkzaam als journalist en als jurist. In de grote moskee van Damascus bestudeerde hij «aan de voeten van de sjeik» de sharia, het islamitische wetboek. Hij ontdekte dat deze rechtspraak een stuk humanistischer is dan men in het Westen geneigd is te geloven. «De sharia houdt zich op het gebied van strafrecht veel meer dan het westerse recht bezig met de relatie dader-slachtoffer. Dat is een idee dat in het Westen ook langzaam wordt geadopteerd. In die zin zou je kunnen spreken van een ‹islamisering› van de Nederlandse rechtspraak.

Hetzelfde geldt voor het ‹groene investeren› dat in Nederland snel aan populariteit wint. Dat ethische zakendoen lijkt als twee druppels water op de voorschriften van Mohammed aan de islamitische ondernemer, die bijvoorbeeld geen woekerrentes mag vragen. De karikaturen die in het Westen over de wereld van de islam bestaan, houden in de werkelijkheid geen stand. Het basisprincipe van de koran is sociale rechtvaar digheid. In de bijbel is het liefde. Dat zijn twee heel andere uitgangspunten. Maar in werkelijkheid komt de bevrijdingstheologie van de katholieke kerk in Zuid-Amerika heel sterk overeen met de politieke islam in de Arabische wereld.»

Over zijn persoonlijke ervaringen in de Arabische wereld publiceerde Berger eerder zijn boek De Islam is een sinaasappel, dat inmiddels drie drukken heeft beleefd en in de Nederlandse moslimgemeenschap goed werd ontvangen als een poging tot demystificatie. In het begin was het een «Kuifje-achtige vorm van romantiek» die hem naar Egypte en Syrië trok, zo vertelt Berger. «Een zekere angstlust was mij niet vreemd. Toen ik voor het eerst een moskee bezocht met de bedoeling om de vrijdagpreek bij te wonen, kreeg ik een paniekaanval toen ik voor de ingang stond. Televisiebeelden van woedende moslimfundamentalisten ontsprongen spontaan aan mijn geheugen, en ik zag mij al door een woedende menigte verscheurd worden omdat ik als ongelovige hun heiligdom had betreden. Totaal irrationeel, en ook volledig ongegrond. Want ik vond het ook spannend. Lekker eng. Ik was bang, maar voelde er mij tegelijkertijd door aangetrokken. Gaandeweg evolueerde dat tot iets heel anders. Door de wereld van de islam te bestuderen, word ik nu veel meer met mijzelf en mijn eigen cultuur geconfronteerd. Het is een spiegel. Juist zo’n vreemde cultuur confronteert je met jezelf en je eigen vanzelfsprekendheden die opeens niet meer zo vanzelfsprekend zijn.»

In zijn boek Kruistocht en Jihad kraakt Berger harde noten. Oost noch West wordt gespaard. Hij wijst op de hypocrisie van het Westen, dat vrijheid en democratie wel propageert voor binnenlands gebruik maar met hetzelfde gemak in de Arabische wereld regimes ondersteunt die zich niets gelegen laten liggen aan die gekoesterde waarden. Zo constateerde hij in 1997 tijdens de eerste «vrije verkiezingen» in Jemen dat de Nederlandse delegatie waarnemers, veelal gerecruteerd uit ambassadepersoneel en de Tweede Kamer, wel heel snel hun fiat gaven aan de rechtmatigheid van een en ander, terwijl onafhankelijke waarnemers heel wat sceptischer waren gestemd. Berger: «Alsof de Jemenieten niet aanvoelden dat zij niet serieus werden genomen, dat zij gewoon snel door het examen ‹vrijheid en verkiezingen› werden geloodst zodat landen als Nederland en Duitsland zich geen zorgen hoefden te maken over de gigantische bedragen die zij al hadden uitgetrokken voor hun hulp.» Het Westen, zo meent Berger, maakt zich ongeloofwaardig door enerzijds op pragmatische en cynische wijze dictaturen te steunen die het niet zo nauw nemen met de mensenrechten, en tegelijkertijd idealen uit te dragen die daar haaks op staan: «Wat goed is voor Amerikanen en Europeanen is kennelijk niet goed voor de Arabier. Die kan alleen van democratie dromen. Neem het besluit van de Amerikanen dat Al-Jazeera, het Arabische CNN, de boodschappen van Bin Laden niet direct op het scherm mag brengen maar eerst moet laten filteren op ‹verborgen boodschappen›. Dan houdt de vrijheid van de pers opeens op te bestaan.»

