De revolutie van het gelovige plebs

De islamitische illusie

De revolutionaire wind die sinds twee jaar door het Midden-Oosten en Noord-Afrika waait heeft islamitische partijen de kans gegeven hun droom te verwezenlijken. In Tunesië en Egypte maken de islamisten nu echt de dienst uit. Maar het volk komt er – opnieuw – bekaaid af.

Medium 42 44233580

Ezbet al-Nakhle is een simpele volkswijk, ingeklemd tussen de drukke wijk Ain Shams en het uitgestrekte Al-Marg, tevens de laatste halte van de metrolijn. Daar lopen de slecht geasfalteerde brokkelige wegen uit in een eindeloze wirwar van modderige straten en open riolen, betonnen kotten die als paddenstoelen uit de grond schieten. Dagloners zitten er in lange rijen langs de weg, hopend en biddend dat ze door de een of andere pick-uptruck zullen worden opgepikt om ergens aan een nieuwe asfaltweg te werken, of een volgende satellietstad te bouwen waar nieuwe rijken zich opsluiten achter grote muren van beton. De lange rijen bestaan alleen uit mannen, allemaal mannen. Jong en oud, afgestudeerd en ongeletterd. Hun pikhouwelen en schoffels rusten op het afval. Hun vuile voeten, gestoken in afgetrapte plastic teenslippers planten zich in de modder.

Egypte maakt zich op voor een revolutie van deze mannen, deze woeste jongens van de straat. Was de achttiendaagse opstand in 2011, die het einde inluidde van het dertigjarige bewind van president Hosni Mubarak, een soura al-shabab of revolutie van de jeugd, nu spreken veel burgers uit de hogere sociale klassen zorgelijk van een soura al-shab, een revolutie van het plebs – de jonge arme stedeling zonder enig zicht op werk of wat dan ook, die steeds gefrustreerder raakt, steeds bozer ook en wiens gestel voortdurend onderhevig is aan de opruiende taal van islamisten. De woede borrelt onderhuids. Ik vang er glimpen van op in hun loerende blikken, hun opmerkingen, hun soms agressieve gedrag.

Alleen al in een megapool als Caïro met 22 miljoen inwoners zijn er miljoenen van deze arme mannen. Vergeten door het vorige regime en genegeerd door het huidige hullen zij zich in een allesverlammend stijlzwijgen of richten zij hun bik naar boven, richting die ene hand die hen nog voedt, dat ene oor dat nog naar hen luistert. Die nieuwe imam die speciaal uit Saoedi-Arabië is overgekomen om in dezelfde erbarmelijke omstandigheden te leven zoals zij, of die geleerde uit Qatar of Koeweit die een charitatieve instelling in hun straat heeft opgezet. Ze laten hun baard staan, wisselen hun spijkerbroeken in voor een galabiyya, het lange traditio­nele Egyptische hemdsgewaad maar dan in het wit. Puur en rein volgen ze in de voetsporen van de salaaf, de eerste drie generaties volgelingen van de profeet Mohammed. In hen wordt een verlangen opgewekt naar het prille begin van de islam, toen de oumma of gemeenschap van gelovigen nog klein en hecht was en waarden als sociale rechtvaardigheid en broederliefde nog voorop stonden. Tussen hun schamele woningen, half afgebouwde betonnen flatjes, rijzen hoge moskeeën op.

Net als in de wijk van mijn oma, waarvan de naam letterlijk ‘palmbomenboerderij’ betekent. Palmbomen staan er nog amper in de wijk, die binnen enkele jaren verworden is tot een van de dichtst bevolkte buurten van Caïro. Ik noem de wijk daarom ook wel gekscherend ezbet al-namla, de mierenboerderij, of ezbet al-zahma, de drukke boerderij. De buurtgenoten van mijn oma lachen erom, maar als de buizen van de waterleiding weer eens gesprongen zijn, de rioolputten overstroomd, het vuil weer metershoog ligt opgestapeld en de elektriciteit nogmaals is uitgevallen, is de wanhoop van de gezichten af te lezen. De kruidenier staat met zijn handen in zijn haar. Uit de afgeslagen koelkasten druppelt het gekleurde water van waterijsjes. De onhandige hobbelkar van de meloenenverkoper komt midden op de weg tot stilstand als de ezel uitglijdt in een vuile waterstroom. Voetgangers trekken hun broekspijpen en galabiyya’s op en wringen zich haastig een weg langs microbusjes en tuktuks, driewielige motortaxi’s die luid toeterend door het water ploeteren.

Boven dit alles klinkt luid de roep van de muezzin, de gebedsoproeper die het krioelende volk in de overbevolkte straatjes tot bidden maant. Zijn oproep vindt gehoor, en masse rolt men de gebedsmatjes uit. Tot wie moet men zich anders wenden dan tot Allah, de Almachtige Barmhartige Erbarmer?

