De jaloerse courtisane

Catherine Millet werd bekend door haar schaamteloze boek over haar van gevoel ontdane seksleven. In haar tweede boek beschrijft ze de vernietigende kracht van de jaloezie, die zelfs haar, de vrouw met de twee lichamen, teisterde.

CATHERINE MILLET
JALOEZIE: HET ANDERE LEVEN VAN CATHERINE M.
Vertaald door Martine Vosmaer en Karina van Santen, De Bezige Bij, 252 blz., € 18,90

In 2001 zorgde de Franse kunstcritica Catherine Millet, mede-oprichter van het tijdschrift Art Press, voor een literaire hype van ongekende omvang. Van het openhartige verslag van haar seksleven, gepubliceerd onder de titel Het seksuele leven van Catherine M., gingen wereldwijd maar liefst 3,5 miljoen exemplaren over de toonbank.
Het boek viel niet op door een bijzondere stijl of een heel ingenieuze plot, maar werd een succes vanwege de uiterst preciese beschrijvingen van de vele seksuele uitspattingen van de schrijfster: partouzes, partnerruil, seksfeesten, opwindende uitstapjes in het Bois de Boulogne. Je kon het zo gek niet verzinnen, of Millet had het gedaan en opgeschreven. De feiten, de ruimtes, de frequentie, en vooral: de handelingen. Zonder enige emotie, zonder enig gevoel van sympathie voor haar sekspartners, zonder ook maar enige bezinning op haar handelingen, alleen de kale en vooral zeer naakte feiten: seks op bestelling, seks als verslaving, seks als tijdverdrijf.
Zelf schreef ze het grote succes van haar boek toe aan het feit dat geen vrouwelijke auteur voor haar zich aan zo’n openhartige en vooral minutieuze beschrijving van haar eigen seksleven had gewaagd. Als inspiratiebron noemde ze My Secret Life, het vierdelige dagboek van een anonieme Engelse schrijver uit de negentiende eeuw. Millet wilde een vrouwelijk equivalent daarvan maken, voilà tout. En blijkbaar voldeed ze aan een behoefte. Hoeveel mensen zich ook daadwerkelijk door de vele honderden seksscènes heen geworsteld hebben, die zonder veel variatie en op nogal klinische, bijna mechanische wijze worden verwoord, weet ik niet, maar ik kan me zo voorstellen dat zelfs de meest angeregte lezer het na een bladzij of vijftig wel voor gezien houdt. Op een gegeven moment snak je naar een gevoel of een gedachte, te midden van de uitgestalde charcuterie.
Die lezers worden nu op hun wenken bediend, want Catherine Millet heeft dit najaar een tweede boek gepubliceerd, Jour de souffrance, in het Nederlands deze week verschenen onder de titel Jaloezie. Nauwelijks seksscènes in dit boek, maar wel heel veel gedachten en gevoelens over een klein, en blijkbaar verwoestend nadeel van de jarenlange seksuele escapades. Groot was de verwondering in Frankrijk. Hoe was het mogelijk dat uitgerekend deze eigenzinnige, hardwerkende en koele schrijfster drie jaar lang gevloerd werd door iets dat in haar ogen toch alleen als uitermate triviaal, want emotioneel beschouwd kon worden? De eerste symptomen van de ziekte die haar elke lust tot leven ontnam, openbaarden zich toen zij een briefje van haar echtgenoot Jacques Henric aan een andere minnares vond. Dat briefje betekende niet alleen het startschot van een verwoede zoektocht naar alle andere mogelijke ‘bewijzen’ van zijn ontrouw, maar ook van een volledig verlies van controle over haar eigen leven en seksualiteit. Maar Millet had toch een ‘pact’ van seksuele vrijheid met haar echtgenoot gesloten? Zette zelf toch dagelijks de bloemetjes buiten en liet zich daarbij wellustig door anderen besproeien?
Jaloezie is een zorgvuldig opgebouwd récit – Millet noemt haar boeken geen romans, maar ‘récits’, iets tussen een verhaal en een verhandeling in – over alle mogelijke manifestaties van deze ‘ziekte’. Daarnaast zoekt het mogelijke verklaringen. In dat eerste slaagt de schrijfster glansrijk: zelden werd de verwoestende kracht van de jaloezie zo uitputtend beschreven. Maar over de verklaring van deze talloze aanvallen van complete verstandsverbijstering blijft de lezer – en de schrijfster zelf ook, ben ik bang – in het duister tasten. Waarom wilde zij haar hoofd tegen de muur kapotslaan? Waarom wilde zij zichzelf verminken, zichzelf vernederen? Waarom martelde ze zichzelf voortdurend met beelden van de ontrouw van haar man? Waarom kon ze zich niet bevrijden van een ‘kooi die telkens nauwer werd’? Tijdens het interview dat ik deze week met Millet in Maison Descartes hield, probeerde ik op alle mogelijke manieren antwoorden te vinden. Lag het echt aan haar jeugd, met ouders die van elkaar vervreemd waren geraakt, ieder hun eigen weg gingen en haar aan haar lot overlieten? Lag het aan de vroege dood van haar broer, of aan de zelfmoord van haar zieke moeder, dat jaloezie zich als een ultieme vorm van verlatenheidsangst zo heftig kon openbaren? Millet reikt deze suggesties weliswaar aan in haar boek, maar overtuigen doen ze mij niet. Wél overtuigend zijn haar beschrijvingen van de ervaring van jaloezie. ‘Ik voelde me in de belachelijke situatie, maar dan duizend keer erger, van iemand die vrolijk reageert op een glimlach of kushand die vanuit de verte door een vriend wordt geworpen, en zich dan ineens realiseert dat het gebaar bestemd was voor degene achter haar. Zo ontdek je niet alleen dat je niet de enige bent die een band met hem heeft, maar ook dat hij je soms niet ziet en dat je moet wijken voor een ander.’
