Op de puinhopen van de crisis: Federico Fubini

De Italiaanse les voor Europa

De populistische opmars in Italië moet een waarschuwing zijn voor de hele EU. Zolang de politiek niet erkent dat ongelijkheid tussen, maar vooral ook binnen landen een Europees probleem is, blijft de toekomst van de Unie onzeker.

Medium nn11519332
Dakloze migranten in Catania, Sicilië © Enri Canaj / Magnum / HH

Federico Fubini, de adjunct-hoofdredacteur van de Corriere della Sera, een van de grootste kranten in Italië, vergelijkt het populisme dat overal oppopt in Europa met een bobbel onder een tapijt: je kunt hem aan een kant wegduwen, maar dan komt die bobbel elders boven. Met andere woorden, nationale politieke leiders bestrijden de populistische stem in eigen land met maatregelen die het populisme in een ander land juist vergroten.

Een uur voordat ik Fubini spreek in een statige vergaderkamer van het Amsterdamse debatcentrum De Balie waar hij die vrijdagavond te gast is, is in Rome de meest populistische regering van West-Europa officieel beëdigd. ‘Nu moeten we zien wat ze gaan doen’, zegt hij droog. Voorspellingen gaat hij niet doen. Hij hecht als journalist aan feiten. ‘Het is niet dat ik geen visie heb’, verduidelijkt hij. ‘Maar ik heb niet veel vertrouwen in journalistiek die is gebaseerd op opinies.’

Toch had hij wel direct na de Italiaanse verkiezingen voorspeld dat de Vijfsterrenbeweging en Lega samen een coalitie zouden gaan vormen. ‘Dat was een logische gedachte. Ik verwachtte dat de dreiging van een technocratische regering deze twee populistische partijen zou pushen om samen te komen, om hun verschillen en second thoughts op te lossen. En dat is wat gebeurde.’

Fubini (1966, Florence), die in Straatsburg EU-journalistiek studeerde, is een invloedrijke opiniemaker in Italië; eerder werkte hij voor de Repubblica in Rome, nu schrijft hij over economie en financiën in de Corriere della Sera en columns voor Project Syndicate, Die Zeit en Foreign Policy. Daarnaast zit hij in het bestuur van de European Advisory Board van Open Society Foundations en heeft hij vier boeken geschreven – waarvoor hij diverse prijzen ontving – over het effect van globalisering en de crisis op levens van mensen.

Hij kwam naar Amsterdam om tijdens het Forum on European Culture 2018: Act for Democracy! in een debat van gedachten te wisselen over de eurozone, over hoe die veerkrachtig kon worden gemaakt, voordat de volgende schok zou komen. ‘Maar’, zo begint hij zijn voordracht die avond, ‘die schok is nu.’

Die begon in Italië twee weken eerder, toen op de avond van 15 mei het kakelverse conceptregeerakkoord uitlekte. Het zorgde direct voor onrust op financiële markten, onder andere door het plan om een referendum te houden over een euro-exit. ‘Zodra je twijfel zaait over de stabiliteit en de waarde van de valuta, dan willen investeerders daarvan af’, zegt Fubini. ‘Het vertrouwen verdwijnt, ze verkopen aandelen, staatsschulden nemen toe.’ Toen de eurosceptische econoom Paolo Savona de Lega-minister van Financiën leek te worden, werd het nog erger. President Sergio Mattarella weigerde hem om die reden te installeren en na een week van toenemende rusteloosheid op financiële markten in binnen- en buitenland, kwam er met hoogleraar Giovanni Tria toch een gematigder minister van Financiën. Daarna was de ‘regering van verandering’ een feit.

Het zijn dus in feite de financiële markten die bepalen?