Medium nyc132527

De moeilijke leefomstandigheden van de gewone man zijn geen postrevolutionair Egyptisch verschijnsel. Eeuwenlang al vecht de Egyptenaar tegen onderdrukking en dictatuur, overheersing en uitbuiting. De constante bevolkingsgroei en het groeiende welvaarts­verschil hebben de situatie weliswaar nijpender gemaakt, maar de dagelijkse worsteling van families en gezinnen om rond te komen drijft mensen al veel langer naar de moskee. Niet naar de staatsmoskeeën, waar de imam door de overheid wordt benoemd en de preken tijdens het vrijdagmiddaggebed door politie en geheime dienst streng worden gecensureerd, zoals in vrijwel alle Arabische landen (en Turkije) het geval was (en is). Nee, naar de kleine gebedsruimtes en geheime ontmoetingsplekken waar vrome mannen bij elkaar komen en thee drinken, de maaltijd delen en hun gebeden opzeggen, de koran lezen en zich voorbereiden op een leven na de dood als alle aardse beproevingen eindelijk ten einde zijn. Hun leerregels zijn gestoeld op de principes van Hassan Ahmed Abdel Rahman Muhammed al-Banna. Geboren in 1906 als zoon van een lokale imam in het slaperige stadje Mahmoudiyah ten noordwesten van Caïro zette al-Banna een religieus netwerk op dat zich vanuit de Nijldelta als een olievlek over het Midden-Oosten uitbreidde en tegenwoordig van Karachi tot Jakarta en van Vancouver tot Sydney volgelingen kent.

Wanneer men het over ‘islamisering’ heeft, spreekt men in feite over dit fenomeen: de snelle celachtige organisatievorming van islamitische groeperingen die voor de islam weer de publieke en politieke rol wensen die hij ooit had. Hoewel er vele islamitische groeperingen zijn waarvan opvattingen sterk uiteenlopen, zijn de algemene kernbeginselen vaak gebaseerd op het gedachtegoed van al-Banna, en zo niet, dan zijn ze toch minstens door zijn werkwijze geïnspireerd. Al-Banna wordt beschouwd als de spirituele vader van vrijwel alle ‘islamisten’ of zogenoemde politieke moslims waar door zoveel ‘westerse’ veiligheidsexperts, Amerikaanse burgers, Europese politici, maar ook Arabische koningen en presidenten zo voor wordt gevreesd. Het is vanwege de opkomst en verkiezingsoverwinning van de islamisten in Tunesië en Egypte dat de Arabische Lente door sommigen schamperend een Arabische Herfst of zelfs een Arabische Winter wordt genoemd. Het is ook uit angst voor een islamitische overname dat de internationale gemeenschap weigert in Syrië in te grijpen, maar juist wel tot handelen in Libië en Mali overging. En dat terwijl er zo weinig over de Moslim­broederschap en de vele aanverwante politieke groeperingen bekend is.

Hassan al-Banna en zijn Moslimbroederschap hullen zich vanaf hun prille ontstaan in mysterieus stilzwijgen. De leerstellingen zijn breed en onduidelijk, de uitspraken door de vele verschillende gezichten tegenstrijdig. Ook over de interne machtsbalans tussen de diverse raden, cellen en splinterbewegingen is weinig bekend. Wie uit de partij stapt en uit de school klapt, wordt geïntimideerd en geslachtofferd in grootschalige lastercampagnes. Ondertussen schetst vrijwel iedere Moslimbroeder een ander beeld van zijn partij. Eigenlijk weten de meeste Egyptenaren zelf ook niet waar de Moslim­broederschap nu precies voor staat.

De vader van Hassan al-Banna bezat weliswaar wat grond, maar was allesbehalve rijk en knoopte als zoveel plattelandsbewoners slechts met moeite de eindjes aan elkaar. De migratie naar Caïro in 1924 bracht weinig verlichting. De al-Banna’s schrokken van wat zij als de verloedering van de Egyptische samenleving en teloorgang van islamitische waarden beschouwden en ontdekten dat er met handwerk niet met de beginnende industrialisatie te concurreren viel. Het waren woelige tijden. Het Ottomaanse Rijk was omgevallen en de Arabische wereld was tussen de Fransen en Britten verdeeld in een kunstmatig geografisch kaartspel waarin nieuwe landsgrenzen vreemde woestijnstaatjes schiepen. Egypte viel onder het Britse protectoraat en bood een thuis aan honderdduizenden Turken en Europeanen die zich als sterfelijke goden in koetsen langs de kunstige belle epoque-gebouwen van het centrum van Caïro en de boulevard van Alexandrië lieten vervoeren.

Hassan al-Banna was dertien jaar toen hij aan de Egyptische Revolutie van 1919 deelnam, waarin het volk onder leiding van volksheld Saad Zaghloul de onafhankelijkheid eiste. Egypte kreeg uiteindelijk een zekere pseudo-onafhankelijkheid, maar bleef gebukt gaan onder de Britse overheersing. Op volwassen leeftijd werkte Hassan al-Banna als onderwijzer in dienst van de overheid en kreeg hij een post in het deltastadje Ismaliyya, waar hij tevens als imam de gelovigen voorging in het gebed. In 1928 richtte hij de Ikwhan al-Muslimin op. Met eenvoudige maar krachtige slogans zoals Islam al-hal, ‘Islam is de oplossing’ en Quran al-kanun, ‘Koran is de wet’ wist de Moslimbroederschap aan het onderbuikgevoel van de Egyptenaar te appeleren. Binnen enkele jaren kende de beweging vijfhonderd lokale afdelingen en tien jaar na oprichting had ze vijfhonderdduizend actieve leden.

Al-Banna’s visie was simpel: de enige oplossing voor de sociale en politieke degeneratie van Egypte is het herstel van de islam als leidend principe voor de staat en haar inwoners. Door herinvoering van de sharia ter vervanging van de seculiere wetgeving en politieke instituties zou Egypte weer in zijn oude glorie worden hersteld. Al-Banna liet daarbij een zekere ruimte open voor (her)interpretatie van de islamitische wet, waardoor ze verenigbaar zou blijven met de wensen en ontwikkelingen van de moderne tijd. Wat de invoering van de islamitische wetgeving precies inhoudt, blijft tot de dag van vandaag onduidelijk en is een van de grote splijtzwammen binnen de partij.