Niet meer in het centrum van de aandacht staan, niet meer je de meest geliefde persoon van de ander weten, gereduceerd worden tot de machteloze toeschouwer van andermans genot – Millet brengt het indringend over het voetlicht. Blijft de vraag: waarom? Het pact met haar echtgenoot was zo helder. Bovendien maakte zij er veel vaker gebruik van. Jacques bleef al die tijd toch van haar houden en veel begrip tonen, maar weigerde uiteraard als enige zijn pleziertjes te moeten opgeven. En dan: waarom heeft zij die aanvallen van jaloezie destijds verzwegen? Het was blijkbaar niet louter orgasmes en schaamteloze seks wat de klok sloeg.
Tegen het einde van het boek staat een passage die misschien licht brengt: ‘Dus terwijl ik van mijn kant door kon gaan met mijn vrijgevochten leven, en kon verkondigen dat seksuele vrijheid “mijn ding” was, was dat in zijn aanwezigheid niet meer mogelijk vanwege het symbolische gezag dat ik hem binnen onze verbintenis toedichtte. Hij was degene die de aard van onze seksuele verhouding bepaalde, hij was de gids wanneer we samen waren.’ De gids. Eigenlijk had daar ‘baas’ moeten staan, vermoed ik. Dus hoewel de veelvuldige, anonieme seks met anderen haar ‘ding’ was, iets dat haar autonomie, haar zelfstandigheid ogenschijnlijk niet ondermijnde, bleef ze in haar verhouding tot haar echtgenoot de ondergeschikte en voelde ze zich volkomen machteloos als hij haar bedroog.
Een andere aanwijzing ter ontrafeling van het mysterie is naar mijn idee de herhaalde uitspraak van Millet in Jaloezie dat zij meende twee lichamen te bezitten. Een persoonlijk ‘zwaar’ lichaam waarin haar hart, ziel en geest, kortom haar ‘wezen’ woonde, en een ander, ‘zwevend lichaam dat losstaat van het diepere ik’, en uitermate geschikt was voor de seksrelaties met anderen, omdat ‘zij er zelf niet meer in aanwezig was’. Met dat lichaam ging zij de seksuele boer op, bood zij zich duizenden malen aan onbekende heren in sauna’s en openbare toiletten aan, met dat lichaam had zij zelf hoegenaamd niets te maken. ‘Dat is de reden waarom ik nooit het gevoel heb gehad dat het verstrengelen van dit lichaam met een ander lichaam, of andere lichamen, iets te maken had met mijn persoon.’ Hoe lang kan dat goed gaan, denk je dan als bezorgde lezer. Snapt ze niet welke valkuil ze voor zichzelf aan het graven is? Bladzijdenlang blijft Millet juist dat ‘zwevende lichaam’ prijzen: ‘Het relatielichaam ontlast me van het woonlichaam. Ik hoef “mij” er niet per se in te herkennen.’ Maar met de vreselijke opwellingen van jaloezie, ‘begint de vrouw die ik bij Jacques was zich te verdiepen in de vrouw, of vrouwen, die ik in de seksuale escapades was. Ik die altijd van seksuele vrijheid genoot alsof het een aangeboren eigenschap was, begon nu plotseling mezelf waar te nemen in situaties en ontmoetingen die me voor het eerst buitennissig voorkwamen.’
Was deze vorm van dissociatie van haar lichaam en van zichzelf – ‘Ik zou niet precies kunnen aangeven op welk moment mijn lichaam zich heeft losgezongen van mijn wezen’ – misschien een middel om de seksuele vrijheid überhaupt te kunnen genieten? Was dit van haar zelf losgemaakte lichaam de enige mogelijkheid om de lust die zij in dit nogal masculiene pornografische universum zocht te kunnen bevredigen? Misschien. En lag deze vorm van zelf-verlies, of van zelf-onteigening, die in het ‘zich voortdurend beschikbaar stellen aan onbekende mannen’ ervaren werd, dan wellicht aan de basis van de gigantische jaloezie en de hevige existentiële crisis die daarop volgde?
Peut-être, antwoordt Catherine Millet bijna verlegen voor een muisstille zaal in Maison Descartes. Meer wil ze er niet over zeggen. Meer komen we er in haar boek ook niet over te weten. En dus blijft de verwondering overheersen, zowel bij de lezer als bij de schrijfster: ‘Hoe heb ik al die jaren zo blind kunnen zijn?’ noteert ze ergens halverwege het boek. Het antwoord op die vraag zal ze ons voorlopig schuldig moeten blijven. Hoe jaloezie voelt, hoe jaloezie ervaren wordt en welke vernietigende kracht er in de jaloezie schuilt, daarover komen we in Millets boek veel te weten. Maar waar dat gevoel vandaan komt, en vooral, hoe we er weer vanaf komen, dat helaas niet. Wat dat betreft sluit Catherine Millets tweede roman prachtig aan bij de bekende uitspraak van Montaigne: ‘Van alle ziektes van de geest is de jaloezie er een, die door de meeste uiteenlopende zaken gevoed wordt, maar door het minst aantal zaken genezen.’ Een uitspraak waarvan Millet in haar tweede boek op meesterlijke wijze akte heeft gegeven.