‘Dat is precies de spanning’, beaamt Fubini. ‘Ik denk dat dit een les is die veel verder gaat dan Italië. Het laat zien dat alle landen in de eurozone feitelijk semi-sovereign zijn. Op het moment dat je een ander valutaregime introduceert, gaat het geld direct het land uit, binnen een paar dagen kan het gebeurd zijn.’ Hij zag het in Griekenland, hij herinnert zich de vrijdagavond dat premier Alexis Tsipras uit het overleg van de Europese Raad kwam en een referendum aankondigde over de gemaakte deal. ‘Op zaterdagochtend stonden er al lange rijen bij de banken. Mensen realiseerden zich dat Griekenland wellicht de eurozone zou verlaten, iedereen ging zijn euro’s ophalen en naar het buitenland brengen. Toen Tsipras later om die reden toch het akkoord met Europa accepteerde, was veel geld al weg. Als er maar iets lijkt op het houden van een referendum over wel of niet in de euro blijven en je doet dat met open banken en een open markt, dan val je snel. Niet alleen de soevereine schulden, maar alle financiële zekerheden in het land staan dan op het spel.’

Hij zag het ook in Catalonië. ‘Toen de onafhankelijkheid van Spanje serieus werd en er werkelijk over afsplitsing werd gedacht, zou dat betekenen dat ze uit de Europese Unie zouden vallen, dus ook uit de eurozone. Bedrijven willen dat niet. Binnen een paar weken verhuisden duizenden bedrijven hun hoofdkantoren naar andere steden in Spanje. Ze konden toen niet anders dan stoppen. We proberen soeverein te zijn, maar besluiten worden in Brussel genomen. Het is veel complexer dan je kunt uitleggen in talkshows of Facebook-posts. Er is een clash tussen de complexe natuur van de problemen en de drang van mensen om de ongelijkheid te verminderen, om meer controle te hebben…’

‘Ik kom uit een land waar een populistische take-over plaatsvindt’, vervolgt Fubini die avond zijn presentatie. ‘En ook al is dit niet de eerste in de G7 of de EU – kijk naar Hongarije, Polen, Griekenland, Brexit en Trump – elke keer hebben we dezelfde vraag op deze momenten. We willen weten of de consequenties dramatisch zijn of dat er nog een route terug is naar normaliteit.’

‘Griekenland, Spanje: we proberen soeverein te zijn, maar besluiten worden in Brussel genomen’

Hoe is het zover gekomen? In hoeverre komt dit volgens de Italiaanse financieel journalist voort uit de crisis van 2008? Voorspellen doet hij niet, wel kan hij terugkijken. Hij wijst daarbij naar lessen die we kunnen trekken, lessen voor Italië, de eurozone en de manier waarop we als Europeanen collectief falen om het populistische tij te keren.

Eerst wil hij even zijn definitie van populisme vaststellen. ‘Populisten presenteren kortetermijnoplossingen voor complexe, langetermijnproblemen’, zegt Fubini. ‘Maar daarvoor hoef je geen populistische partij te zijn. Ik heb dit gezien bij alle reguliere politieke partijen. De les is dat er geen snelle oplossingen zijn voor langetermijnproblemen. Ze zijn er gewoon niet, maar er is een grote, psychologische druk, to do just that. Want mensen stemmen op populistische partijen omdat ze boos zijn over immigratie, over bank bail-outs, of bail-ins, over verloren geld, corruptie, ongelijkheid. En dat willen ze snel hebben opgelost.’

Dat nu juist in Italië, een middelgroot land in West-Europa en een van de oprichters van de Europese Unie, een populistische, eurosceptische regering is gekomen, heeft volgens hem vooral binnenlandse oorzaken. Het land kampt met een verouderde economische structuur die nog stamt uit de fascistische tijd. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde Italië van een dictatuur naar een democratie. Politieke instituties werden hervormd, maar niet de economische. Op economische sleutelgebieden bleef het systeem dat de fascistische dictator Benito Mussolini in de jaren dertig had ingevoerd gehandhaafd, onder druk van geallieerden die bang waren voor de opkomst van de communisten. Mussolini had tijdens de Grote Depressie de economie gecentraliseerd en grote delen van de industrie genationaliseerd, evenals de banken.