Al-Banna pleitte niet zozeer voor een islamitische staat als wel voor een totale islamitische orde en omvorming van de gehele maatschappij. Zo stelde Hassan al-Banna tien principes op waar iedere moslim naar zou moeten leven. Het eerste luidt dat men bij het horen van de azan, of het ochtendgebed, onmiddellijk op moet staan om het gebed uit te voeren, ‘ongeacht de omstandigheden’. De staat dient de burger aan te moedigen vroeg naar bed te gaan zodat hij ’s ochtends zijn religieuze plicht niet verzaakt. Het is geen toeval dat de eerste aangekondigde maatregel van de kersverse regering van president Mohammed Morsi dan ook een aanpassing van de winkeltijdenwet was, evenals een vroegere sluiting van restaurants, clubs, bars en koffiehuizen. Het voorstel leidde tot een storm van protest en massale hoon op sociale media en in de grote talkshows. Egyptenaren zijn echte nachtbrakers en slapen meestal niet voor twee of drie uur ’s nachts. Het voorstel werd daarom snel ingetrokken.

Volgens al-Banna moet de gelovige zijn tijd niet verspillen met het maken van grappen omdat een hart dat in verbinding met God staat stil en ernstig is. Roddelen wordt streng afgekeurd. Het lezen en bestuderen van de heilige koran en andere toonaangevende islamitische geschriften wordt prijzenswaardig geacht. Kortom, de gelovige dient zijn korte tijd op deze aarde zo devoot en nuttig mogelijk te besteden.

De Moslimbroederschap verkondigt sociale rechtvaardigheid, economisch welzijn en politieke harmonie. De partij legt grote nadruk op collectieve gemeenschapszin en zet zich vanaf het begin van haar oprichting in voor de sociaal zwakkeren van de samenleving door een uit­gebreid netwerk van sociale diensten zoals gratis onderwijs, gaarkeukens, gezondheidszorg en bijscholing. Hiermee wist de Broederschap binnen korte tijd vooral een enorme steun­basis op het platteland te verkrijgen waar de arme boeren vaak niets hoefden te verwachten van de arrogante, logge en vooral onverschillige overheid in Caïro. Tegelijkertijd werden christenen stelselmatig van dergelijke sociale dienstverlening uitgesloten.

Hoewel de Broederschap graag anders doet voorkomen heeft ze zich niet ­uitsluitend beziggehouden met maatschappelij­ke discussies en sociale projecten. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog begonnen aanhangers van de Broederschap een militaire campagne tegen alles wat westers was, waarbij vooral de in Egypte woonachtige ­Britten en de snel slinken­de joodse bevolking het moesten ontgelden. Toen premier Mahmoed Fahmi al-Narqueshi tegenmaatregelen nam, werd hij in 1948 door de Broederschap vermoord. In opdracht van de Britse overheid werd Hassan al-Banna in 1949 door Egyptische ­veiligheidsdiensten omgebracht.

Met de bloedloze coup van de Vrije ­Officieren kwam in juli 1952 een einde aan de Britse overheersing. De komst van de Egyptische onafhankelijkheid kondigde echter ook het begin aan van het decennialange kat-en-muisspel tussen de seculiere overheid en de Moslimbroederschap dat in de tweede helft van de twintigste eeuw niet alleen het politieke discours van Egypte, maar ook dat van Irak, Syrië, Jordanië, Marokko en Tunesië domineerde. De Egyptische generaals, van wie Gamel Abdel Nasser al snel de bekendste werd, wantrouwden de Moslimbroeders vanaf het eerste uur. Hoewel Nasser, die in 1954 alle macht naar zich toe trok, de Moslimbroeders in eerste instantie binnen het politieke systeem probeerde te accommoderen, besloot hij hen na verschillende vertrouwensbreuken en steeds hardere oppositie van hun kant (tot moordpogingen aan toe) met harde hand te bestrijden.

De Broederschap had ondertussen steeds meer aanhang gekregen onder militaire rekruten en studenten, die door de populaire socialistische maatregel het collegegeld af te schaffen voor het eerst hoger onderwijs konden genieten. Hordes armlastige studenten trokken zonder een pond op zak van het platteland naar de grote stad. Totaal ontheemd zaten ze bijeengepakt in krappe, vieze studentenkamers in het chaotische Caïro. Werk was er niet, slechts een uitzichtloos bestaan in overheidsdienst. Velen hoopten op een toekomst buiten Egypte, in het rijke Westen – Europa en de VS. Voor anderen was een leven in het Westen onbereikbaar of zelfs onbespreekbaar. Zij trokken vanaf het begin van de jaren zestig massaal naar Saoedi-Arabië en later de Golfstaten om te kunnen profiteren van de olie_-boom._ Toen ze door de oliecrisis naar hun geboorteland terugkeerden namen ze de strenge islamitische doctrines van het wahabisme mee. De introductie van de niqaab is hier een voorbeeld van. In de jaren vijftig en zestig was deze donkere gezichtsbedekkende sluier in landen als Syrië, Marokko, Egypte en Tunesië compleet onbekend. Eind jaren zeventig begonnen de eerste teruggekeerde gastarbeiders hun vrouwen in de abaja of niqaab te kleden en tegenwoordig is ze bijna niet meer weg te denken uit het Arabische straatbeeld.

