David Edmonds en John Eidinow, Bobby Fischer trekt ten strijde

De James Dean van het schaken

Talrijk zijn de verhalen over Bobby Fischers grillige gedrag voor en tijdens zijn schaaktweekamp met Boris Spassky, bijna 32 jaar geleden in de IJslandse hoofdstad Reykjavik. Het boek ‹Bobby Fischer trekt ten strijde› vertelt niet zozeer hoe de Amerikaan het wereldkampioenschap veroverde, maar vooral hoe de Rus het verloor.

Een krap uur te laat arriveerde Bobby Fischer op de slotceremonie van de «Match van de Eeuw». In een paars fluwelen pak stormde hij de zaal binnen om neer te ploffen naast de toenmalige president van de wereldschaakbond, Max Euwe. Aan diens andere zijde zat Boris Spassky. Toen Euwe opstond om een rede te houden, wist Fischer niet hoe snel hij de vacante plek moest innemen. Uit zijn binnenzak toverde hij vervolgens een zakschaakbordje te voorschijn om Spassky een analyse voor te houden van hun laatste partij. De aimabele Rus was niet te beroerd om mee te kijken en zelfs een paar suggesties te opperen.

In deze anekdote komen een paar verhaallijnen uit de tweekamp samen: de kinderlijke obsessie van Fischer voor het schaakspel, zijn onverschilligheid jegens welk protocol dan ook, en Spassky’s beleefde houding. Het zegt ook iets over de relatie tussen beide spelers. Ondanks het gezever van met name de Amerikaan over geld, stoelen, belichting, geld, toeschouwers, camera ploegen, de avondprogrammering van de IJslandse televisie, geld en het feit dat de scheidsrechter op een vrije dag bridge speelde met Spassky, is de relatie tussen beide spelers altijd goed gebleven. Fischers vijand heette «de Russen», en in hun boek laten de BBC-journalisten David Edmonds en John Eidinow zien dat Spassky zich best wel iets bij deze vijandschap kon voorstellen.

De auteurs kregen lovende kritieken (onder meer van Bill Clinton) voor Wittgenstein’s Poker, waarin ze aan de hand van het pookincident tussen Ludwig Wittgenstein en Karl Popper de filosofische waterscheiding van de vorige eeuw behandelden. Gedetailleerd gingen ze in op het vroege leven van de aristocraat Wittgenstein en de bourgeois Popper, beiden afkomstig uit Wenen, alvorens middels getuigenverklaringen de gebeurtenis in Cambridge te reconstrueren en in een breder perspectief te plaatsen. Het antwoord op de vraag wat er die avond precies gebeurd is, vinden ze echter niet. In Bobby Fischer trekt ten strijde gaan Edmonds en Eidinow op dezelfde manier te werk en ook hier stuiten ze op de grenzen van de geschiedschrijving. De vraag wat Fischer indertijd bezield heeft, kan uiteindelijk alleen door Fischer zelf worden beantwoord. En de voortvluchtige Amerikaan ontbreekt node op de lange lijst van personen die aan het onderzoek hebben meegewerkt.

Henry Kissinger komt er wel in voor, en niet alleen omdat hij een rol vervulde bij het tot stand brengen van de tweekamp door de weigerachtige Fischer vriendelijk te verzoeken naar IJsland af te reizen. De toenmalige veiligheidsadviseur van Richard Nixon was in 1959 aanwezig bij een lezing over The Political Uses of Madness, waarin de «Madman Theory» werd besproken. Een politicus die deze strategie hanteert, moet geen angst tonen en met de blik op oneindig zijn doel benaderen, zoals Nixon met Kissingers zege in Vietnam zou doen. Volgens de auteurs deed Fischer met zijn ramkoers in Reykjavik iets soortgelijks. De inspiratie kwam dit keer niet uit het Witte Huis, maar uit Hollywood. Als een bewonderaar van James Dean kende Bobby Fischer ongetwijfeld Rebel without a Cause. In die film wordt «chicken» gespeeld: twee auto’s rijden in volle vaart op elkaar af, en degene die uitwijkt is de chicken, de lafaard. Het was de Engelse filosoof Bertrand Russell die een link legde tussen dit veredelde pokerspel voor hangjongeren en de wereldpolitiek.

Dat de Russen zich hadden voorbereid op schaken, en niet op pokeren voor gevorderden, bleek een misrekening te zijn. Dankzij de toegang tot communistische archieven komen Edmonds en Eidinow (een Russische linguïst) met nieuwe gegevens over het Russische kamp in de aanloop naar de tweekamp. Dat Spassky nooit een echte partij volgeling is geweest, was bekend, maar thans blijkt dat zijn houding voor irritatie zorgde binnen de hoogste regionen van de sovjet politiek. Spassky zocht de grenzen van het toelaatbare op door grote interesse te tonen voor Fjodor Dostojevski, eens bij zijn teamleider te informeren of kameraad Lenin werkelijk aan syfilis had geleden, en door kort na de Praagse Lente empathisch de handen te schudden van Tsjechische schakers.

In een brief berichtte de directeur van de Centrale Schaakclub, kolonel Viktor Batu rinskii, het Sportcomité dat Spassky meer bezig was met het verbeteren van zijn leefomstandigheden dan met het bestuderen van Fischers openingsrepertoire. Nu was dat laatste ook niet eenvoudig omdat er door de staatscensuur weinig buitenlandse schaak informatie aanwezig was (ook sovjetpolitici kampten soms met een kennisachterstand, zoals Nikita Chroesjtsjov, die dacht dat Dwight Eisenhower hem in quarantaine wilde stoppen toen hij hem Camp David aanbood). Wraak of niet, kort voor de tweekamp passeerde een immer wantrouwende Spassky het Sportcomité door zich tot het Centrale Comité van de communistische partij te wenden met een brutale waslijst aan wensen.