Als gevolg kent Italië een wijdverspreide overheidsbemoeienis met financiën en industrie. Zo zijn loononderhandelingen nog steeds grotendeels gecentraliseerd – een directe erfenis van het fascistische corporatistische systeem – ondanks enorme verschillen in productiviteit tussen bedrijven en regio’s. De productiviteit in het noorden is het veelvoudige van die in het zuiden; toch zijn door de centrale onderhandelingen de loonkosten in het zuiden slechts zes procent lager. ‘Investeren in het zuiden is daarmee een heroïsche daad’, verklaart Fubini.

Het effect is desastreus. In het noorden – Milaan, Bologna, Venetië, waar twintig miljoen mensen wonen – is de productie vergelijkbaar met de rest van Europa. Maar in het zuiden, waar ook twintig miljoen mensen wonen, is sinds 2001 het bruto binnenlands product per inwoner met dertig procent gedaald ten opzichte van de eurozone, veertig procent ten opzichte van Spanje en de daling is zelfs vijf procent groter dan in Griekenland. ‘Het zuiden is een ramp’, zegt Fubini. ‘Het hoeft dus niet te verbazen dat bijna de helft van de zuiderlingen voor de Vijfsterrenbeweging stemde die hen een basisinkomen beloofde. Een snelle oplossing voor een complex probleem. Met welk geld, dat weten we niet. Mensen geloofden het en stemden daarvoor. Hier zie je een directe lijn van de fascistische tijd naar de populistische opstand van nu.’

Deze verouderde economische structuur sluit niet aan bij een monetaire unie. Al twintig jaar is er geen groei, Italië kampt met een werkloosheid van 11 procent en een jeugdwerkloosheid van 35 procent. ‘Het is een crisis van meer dan een generatie’, zegt Fubini. ‘Achtereenvolgende regeringen hebben hun mensen in de steek gelaten. Het is moeilijk te veranderen, omdat er grote belangen spelen. Diverse regeringen probeerden het land te moderniseren, maar gingen niet ver genoeg. Silvio Berlusconi heeft geen uitleg nodig; Mario Monti, een technocratische premier, ondernam actie maar stopte toen het hem stemmen kostte; Matteo Renzi nam ook een paar stappen, maar viel ten prooi aan zijn eigen ego.’

Small 6928 g
© Mondadori

Maar er speelt nog iets anders. In zijn boek La maestra e la camorrista (de leraar en de maffiavrouw) dat dit jaar verscheen, beschrijft Federico Fubini hoe vast de sociale mobiliteit in Italië zit. Terwijl hij vertelt over het experiment dat hij uitvoerde, waarbij hij het vertrouwen onder kinderen van vijf jaar onderzocht, klapt hij op de grote tafel in De Balie zijn laptop open. Hij laat een foto zien van een verwaarloosd basisschoolgebouw in Napels, dat precies tussen twee Camorra-kampen ligt. ‘Dit is as bad as it gets’, zegt hij. Kinderen van deze school vergeleek hij met die van een eliteschool in Milaan. Wat hij ontdekte, verbaasde zelfs hem. Kinderen uit Napels, of ze nu wel of niet maffiakinderen waren, vertrouwden al op vijfjarige leeftijd wezenlijk minder op de intenties van een ander dan kinderen in Milaan. Ook bleken ze minder gewiekst in het behalen van voordelen.

Uit een ander experiment onder zeventienjarigen bleek dat ze in Napels ook minder vertrouwden in hun eigen kunnen dan tieners uit Milaan. Als hij vraagt wat ze zouden willen worden, en daarna of ze ook denken dat te worden, blijkt in Napels een groot deel van de tieners dat negatief te beantwoorden. In Milaan is dat het tegenovergestelde.