De Moslimbroeders beloofden de jonge verpauperde studenten een beter leven als zij zich zouden afkeren van frivoliteiten en waarlijk goede moslims zouden zijn. Hiermee kwamen ze tegemoet aan de innerlijke leegte en het minderwaardigheidsgevoel dat deze boerenjongens zo sterk voelden. De Egyptische veiligheidsdiensten begonnen in opdracht van Nasser een klopjacht op ieder die ook maar iets te religieus was. In de gevangenis veranderden vrome jonge moslims in radicalen. Ze begonnen informatie uit te wisselen, elkaar op te ruien en complotten te smeden. In het boek The Looming Tower, een reconstructie van de aanslagen van 11 september, beschrijft Pulitzerprijs-winnaar Lawrence Wright hoe het zaad van al-Qaeda eigenlijk in de Egyptische gevangenis gezaaid is: ‘Veiligheidstroepen begroetten de inkomende gevangenen door ze uit te kleden, te blinddoeken en in de boeien te slaan. Vernederd, bang en gedesoriënteerd werden ze vervolgens in kleine stenen cellen gesmeten (…) Door het schreeuwen van de medegevangenen die werden verhoord, verkeerden veel mannen in een schemergebied op de rand van gekte, ook als zij zelf niet werden gemarteld (…) Een analyse stelt dat de tragedie van 11 september in de VS haar oorsprong heeft in de gevangenissen van Egypte.’

De vernedering riep een enorme dorst naar wraak op. Het primaire doelwit hierbij was de ondemocratische seculiere Egyptische overheid die in de ogen van de geradicaliseerde Broeders door de westerse grootmachten in het zadel werd gehouden. Vooral de Verenigde Staten moesten het ontgelden, die direct verantwoordelijk werden gehouden voor de corruptie en de vernedering van de islamitische maatschappij.

Een van deze geradicaliseerde Moslimbroeders was Sayyid Qutb, die zich in de Egyptische gevangenis ontpopte tot een spil binnen de wildgroei aan radicale organisaties en militante splinterbewegingen. Achter de tralies ontwikkelde en verspreidde hij zijn gewelddadige jihad-theologie die later de voedingsbodem zou vormen voor terreurorganisaties als al-Qaeda. Qutb werd in 1966 veroordeeld voor het beramen van verschillende moordaanslagen op president Nasser en vond de dood door ophanging.

De gearresteerde Moslimbroeders verenigden zich in de Islamitische Jihad, die in de jaren zeventig een golf van aanslagen ontketende en Egypte in een angstige houdgreep hield. De Palestijnse tak van de Moslimbroederschap – die al vanaf de jaren vijftig actief was in de destijds door Egypte bezette Gazastrook – werd steeds militanter. In de jaren tachtig groeide ze zelfs uit tot de grootste concurrent van de Palestijnse onafhankelijkheidsorganisatie plo. In 1987 besloot de Palestijnse Broederschap als een meer exclusief Palestijns-nationalistische organisatie verder te gaan onder de naam Hamas. Rond dezelfde tijd woedde er een hevige militaire campagne tegen de islamitische opstand in Syrië. Van 1979 tot 1982 vochten gewapende leden van de Moslimbroederschap in Syrië tegen het gehate Baad-regime van Hafiz al-Assad. Op lidmaatschap van de Broederschap kwam in 1980 de doodstraf te staan. De opstand eindigde uiteindelijk na een afschuwelijk bloedbad in Hanna, waar naar schatting tussen de tienduizend en veertigduizend Syrische burgers werden vermoord. De Moslimbroederschap in Syrië leek hierna van de kaart geveegd, tot ze in 2011 opnieuw de kop opstak en een voortrekkersrol kreeg in de Syrische burgeropstand tegen Bashar al-Assad.

Ondanks haar gewelddadige verleden heeft de Moslimbroederschap altijd gesteld langs politieke weg haar doelen te willen bereiken. Daarbij handelt ze soms opvallend opportunistisch. Terwijl de Broederschap verbaal oppositie bleef voeren (en zelfs gewelddadige aanvallen uitvoerde) op de Britten ondertekende ze zowel steunverklaringen voor de Britse kolonisator als voor de Vrije Officieren, die juist de onafhankelijkheid van Egypte op het oog hadden. Later sloten de Moslimbroeders verschillende overeenkomsten met de Egyptische overheid om onderwijl even hard oppositie te voeren. Zo liet president Sadat in een poging tot verzoening tienduizenden Moslimbroeders en islamitische extremisten uit de Egyptische gevangenis vrij, om vervolgens tijdens een militaire parade op 6 oktober 1981 door legerofficier Khaled al-Islambouli te worden vermoord als wraak voor de ondertekening van de Camp David-akkoorden met Israël. Khaled al-Islambouli was lid van de Islamitische Jihad en stelde geïnspireerd te zijn door Sayyid Qutb en Hassan al-Banna.

Het opportunisme van de Moslimbroederschap is begrijpelijk wanneer men naar haar politieke strategie kijkt die gebaseerd is op een tweestappenplan. Na een periode van estadaef, of ‘verzwakking’, is het tijd voor tamqien, of het verkrijgen van de ‘controle’. Men doet zich een tijdlang zwakker voor dan men is, tot de invloed groot genoeg is om de macht over te nemen en die effectief te consolideren. Belangrijk in de eerste fase is de dowa, of ‘zending’, waarbij het onderliggende netwerk wordt vergroot. Hassan al-Banna moedigde zijn aanhangers aan geduldig te zijn en langzaam een steunbasis op te bouwen om daarna snel toe te slaan.