Terug naar Nederland. Afgelopen week genoot Berger het voorrecht als kenner van de islam op de radio in discussie te gaan met Pim Fortuyn, de nationale voorganger van de nieuwe kruistocht tegen de leer van Mohammed. «Wij zijn het licht en de islam is het duister», zo sprak het orakel van Leefbaar Nederland bij die gelegenheid. «Verhelderend», vond Berger dat. «Maar ik paste ervoor daarop te reageren.» Een paar dagen later was Berger als spreker uitgenodigd voor een bijeenkomst van de Haagse Hogeschool, waar hij constateerde dat de aanwezige autochtone studenten hem toch min of meer als een propagandist van de grote vijand zagen. «Terwijl ik niet eens een moslim ben en ook niet van plan ben te worden.» Helemaal verbaasd was hij toen een student opstond en zei dat hij eigenlijk gewoon doodsbang was voor de islam. Berger: «Het opmerkelijke was dat die jongen met een royaal applaus werd beloond door de aanwezige studenten met een moslimachtergrond. Die vonden het goed dat een Nederlander eerlijk durfde te zeggen wat hij van hen dacht. Het is een reactie die ik de afgelopen dagen wel meer heb gehoord van moslims in Nederland. Een Marokkaanse man vertelde me dat hij blij was dat al die opgekropte frustraties nu eindelijk naar buiten komen en worden benoemd. Hij zei dat hij altijd wel had aangevoeld dat de moslims hier met wantrouwen werden bekeken, maar dat dat tot 11 september altijd verborgen werd gehouden. Nu het op straat ligt, kan er wellicht ook iets mee worden gedaan. Zo moet je de uitspraken van Berlusconi en Paul Cliteur over de superioriteit van de westerse cultuur ook zien, denk ik. Als je werkelijk vindt dat je eigen cultuur superieur is aan die van de islam, zeg je eigenlijk dat de moslims zich moeten aanpassen aan onze normen en waarden. Stap twee is te eisen dat ze met die islam moeten ophouden. Dat is een ondoenlijke wens, lijkt mij, maar de mensen weten dan tenminste wel waar ze aan toe zijn.

Dat geldt ook voor dat verhaal in HP/De Tijd, waarin de islam werd gelijkgesteld aan het nationaal-socialisme. Op zich is dat natuurlijk een idiote gedachte, maar het is misschien toch goed dat het eens een keer is verwoord. Het lijkt me een realistische weergave van de onderbuikgevoelens die hier leven. Het is duidelijk dat het rommelt in Nederland, en niet zo’n beetje ook. Wat hier in feite gebeurt, is dat er een islamitische zuil wordt gecreëerd. Het komt enerzijds voort uit de autochtone behoefte alle moslims over één kam te scheren — wat op zich natuurlijk al een tamelijk bizarre onderneming is, want wat heeft de gemiddelde Egyptische moslim in vredesnaam te maken met het primitieve woestijngeloof van Afghanistan of in Soedan? In Nederland wordt niet langer gesproken over Marokkanen, Turken en Pakistanen, maar over ‹de moslims›. Zo ontstaat tegen wil en dank een nieuwe zuil. Anderzijds, wellicht als reactie, is er inderdaad al iets als een polder-islam aan het ontstaan. Ik hoorde dat men in Marokko van emigranten kan zien waar ze vandaan komen: Duitsland, Frankrijk of Nederland, alleen al aan de kleding. Dat is niet het enige teken van het ontstaan van een polder-islam. Een tijdje geleden las ik een serie interviews met jonge Nederlandse moslims, die vertelden dat de islam voor hen niet een gegeven is, maar iets waar zij intensief mee bezig zijn, waarover zij spreken, lezen en denken, en eigen interpretaties aan geven. In het Midden-Oosten is zoiets ondenkbaar. Dat wordt daar overgelaten aan de geleerden. Ik hoor nog de docent aan de Universiteit voor Islamitisch Recht in Damascus, die op de vraag van een student over de koran bulderde: ‹Zit jij nu op eigen houtje de koran te interpreteren? Wie denk jij wel dat je bent?› En dat is precies wat de Nederlandse moslims aan het doen zijn.»

In Nederland ontstaat dus een nieuw fenomeen, de protestantse moslim, een typisch geloofsproduct uit de Lage Landen. Berger: «Wie weet kan de islam zo uit haar vastgeroeste traditie worden bevrijd. Ik heb in ieder geval groot respect voor die jongeren. Het is overduidelijk dat de niet-moslimse Nederlander niets van hen moet hebben. Het zou voor hem veel makkelijker zijn als ze hun doekjes afdoen, dezelfde kleding dragen als de mode voorschrijft en regelmatig gaan zuipen met hun vrienden. Je kunt uiteindelijk toch moslim in je hart blijven? Maar nee, deze jonge generatie kiest bewust voor een eigen identiteit, en trotseert de afwijzende blikken in de trein en de beledigende vragen van goedbedoelende Nederlanders. Ik vind dat een hoopvol teken in deze moeilijke tijd. Wat daar verder mee gebeurt, hangt vooral van de Nederlanders af. Die moeten nu toch erg dringend bij zichzelf te rade gaan voordat er gekke dingen gaan gebeuren. Daar maak ik me soms nog meer zorgen over dan over het verdere verloop van de oorlog.»