Deze sociale immobiliteit is niet iets van de laatste decennia. Toen het kadaster van Florence uit 1427 online kwam met gegevens over inkomen en welvaart van families in die tijd, zocht Fubini families die nog in de stad wonen – dat waren er tweeduizend. Hij ontdekte dat families die destijds rijk waren dat nu nog steeds zijn en families die destijds arm waren dat nu ook nog zijn. ‘De klassen hebben zes eeuwen niet bewogen; de top-tien was nog dezelfde top-tien, mensen onderaan stonden nog steeds onderaan.’ Hij zocht sommigen van hen ook op. En wat hij zag was een voor hem ongelooflijke standvastigheid in het soort werk. Een familie die destijds wijnmaker was, was dat nu nog, een ambachtsfamilie idem dito.

In hoeverre heeft deze vastgeroeste sociale immobiliteit dan te maken met de huidige populistische revolutie?

‘De katalysator was de economische crisis. Dat was de vonk in het droge bos. Tijdens de Europese schuldencrisis van 2010 tot 2012 kwamen al deze interne, oude problemen bij elkaar. De crisis zorgde voor een psychologische schok onder de Italianen. Italië heeft een grote staatsschuld, bedrijven hebben niet zoveel schulden, maar ze hebben weinig kapitaal. Families uit de middenklasse stopten hun geld liever in huizen, ze voelden zich rijk, dachten dat de staat los van hen stond, dat er niets met ze zou gebeuren. Dat werkte tot 2010. Toen werd iedereen geraakt. Met name de middenklasse. Dat was een enorme klap. Eerst was er de ontkenning, nu is er woede.’

‘Italië? We zullen zien. We moeten door. Ik wil niet voorspellen. Laten we kijken naar de feiten’

Mensen zijn gefrustreerd door die grote ongelijkheid, de ongelijkheid in mogelijkheden. ‘Er is een duidelijke correlatie tussen vertrouwen en sociale mobiliteit’, zegt Fubini, terwijl hij nog wat statistieken uit zijn onderzoek laat zien. ‘Het gevolg is populisme: in Napels heeft de Vijfsterrenbeweging bijna zestig procent van de stemmen gekregen. De sleutel is vertrouwen, er ontbreekt hier vertrouwen in de gemeenschap. Als je vertrouwen verliest, als de sociale mobiliteit vastzit, als de ongelijkheid groot is, als je niet gelooft dat de samenleving fair is, gaan mensen zich antisociaal gedragen. Denk aan belastingontwijking, corruptie – en al die dingen zorgen weer dat economische groei stopt.’

Wat is de rol van Europa hierin?

‘Europa speelde een grote rol door het extreme bezuinigingsbeleid, balance the budget, en de Europese Centrale Bank die weigerde zijn verantwoordelijkheid te nemen en te zorgen voor een garantie dat het systeem niet in zou storten, op instigatie van Duitsland. Die garantie kwam ten slotte in 2012, maar toen was de Italiaanse middenklasse vernietigd.’ Zo’n twintig procent van het industrieel kapitaal is vernietigd, dertig procent van de bedrijven is verdwenen, de feitelijke werkloosheid is dertig procent en bijna een kwart van de bevolking leeft op de armoedegrens. De relatie met het populisme is volgens hem evident. ‘Toen Monti in 2011 premier werd, stemde negen procent van de mensen op de Vijfsterrenbeweging en Lega samen, nu is dat percentage meer dan vijftig.’

Wat is de Italiaanse les voor Europa?

‘In Nederland gebruikten populistische partijen de begrijpelijke boosheid bij mensen over de staatssteun aan banken. Daarop pleitten de Nederlandse en de Duitse regering voor nieuwe EU-wetgeving waarbij Europese lidstaten werden gedwongen om bij het failliet van hun bank eerst obligatiehouders en aandeelhouders hun verliezen te laten nemen, gevolgd door spaarders met meer dan een ton euro (een zogenaamde bail-in). Maar in Italië werd door deze wet de bankencrisis erger, zelfs kleine spaarders verloren hun geld door de inflatie die hiervan het gevolg was. Dit was het moment waarop de Vijfsterrenbeweging, die op dat moment zwak stond, opbloeide.’