Dit gebeurde ook tijdens de revolutie van 2011. De Moslimbroederschap keek in eerste instantie stil toe en ontmoedigde haar leden de straat op te gaan. Toen aan het eind van de achttiendaagse opstand bleek dat president Mubaraks positie onhoudbaar was geworden, besloot ze in het politieke machtsvacuüm te springen. In haar honger naar macht was de Broederschap tot grote concessies bereid. Zo gooide haar Vrijheid en Rechtvaardigheid-partij het op een openlijk akkoord met de heersende macht: het Egyptische leger, dat sinds 1952 de feitelijke controle over het land heeft. Dit onder auspiciën van de Turkse premier Erdogan en president Gül die in de weken na de val van Mubarak trots met de Moslimbroederschap en het leger aan tafel schoven, zonder de overige oppositiepartijen te woord te staan. Het Witte Huis deed een maand later overigens hetzelfde, door wel delegaties van de Broederschap te ontvangen maar niet de liberale oppositie uit te nodigen. Daarnaast voerde Washington de financiële steun aan het Egyptische leger op om hiermee het ‘islamitische’ gevaar in de Sinaï af te wenden, waardoor zowel de macht van het Egyptische leger als de Moslimbroederschap verder werd geconsolideerd.

Het Egyptische leger heeft naar schatting 25 tot 45 procent van de Egyptische economie in handen; het opereert in vastgoed, controleert de Sinaï, strijkt de baten van het Suezkanaal op en bezit eigen restaurants, bioscopen, ziekenhuizen, resorts, banken, katoenplantages, fabrieken en sociale instellingen. De autonomie van het leger is door de grondwettelijke hervormingen van 2012 slechts verder geconstitutionaliseerd. Egypte koerst af op een omgekeerd Turks model: een islamitische staat onder bescherming van het leger.

Dit proces verloopt echter niet zonder slag of stoot. In een poging de situatie naar zijn hand te zetten heeft president Morsi een unilateraal decreet afgekondigd waardoor hij tijdelijk de macht greep en zijn volk een ultimatum stelde: accepteer de grondwet of erken mijn heerschappij als farao over Egypte. Zijn onverwachte actie en de massale fraude tijdens het referendum stuwden het land richting aanname van een grondwet die op geen enkel democratisch beginsel gegrond was. Na maandenlang getouwtrek over de aard en omvang van de Constitutionele Raad, de grondwettelijkheid ervan en de terugtrekking van alle leden uit de democratische en seculiere hoek, namen de resterende 75 islamitische leden (aangevuld met tien ‘backbenchers’) binnen negentien uur alle 234 artikelen van de grondwet vrijwel unaniem aan. Het enige artikel dat zestien tegenstemmen kreeg, en daarmee 48 uur vertraging opleverde, werd onder de vermanende vinger van de voorzitter uiteindelijk binnen een halve minuut met slechts vier tegenstemmen aangenomen. De 85 leden van de Constitutionele Raad waren allen direct of indirect gelieerd aan de islamitische krachten die nu vrijwel elk orgaan en elk instituut van het land domineren. Als dank voor bewezen diensten kreeg het leger een status aparte waardoor het nu geheel parallel aan de civiele overheid functioneert zonder onderworpen te zijn aan de wetgevende of rechterlijke macht.

De grondwettelijke hervormingen zetten de maatschappelijke verhoudingen op scherp. Het Egyptische volk, dat eens zo verenigd was in zijn afkeer van Mubarak, raakte verdeeld in een pro- en een antiregeringskamp. Over de hoofden van de gewone Egyptenaar woedt een strijd tussen jeugd en regerende elite, tussen conservatieve en progressieve krachten, overheid en burger, politie en demonstranten, leger en Moslimbroederschap. Voor het eerst lopen hierbij de breuklijnen dwars door families heen en demonstreren kinderen tegen hun ouders en andersom.

De Moslimbroederschap en haar eerste president liggen van vrijwel alle kanten onder vuur. De publieke steun voor de Moslimbroederschap was tijdens de parlementaire verkiezingen veel lager dan werd verwacht. Ondanks wijdverbreide fraude bleek de partij geen meerderheid te kunnen verkrijgen. De partij kreeg 37,5 procent van de stemmen. Opvallend was echter vooral de steun voor de salafistische Nour-partij die 27,8 procent van de stemmen kreeg en geheel onverwacht een grote steunbasis op het platteland bleek te hebben.

De salafisten hangen een zeer versimpelde en puriteinse versie van de islam aan, waarin muziek, film, fotografie en iedere andere vorm van vermaak streng worden afgekeurd. Oorspronkelijk had het salafisme amper of geen aanhang buiten het Arabisch schiereiland, waar de wahabistische islam in veel gevallen de dominante staatsgodsdienst is, maar na de vondst van olie in 1938 en de economische boom die Saoedi-Arabië vervolgens doormaakte, lanceerde het Koninkrijk een religieus offensief om de oumma weer tot de ‘ware islam’ terug te brengen. Er werden leerboeken verspreid, preken op cassettebandjes, cd’s, dvd’s en mp3’s gedistribueerd, religieuze uitzendingen via satelliettelevisie verzorgd en islamitische charitatieve instellingen opgezet. Later namen de Verenigde Arabische Emiraten, Oman, Bahrein en vooral Qatar dezelfde initiatieven over. In de hele regio verrezen moskeeën met in Saoedi-Arabië getrainde imams. Dit gebeurde ook in de volkswijk van mijn oma, waar door een Saoedische sjeik in de jaren negentig een moskee werd gebouwd. De onverharde zanderige straat werd onmiddellijk geasfalteerd, precies tot aan de voordeur van de moskee. De rest van de straat bleef een zandbak.

