De james brown van de literatuur

Geen twintig-karaats armband, geen hemden van satijn. Maar in zijn flirten met publiek en camera was Adriaan van Dis zo helemaal de neger. Onhollands cool: ‘Er zijn zaken waar je serieus over kunt praten en er zijn zaken waarin ironie en bitterheid past.’

GOEIE HEMEL, de man is een neger, dacht ik toen ik Adriaan van Dis voor het eerst op tv zag, maar de volgende dag hoorde ik dat men hem juist erg deftig vond. Deftig? Man, zag je niet hoe hij stond te pronken met zichzelf, als een James Brown van de literatuur? Hij zat te schitteren en te stralen, zo zelfbewust en trots, zo geraffineerd en stijlvol, zo ijdel en parmantig dat alleen de gouden sieraden ontbraken.
Een twintig-karaats armband, een ketting met een kruis van een pond, een hemd van satijn en een flaphoed, okee, het zou wat te veel zijn. Maar zelfs zonder dat alles was hij een neger. Zoals hij aan kwam lopen, kordaat, ferm, maar o zo gespeeld; zoals hij in de camera kon kijken, flirtend met het publiek, half blozend om zichzelf; zoals hij kon gaan zitten, met zijn schouders een tikje schuin, om zijn gast de ruimte te geven. Kom op, toon mij uw kunsten.
Maar het leek alleen maar zo. Want die arrogantie en zelfverzekerdheid waren juist zo negerachtig omdat die gespeeld waren, het was show, en als je lang genoeg keek en aandacht had voor de kleinste details zag je de waarheid: een kwetsbare, gevoelige man die bij ieder optreden het risico van zijn leven nam. En dat hij zijn gasten aan zichzelf onderwierp, als een Romeinse keizer, dat was al helemaal theater. Want in al zijn fierheid was hij in staat tot iets schier onmogelijks: de kijker aan hem te binden, waardoor we de gast door zijn ogen zagen.
Hoe deed hij dat? Hoe kwam het dat zoveel mensen die nooit een boek lazen, niet tot de culturele klasse behoorden en niet deelnamen aan de wereld van de hogere kunsten, de mogelijkheid hadden om juist Adriaan van Dis te vertrouwen, zich te vereenzelvigen met zijn smaak, zijn nieuwsgierigheid, zijn fascinatie?
Want Adriaan van Dis combineerde drie absolute tegenstellingen, qua vorm, inhoud en effect. De vorm was er een van ongepaste grandeur: je zag dat deze man een bad had genomen met Turkse olien, hij had zich zorgvuldig gekleed in iets dat volgens hem nonchalant zou overkomen, vervolgens had hij gedineerd, met een zacht servet had hij de mondhoeken gedept, zijn gemanicuurde vingers had hij door zijn haar gehaald om daarna het podium op te wandelen: Hier is… Adriaan van Dis.
De werkelijkheid zal natuurlijk anders zijn geweest, maar waar het om gaat is de indruk die hij wekte en de moed die hij had om zich uit te geven voor een heer van stand, een man met klasse. Dat was in Nederland tot dan toe zeer ongebruikelijk, want zoals Johan Huizinga zei, ‘of wij hoog of laag springen, wij Nederlanders zijn allen burgerlijk, van den notaris tot den dichter en van den baron tot den proletarier’. Nederlanders zijn wars van pronkzucht en aanstellerij, ze hechten aan eenvoud en ingetogenheid, dat is het algemene volksimago dat aan mensen als Paul Witteman, Ivo Niehe en Karel van der Graaf hun rechtvaardiging geeft. Maar met de verschijning van Adriaan van Dis op de vaderlandse televisie werd dat imago in een klap aan diggelen geslagen.
Natuurlijk was het antiburgerlijke al bekend, maar dan vooral naar beneden, dank zij de verzetshelden van de jaren zestig, de sliertige, slonzige ordeverstoorders die geen das droegen, zich niet glad schoren en alle make-up weigerden. Je ziet er nog restjes van, maar dan heet het grunge, bij een man als Theo van Gogh. Of de minder op het uiterlijk en meer op het gedrag geente provocaties van Ischa Meijer.
Adriaan Van Dis deed het omgekeerde: hij verliet het goedmoedige, vertrouwde en suffige terrein van de burgerlijkheid om daar boven te gaan zitten. Hij was geen burger, maar een bourgeois, in de positieve zin van de gentleman die loopt maar nooit rent. Maar hij deed dat dan met zo'n brutale opzichtigheid, niet alleen in uiterlijk, maar ook in handelwijze - het glaasje wijn, het bekakte accent, de kleine gebaren met de vingers, de schuine glimlachjes en de gereserveerde oogopslag - dat hij dat zelfbeeld meteen ook parodieerde. Daaruit bestond juist zijn negerachtigheid: een neger die zijn coolheid en zijn koninklijke pose serieus neemt, is niet sierlijk maar potsierlijk.