Het is die bobbel onder het Europese tapijt. ‘Toen Renzi zag dat de Vijfsterrenbeweging bleef groeien, zei hij in Brussel dat hij geld nodig had om de populisten aan te kunnen. Hij moest wat uitgeven. Juncker gaf hem wat extra flexibiliteit, waarop de AfD in Duitsland groeide met het verhaal dat de Italianen de regels overtraden. En andersom, angst voor de Duitse volkswoede bewoog Angela Merkel ertoe extreem streng te zijn voor Griekenland, wat daar weer het populisme aanjoeg. In elk land willen regeringen zich verdedigen tegen populistische dreiging. Ze accepteren daarvoor de agenda die door populisten is gezet en schuiven zo het probleem naar hun buurlanden. Ik noem dit de beggar thy neighbour-benadering van populisme.’

Deze ‘breng je buren tot de bedelstaf’-benadering ziet Fubini ook bij het migratiebeleid. ‘In eerste instantie wuifde de Italiaanse regering de vluchtelingen in 2015 door naar de Oostenrijkse Alpen, waarop de fpö, de Oostenrijkse rechts-populistische partij, groeide. Toen Oostenrijk daarna de grens sloot, zag Lega de aanhang flink toenemen. Het is een domino, waarbij uiteindelijk alles kan omvallen.’

U vergeleek in een artikel dit mechanisme met de tijd van de Grote Depressie.

‘In de jaren dertig van de vorige eeuw gebeurde precies hetzelfde, maar toen ging het om handel: het ene land voerde protectionistische maatregelen in, daarna het andere land ook. Uiteindelijk benadeelde het iedereen. Nu gaat het niet om handel maar om vluchtelingen en financiële reddingsoperaties voor banken. Politici accepteren daarbij de populistische agenda. Ze willen herkozen worden; ze hebben ook hypotheken, kinderen die opgroeien. Maar het is kortzichtig, op termijn werkt het nooit. Er zijn hierbij geen onschuldige toeschouwers. Griekenland in 2015 was een bedreiging voor heel Europa, Italië kan dat ook worden.’

Federico Fubini’s boodschap is helder: als we de eurozone veerkrachtig willen maken en de toekomst van de EU veilig willen stellen, gaat het niet om financiële maatregelen. De veranderingen liggen in handen van de politiek. EU-landen moeten, zegt hij, leren samen te werken ten opzichte van het chauvinisme. Net zoals ze sinds de jaren dertig hebben geleerd om binnen de Europese Unie samen te werken op het gebied van handel, zo moeten ze nu samen de populistische revolte bestrijden. Want uiteindelijk zullen de huidige maatregelen bij hen terugkomen als een boemerang. ‘De beggar thy neighbour-benadering overheerst in Europa vandaag. En het is giftig.’

Het diepere probleem zit volgens hem in de grote ongelijkheid. ‘De perceptie van ongelijkheid van mogelijkheden. Dat als je geboren bent in de lagere klassen, je niet zoveel mogelijkheden hebt om te groeien en ook je kinderen niet. Wat mist is sociale convergentie. De laatste jaren ging het debat binnen Europa over het naar elkaar toegroeien van landen en regio’s, van het oosten naar het westen, van het zuiden naar het noorden. Daar zijn tal van EU-fondsen voor. Maar er wordt nooit gesproken over convergentie binnen een land. Op dat gebied zouden de Europese lidstaten moeten samenwerken, nationale politici moeten begrijpen dat ook die ongelijkheid een Europees probleem is. Daar zit de grootste pijn.’

En Italië?

‘We zullen zien. We moeten door. Ik wil niet voorspellen. Laten we kijken naar de feiten, naar wat de regering gaat doen.’