Medium rtr3camh

Het Egyptische Hooggerechtshof heeft de parlementaire verkiezingen van vorig jaar ongeldig verklaard. Tot groot ongenoegen van de Moslimbroederschap zullen daarom op 22 april opnieuw parlementsverkiezingen plaatsvinden, die overigens worden geboycot door de liberale oppositie, die geen legitimiteit wil verlenen aan nieuwe massale verkiezingsfraude. De Moslimbroederschap is tot op het bot verdeeld. De jeugdtak van de Broederschap splitste zich ruim tweeënhalf jaar geleden af na openlijk kritiek te hebben geuit op de rigide houding van de hoogste bestuurslagen en op de strikte hiërarchie. Prominente jeugdleden sloten een verbond met de seculiere revolutionaire jeugd en verenigden zich in de aanloop naar de revolutie in de 25-januari-Facebook-groep. Sindsdien woedt er slechts een steeds openlijker strijd tussen de conservatieve en de progressieve flank van de partij.

Morsi wordt door vrijwel iedereen gezien als een marionet van Mohamed Badie, de Spirituele Gids die de oncharismatische president als spreekbuis zou gebruiken en daarmee de feitelijke machthebber van Egypte zou zijn. Steeds meer kiezers keren zich gedesillusioneerd van de partij af. Dit bleek al tijdens de presidents­verkiezingen van vorig jaar, waarin een meerderheid van de Egyptenaren in eerste instantie op kandidaten stemde die niet gelinkt waren aan het leger of de Moslimbroederschap. Door het Franse twee-rondessysteem werd de eindrace uiteindelijk toch een strijd tussen Mohammed Morsi en oud-generaal Ahmed Shafiq. Morsi won, maar niet zonder melding van grootschalige fraude, onder meer bij de natio­nale drukkerij, waar stapels reeds ingevulde stembiljetten werden aangetroffen. Daarnaast was de opkomst bij de tweede ronde opvallend laag. Oppositiepartijen boycotten de verkiezingen, evenals veel burgers die óf niet stemden óf het stembiljet ongeldig maakten door beide kandidaten aan te kruisen.

De Moslimbroederschap krijgt steeds meer haast. In de afgelopen maanden benoemde president Morsi nieuwe rechters, gaf hij vergaande rechtsbevoegdheden aan de moefti van de al-Azhar (het hoogste religieuze orgaan binnen Egypte en de soennitisch-islamitische gemeenschap wereldwijd) en verving hij de openbaar aanklager door een prominent lid van de Moslimbroederschap. Onderwijsraden, maatschappelijke besturen, commissieposten, de parlementaire voorzitter, politiehoofden, generaals: iedereen en alles werd vervangen door prominente leden van respectievelijk de Broederschap en coalitiepartner de Nour-partij.

Van het voorspelde ‘inclusion moderation effect’ blijkt weinig. De these over dat effect stelt dat accommodatie van radicale groeperingen binnen het politieke stelsel een vreedzame manier is om extremisme te beteugelen. Door coalitievorming en het sluiten van compromissen zullen radicale splinterpartijen of terreurorganisaties worden gedwongen hun toon te matigen en een constructieve houding aan te nemen. Een extreme partij die oppositie ondervindt van seculiere krachten zal natuurlijkerwijs naar het midden schuiven om kiezers te winnen. Een partij die echter opereert in een zwakke, zo niet wankele rechtsstaat en de hete adem van nóg radicalere bewegingen in z’n nek voelt, is veel eerder geneigd het tegenovergestelde te doen. Dit is wat er momenteel in Egypte (en Tunesië) gebeurt. Lang schoof de Moslimbroederschap op naar het midden, ervan uitgaande dat de oppositie in de seculiere hoek lag. Maar nu de salafistische Nour-partij de op één na grootste partij van het land is en de islamitische partijen Al-Wassad en Al-Wattamy om de macht concurreren, beweegt de Moslimbroederschap weer terug naar haar conservatieve wortels.

De populariteit van Mohammed Morsi daalt in snel tempo. Veel kiezers schuiven op naar links, naar de seculiere oppositie die zich grotendeels heeft verenigd in het National Salvation Front onder leiding van de grote oppositieleiders Mohammed ElBaradei, Amr Moussa en Hamdeen Sabahi. Anderen maken juist een extreme ruk naar rechts en zoeken hun toevlucht bij de salafisten. De laatsten voeren steeds luider oppositie tegen het nepotisme en het ‘on-islamitische’ gedrag van de Moslimbroederschap. Ondertussen wordt de scheidslijn tussen religie en politiek steeds dunner. Want wie is er nu nog een goede islamitische burger? En wat te doen met de Koptisch-christelijke minderheid? Welke positie heeft zij in het nieuwe Egypte?