Hij wilde onder meer dat zijn assistenten totale geheimhouding beloofden: een motie van wantrouwen. Zijn aanhoudende roep om meer geld én een fatsoenlijk appartement vergrootte de argwaan binnen de partij. De «zwarte kolonel» Baturinskii — die voor zijn rol als openbaar aanklager onder Stalin zou zijn gevierendeeld als het aan de dissidente schaker Viktor Kortsjnoi had gelegen — werd kort voor de IJsland-expeditie door Spassky aan de kant gezet als delegatieleider. Spassky was voortaan zelf de baas.

In tegenstelling tot de partijbonzen leek Spassky de tweekamp meer als een goed betaalde schaakvakantie te beschouwen. De manier waarop hij het andere enfant terrible van de wereldtitel ging afhouden, zou hij achter het bord wel vinden. Hij negeerde schaaktechnische adviezen van zijn drie secondanten en van drie ex-wereldkampioenen. Voor Spassky telde het spelen van een mooie partij dikwijls zwaarder dan het winnen van een partij. Aan het spelen van een wonderschone partij kwam hij niet toe. Het schaken viel sowieso een beetje in het niet bij alle capriolen van Bobby Fischer, die niet was omringd door grootmeesters maar door juristen, een pokerliefhebber en later door een lokale politieagent, met wie hij goed bevriend raakte. De meeste eisen waren irrationeel. Fischer klaagde bijvoorbeeld over de lichtval op het bord, terwijl hij in de tweekamp tegen Tigran Petrosjan juist per se wilde doorspelen toen het licht was uitgevallen. Net als andere grootmeesters die door Fischer verslagen waren, werd Spassky letterlijk ziek. Hij beging bovendien blunders die hij normaal nooit maakte. De Russen keken verbijsterd toe. Tevergeefs trachtte de KGB het tij te keren.

Ondanks de inmenging van de geheime dienst en het feit dat Fischer zijn intrek had genomen op de Amerikaanse legerbasis (daar hadden ze nu eenmaal de beste biefstukken) werd de tweekamp geen voortzetting van de Koude Oorlog op het marmeren, door Fischer afgekeurde, schaakbord. Daarvoor liepen de twee te veel uit de pas met hun politiek vaders. In The Sunday Times noemde Stalin-biograaf Arthur Koestler Fischer als propagandist van het Vrije Westen contraproductief. Edmonds en Eidinow beroepen zich ook op Samuel Huntington, die meende dat de glorietijd van de Koude Oorlog al voorbij was. Het luchtruim zat nagenoeg verstopt met vliegtuigen vol diplomaten op weg naar vredesbesprekingen. Ironisch genoeg wilde Spassky het liefst spelen in het kapitalistische Amsterdam en Fischer in het communistische Belgrado. Reykjavik was een compromis. In de aanloop daar naartoe bleek dat het makkelijker was Nixon en Brezjnev bij elkaar te brengen dan Fischer en Spassky. Rond dezelfde tijd gaf Kissinger de sovjetambassadeur een rondleiding in Hollywood, waar Alfred Hitchcock meteen bij de bezoeker informeerde naar de beschikbaarheid van het Kremlin voor filmopnamen.

Dertien jaar later zou hetzelfde Reykjavik na een geslaagde top tussen Michail Gor batsjov en Ronald Reagan het symbool worden van de dooi tussen Oost en West. De geschiedenis herhaalde zich: eerst als komedie, vervolgens als tragedie. Net zoals Karl Marx had voorspeld, maar dan omgekeerd.

De schaaktweekamp was immers een surrealistische komedie, met als spanningsboog de wraakoefening van Fischer tegen «de Russische schaakwereld», die al jaren tegen hem zou hebben samengespannen. De schaakromanticus Spassky was een toevallig slachtoffer van de Amerikaanse wervelwind. Niets persoonlijks. Fischer stond bij zijn collega’s bekend als een sportief schaker. Tijdens een toernooi in Willemstad was hij ooit de enige speler die op bezoek ging bij Misja Tal nadat die in het ziekenhuis was opgenomen. Geen van de aanwezige Russen had die moeite genomen. Fischer en Spassky respecteerden elkaar. Na de tweekamp wilde Fischer iets geven aan Spassky. Zijn vriend de politieman opperde het fototoestel te schenken dat Fischer had gekregen van een Life-fotograaf.

Maar Bobby Fischer vond dat een te goedkoop cadeau. Nadat hij ervan overtuigd was dat het om het gebaar ging, stemde hij toe. Spassky toonde zich geëmotioneerd. Bij terugkomst in Rusland mocht Spassky voor straf negen maanden lang geen buitenlandse toernooien spelen. Hij verzeilde daarna in grote problemen met de autoriteiten omdat hij een relatie kreeg met een Russische vrouw die een Frans paspoort droeg. Drie jaar na de tweekamp werd zijn appartement in de Moskouse diplomatenwijk onder verdachte omstandigheden leeggeroofd. Onder de verdwenen spullen bevond zich Fischers cadeau.

David Edmonds en John Eidinow

Bobby Fischer trekt ten strijde

Vertaald door Willemien de Leeuw

Ambo, 350 blz., € 22,95