DE INHOUD VAN het televisieprogramma was daarentegen bloedserieus. Als het gedoe rond de vorm voorbij was, begon het gesprek en dat was niet meer speels en lichtzinnig, maar oprecht en oplettend. Daarin gaf Van Dis zijn gasten de ruimte, of het nu Hans Magnus Enzensberger, Salman Rushdie, Breyten Breytenbach, Ben Okri, Robert Hughes of zelfs de chagrijnige V. S. Naipaul was.
Ik herinner me nog hoe Van Dis zichtbaar verbaasd opkeek toen hij na een onschuldige openingsvraag meteen de irritatie van Naipaul had gewekt. Natuurlijk had Van Dis hem willen ergeren, dan is Naipaul op z'n leukst, maar niet met die vraag. Maar Van Dis dramde niet door, hij vocht niet om zijn gelijk en hij ging niet op zijn knieen. Zo liet hij de persoonlijkheden, en het waren meestal heel grote en vaak erg verwende persoonlijkheden, in hun waarde zonder zijn eigen persoonlijkheid te grabbel te gooien in kinderachtige aanbidding dan wel hooghartige knorrigheid.
Wat niet wil zeggen dat Van Dis nooit naar de gevaarlijke randjes doorduwde. Het gesprek met Henk Herrenberg, toen ambassadeur van Suriname, is wat dat betreft van historische betekenis. Nadat Herrenberg had gezegd dat hij de moorden van 8 december in Suriname beschouwde in een breder kader, zei Van Dis: 'Maar hoe breed is dat kader? Een meter tachtig, de breedte van een doodskist?’
Herrenberg: 'Nou, ik zou er niet zo grappig over willen praten, de gebeurtenis is serieus genoeg.’
Van Dis: 'Wat is er nu precies gebeurd, bent u daar iets meer over te weten gekomen?’
Herrenberg: 'De officiele verklaring ligt er.’
Van Dis: 'En die luidt dat mensen een rug in hun voorhoofd hebben?’
Herrenberg: 'Ik zou wel willen vragen dat, eh, kijk, ik heb meegedaan aan dit programma. De vorige mensen waren vrij luchtig bezig met hun onderwerpen, en ik wil het niet beeindigen in mineur, maar ik zou toch wel willen vragen om niet zo over deze serieuze zaken te praten.’
Van Dis (met beide handen zijn woorden dirigerend): 'Meneer Herrenberg, er zijn zaken waar je serieus over kunt praten en er zijn zaken waarin ironie en bitterheid past, en dat geldt voor dit onderwerp. Ik ben niet van plan mij vrolijker voor te doen dan ik ben, ik heb u uitgenodigd omdat ik geinteresseerd ben in mensen met macht en vooral in mensen die macht misbruiken. Onder andere daarom zit u hier.’
Herrenberg: 'Ik heb geen macht misbruikt. Ikke niet.’
ALS IK HEIMWEE heb, draai ik de video waarop dit gesprek is vastgelegd. Want dit is het moment geweest waarop alle Surinaamse studenten en afgestudeerden het besluit namen niet terug te keren naar hun land. Zonder het misschien zelf te weten had Van Dis, juist dank zij zijn integriteit en zijn betrokkenheid, het valse masker van de machthebbers afgetrokken; met de grootst mogelijke elegantie had hij ons de gruwelijke kant van ons vaderland laten zien en met z'n allen, met ons duizenden, besloten wij liever bij Adriaan van Dis te blijven dan in de armen te worden geworpen van Herrenberg.
Want dat is het laatste mysterie dat Adriaan van Dis met zijn televisieprogramma opriep: dat van het effect. Hoe komt het dat een intellectueel ineens zoveel invloed kreeg op de lui achterover gezeten chips-knabbelende televisiekijkers? Het is weleens het magische Van Dis-effect genoemd, zijn vermogen om schrijvers en denkers zo aan te prijzen dat ook de gewoonste mensen bewondering voor hen kregen, maar wie goed naar het programma keek, zag meteen dat Van Dis dat juist niet deed, mensen of boeken aanprijzen.
Het Van Dis-effect bestaat misschien wel hieruit dat hij het zich kon veroorloven om niet altijd de intellectueel te zijn. Hij kon zich gedragen als een populist, als een soort Oprah Winfrey, maar dan duizend keer verfijnder. Daarom kon hij met evenveel gemak spreken met Gore Vidal, Monique van de Ven, Annie Cohen-Solal, Renate Dorrestein of Jan Blokker. Door het ingewikkelde spel tussen vorm en inhoud creeerde Adriaan van Dis een personage waarmee iedereen zich wilde identificeren. Het personage dat beschaving uitstraalde, en toch geen saaiheid. Dat belezen was, en toch geen boekenwurm. Dat van een grapje hield, en toch niet de lolbroek uithing. Dat vaderlijk kon zijn, maar niet paternalistisch. Dat weleens kon flirten, maar nooit een zwijmelaar werd.