Naast het metrostation van Ezbet al-Nakhla staat sinds enkele jaren een kleine overijverige moskee. Dag en nacht buldert de stem van de imam door de krakkemikkige luidsprekers. Ooit waren de inwoners van de wijk van mijn oma overwegend gematigd soennitisch, met flink wat christelijke buurtbewoners en hier en daar een Moslimbroeder misschien. Je kon er in de jaren negentig nog met gemak zonder hoofddoek over straat, en ook broeken tot de knie of blote armen werden geaccepteerd. Maar sinds het begin van de 21ste eeuw zijn de religieuze verhoudingen verstoord. Oerconservatieve imams, veelal afkomstig uit Saoedi-Arabië en de Golfstaten, hebben er hun zetel gevestigd. Door de vele megafoons en luidsprekers – strategisch opgehangen bij de ramen van christelijke appartementen – klinken hun donderpreken tegen joden, christenen en vuile flikkers.

Soms nemen hun preken minder politieke vormen aan en beperken ze zich tot huis-tuin-en-keukenperikelen als de erotiserende werking van deodorant en parfum. Sinds verschillende toonaangevende conservatieve imams een fatwa hebben uitgevaardigd waarin geparfumeerde producten als haram, of door God verboden, zijn bestempeld, is de geur in de toch al overvolle, zweterige metro-coupés, bussen, kantoren en collegezalen niet te harden. De allesoverheersende geur van viezigheid en zweet werd op een gegeven moment zo ondraaglijk dat verschillende studentenorganisaties een voorzichtig tegenoffensief lanceerden. Deodorant werd weer de norm voor hen die het kunnen betalen. Vrome moslims onthouden zich echter nog steeds van iedere vorm van parfum of geurige zeep, onder wie ook president Morsi. Vandaar het vertrokken gezicht van Angela Merkel bij zijn staatsbezoek aan Duitsland.

De aanhang van de kleine moskee naast het station groeide in de afgelopen jaren gestaag. De gebedsruimte werd te klein. Tijdens het vrijdagmiddaggebed veranderden de straten in een zee van knielende en buigende mannen. Sinds een jaar verrijst er achter de kleine betonnen moskee een gigantisch gebedshuis, zeker vijf keer zo breed en zo groot als zijn kleine broertje. Niemand weet waar het geld voor de bouw van deze ontzagwekkende islamitische kathedraal vandaan komt, of wie een bouwvergunning voor deze grond in dit overbevolkte, volgebouwde deel van de stad heeft afgegeven. Buurtgenoten wijzen op miljoenensteun uit Qatar en Saoedi-Arabië.

Ezbet al-Nakhla is veranderd in een salafistische hub. Na het vrijdagmiddaggebed drommen de witte gewaden naar de metrohalte en verspreiden de baarden zich weer over de stad. ‘Dit is het moment van de islamitische ontwaking’, roepen conservatieve imams verrukt uit. ‘Dit is het moment van de islamitische ontmaskering’, wordt door populaire denkers als de Egyptische schrijver Alaa al-Aswani gezegd.

De islamitische illusie moet eerst worden ontmaskerd voor er een evenwichtiger pluriform politiek landschap kan ontstaan waarin niet één ideologie of religieuze beschouwing de dienst uitmaakt, maar een breed spectrum aan opvattingen en ideeën ingang vindt. Tachtig jaar lang kreeg het grote islamitische ‘alternatief’ geen kans. Eerst werden de Moslimbroeders samen met alle andere politieke groeperingen onderdrukt door de Britse overheerser. De Europese kolonialisten lieten het Arabische volk straatarm en ongeletterd achter. Na de euforie van de bevrijding kwam het pan-Arabisme en socialisme van Nasser en zijn Arabische geloofsgenoten op. Alle Arabieren zouden worden verenigd en de gemeenschappelijke krachten zouden worden gebundeld in een grote federatie van Arabische landen waar voor iedere Arabier plaats was: moslim, christen of anders. Even leken Gamel Abdel Nassers plannen te slagen. Zijn heldhaftige optreden tegen de Europese grootmachten maakte hem niet alleen een natio­nale volksheld, maar ook een inspirator voor onderdrukte volken wereldwijd. Van Griekenland tot Zuid-Afrika schakelden miljoenen in op Radio Caïro. Met tranen in de ogen luisterden Arabier en Afrikaan naar Nassers krachtige toespraken en de slepende klanken van de Arabische nachtegaal Oum Kalthoum, die de vrije volken moed toezong. Syrië sloot zich vrijwillig aan bij het Egyptische experiment en ook Jemen liet zich opnemen in de Verenigde Arabische Republiek.

Maar Nassers pan-Arabische droom was van korte duur. Na zijn dood probeerden Moammar Kadhafi, Hafiz al-Assad en Saddam Hoessein zich als nieuwe leiders op te werpen. Het Arabisch-socialisme bleek een ramp. Door de afschaffing van het collegegeld kelderde het onderwijsniveau. De overheid groeide uit tot een gigantisch log monster. Alle financiën werden aangewend voor prestigieuze bouwprojecten als de Aswan-dam, terwijl de infrastructuur en huisvesting compleet werden verwaarloosd. De overheid nam langzaam de vorm aan van een paranoïde politiestaat. Dissidenten werden hardhandig aangepakt; vrome moslims gemarteld tot de dood erop volgde.

De introductie van het liberaal-kapitalisme in de vorm van Anwar Sadats infitah, of ‘openings’-politiek in de jaren zeventig luidde een nieuwe periode in voor het Midden-Oosten. Bezit van grootkapitaal werd weer toegestaan en Egypte opende zijn deuren voor buitenlandse investeerders. Arabische vorsten toonden openlijk hun ongebreidelde hang naar het Westen en materieel bezit werd de nieuwe afgod. De vorsten van Marokko en Jordanië, de koning van Saoedi-Arabië en de prinsen en sultans van de Arabische Golf probeerden elkaar voortdurend de loef af te steken met nog bredere wegen, grotere paleizen, mooiere torens en dikkere auto’s. Het Midden-Oosten raakte in de ban van wat de Egyptisch-Britse econoom Tariq Osman ‘distorted capitalism’ noemt. Ergo: ongebreidelde economische groei zonder enige wetgeving of staatscontrole. Onder dit systeem namen het nepotisme en de corruptie ongekende vormen aan, evenals de uitbuiting en groeiende ongelijkheid. De rijken werden rijker, de armen werden armer en de maatschappelijke onvrede groeide met de dag.

De revolutionaire wind die sinds twee jaar door het Midden-Oosten en Noord-Afrika waait heeft de islamitische partijen de kans gegeven hun islamitische droom te verwezenlijken. Voor het eerst blijft het niet bij louter retoriek, maar maken in landen als Tunesië en Egypte de islamisten nu echt de dienst uit. Na zo lang ondergronds oppositie te hebben gevoerd knipperen de islamisten als blinde molletjes met hun ogen tegen het felle daglicht. De verwarring is groot, de economische malaise ongekend, de politieke koers volstrekt onduidelijk. De simpele slogans van weleer blijken in deze nieuwe sociale werkelijkheid een stuk minder doeltreffend. Angstig grijpen de Moslimbroeders en salafisten terug naar eenzelfde soort corruptie, cliëntelisme en politiek opportunisme als hun voorgangers. Met harde hand worden activisten voor militaire tribunalen gesleept, dissidenten opgepakt en vrouwen en kinderen door politie en baltigiyya (de zo gevreesde betaalde bendes) verkracht.

Ook op economisch niveau blijkt er weinig van de grote islamitische waarden als sociale rechtvaardigheid en gemeenschapszin. Zowel de Ennahda-partij in Tunesië als de Vrijheid- en Rechtvaardigheid-partij in Egypte voert een radicaal liberaal-kapitalistische koers die ­desastreuze gevolgen heeft voor de portemonnee van de lage, vaak werkloze onderklasse. Subsidies en steunfondsen worden afgeschaft; de rijen voor brandstof, brood en butagas zijn steeds langer. Voedselrelletjes zijn aan de orde van de dag. De werkloosheid is in geen jaren zo hoog geweest.

Ondertussen is het met de veiligheid zo mogelijk nog slechter gesteld. Egypte vervalt tot een steeds grotere staat van wetteloosheid. Bendes vallen demonstrerende vrouwen aan en verkrachten hen. Door mensenrechtenactivisten en beleidsmedewerkers van de Arabische Liga wordt naar de Moslimbroederschap gewezen, die deze bendes zou betalen in een poging de vrouwen van de straat te krijgen. Vrouwen waren de grootste opponenten van het grondwettelijke referendum en spreken zich het duidelijkst uit tegen de huidige regering. Zelfs zeer conservatieve vrouwen met sluier en al hebben zich van de islamisten afgekeerd.

De politie, die sinds de val van Mubarak grotendeels uit het straatbeeld is verdwenen, staakt al enkele weken tegen de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken. Ze eist neutrale ministers die niet gelinkt zijn aan de Moslimbroederschap en weigert nog langer mee te werken aan het neerslaan van demonstraties. In een wanhopige poging de orde te herstellen riepen het kabinet en de openbaar aanklager het volk op zelf het recht te handhaven. Die uitspraak had desastreuze gevolgen. Een woeste menigte in Samanod, negentig kilometer ten noorden van Caïro, hing twee halfnaakte ‘dieven’ op aan de overkapping van een busstation en mishandelde hen net zo lang tot de dood erop volgde. De foto’s van de als vee afgeslachte criminelen leidden tot een golf van ontzetting – en tot de uitspraak van de minister van Justitie dat dit ‘de dood van de staat’ betekende. Maar aftreden deed hij niet.

‘De Moslimbroeders zijn atheïsten en de salafisten zijn duivels’, staat er in koeienletters op een muur op het Tahrirplein. De leus keert in de hele stad terug. Zelfs in de meest strenge islamitische wijken staan de muren vol anti-overheidsslogans en afbeeldingen van Morsi als farao. Tijdens mijn wekenlange verblijf vind ik in de hoofdstad geen enkele voorstander van de president en zijn Moslimbroederschap. Alleen op het platteland en in het uiterste zuiden van Egypte kom ik nog aanhangers tegen, maar ook zij zijn weinig enthousiast. ‘We moeten hem een kans geven’, is de algemene stelling. ‘Maar hij is een president van papier, zonder enige macht. Over vier jaar stemmen we hem weg, als de jongeren van Tahrir de tijd niet voor zijn.’


Monique Samuel (1989) is politicoloog en auteur van onder meer Mozaïek van de Revolutie: Een kijkje achter de voordeur van mijn nieuwe Midden-Oosten (De Geus), dat is genomineerd voor de Bob den Uyl-prijs


Andrea Leoni / Demotix / Corbis
Bijschrift: Cairo, Morsi kijkt in de spiegel kijkt en ziet Mubarak

Moises Saman / Magnum / HH
Bijschrift: Cairo, protest tegen de regering

Asmaa Waguih / REUTERS
Bijschrift: Cairo