De democratie staat níet onder druk

De januskop van de democratie

Zoals vroeger de conservatieve filosofen deden, verzetten nu de progressieve denkers zich tegen een te sterke stem van het volk. Terwijl het volk gewoon netjes zijn representanten kiest.

Medium groene fennema

DEMOCRATIE drukt zowel een streven naar vrijheid als naar gelijkheid uit. Het vrijheidsstreven werd vastgelegd in rechtsstatelijke principes die op het natuurrecht gebaseerd waren. Die vrijheid werd in de Verenigde Staten bevochten in verzet tegen een koloniale overheersing; in Nederland was er verzet tegen de privileges van de stadhouder en de corruptie van de regenten; in Frankrijk werd de vrijheid bevochten op een Ancien Régime dat stoelde op het feodale gewoonterecht. In Saint-Domingue werd de vrijheid gedefinieerd als de afschaffing van de slavernij. In die strijd beriepen de Afrikanen zich ook op de gelijkheid van alle mensen.
In de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring stond het zo: ‘We hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit of Happiness.’ De genoemde gelijkheid was gebaseerd op een utopie, waarvan geen eenduidige invulling bestond, maar die onmiskenbaar een christelijke oorsprong had. Mensen zijn niet gelijk, maar ze hebben wél gelijke rechten. Dat was destijds de meeste gangbare invulling, hoewel dat weer niet gold voor de slaven en maar gedeeltelijk voor vrouwen.
Maar hoe ver moest die gelijkheid gaan? Was het uitsluitend gelijkheid voor de wet, of was het ook politieke gelijkheid, actief en passief kiesrecht? Was het uitsluitend een formele gelijkheid of moest zij ook inhoud krijgen? En als die gelijkheid inhoudelijk gedefinieerd werd, gebeurde dat dan vooral in economische termen of ging het juist om culturele gelijkheid: had iedere culturele minderheid evenveel recht op respect en bescherming?
In de VS was het anti-Engelse sentiment overheersend, het land beschouwde zichzelf als een land van immigranten met een grote verscheidenheid in culturele en religieuze achtergrond. In Frankrijk werd aanvankelijk sterk de nadruk gelegd op culturele assimilatie: de Franse republiek moest één en ondeelbaar zijn. In Nederland was die culturele eenheid minder zwaarwegend: de Republiek kende een federalistische structuur en meerdere godsdiensten.

DE ECONOMISCHE GELIJKHEID zou pas in de negentiende eeuw vast op de politieke agenda komen door de opkomende arbeidersbeweging, hoewel de sansculotten in Frankrijk en de democratisch republikeinen in de VS haar al in de achttiende eeuw op de agenda hadden gezet. Het gelijkheidsdenken was het sterkst in de populistische stromingen binnen de democratische bewegingen, terwijl de conservatieven het principe van de gelijkheid maar in beperkte mate erkenden. Deze verschillen kwamen ook tot uitdrukking in de wijze waarop men de democratische vertegenwoordiging gestalte wilde geven. De Amerikanen waren in meerderheid voor een tweekamerstelsel, waarin de Senaat een rem moest vormen op de macht van de meerderheid in het Huis van Afgevaardigden. Die Senaat zou moeten bestaan uit wijze, wat oudere mannen, die niet het Amerikaanse volk maar de verschillende staten vertegenwoordigden en bepaalde besluiten van het Huis van Afgevaardigden zouden kunnen tegenhouden. Madison schreef in de Federalist Papers: 'Er zijn van die momenten in de politiek waarop het volk, in de ban van ongeregelde hartstochten, of gestimuleerd door een onoorbaar eigenbelang, of misleid door een verkeerde voorstelling van zaken door handige belanghebbenden, maatregelen eist waarvan het zelf achteraf spijt heeft en die men dan als eerste zal veroordelen.’ De wil van de meerderheid zoals die in het Huis van Afgevaardigden tot uitdrukking kwam moest dus niet in alle omstandigheden tot uitvoering worden gebracht.
De Fransen echter beschouwden het tweekamerstelsel als een uiting van een verwerpelijk aristocratisch denken, een relikwie van het Ancien Régime. De revolutionaire verlichtingsfilosoof Condorcet, die in 1793 een democratische grondwet schreef, was van mening 'dat één macht, die slechts beperkt en geregeld wordt door de wet, het maatschappelijk stelsel moet regeren. Aan dat hoogste gezag moeten alle andere machten ondergeschikt zijn.’ Condorcet meende dat de Franse burgers verstandig genoeg waren om de besten, dat wil zeggen de hoogst opgeleiden, te kiezen in de Nationale Vergadering. Voor Condorcet moest het regeringsbeleid gebaseerd zijn op wetenschappelijke inzichten die de verlichtingsfilosofen met hun Encyclopedie onder de burgerij verspreidden. Deliberatie in de Nationale Vergadering was niet zozeer bedoeld om een compromis te bereiken, maar om tot het 'juiste standpunt’ te komen. Uit de botsing van opinies zou het inzicht in het algemeen belang naar voren komen. Er was maar één algemeen belang en de Nationale Vergadering moest dat zien te vinden.
De tegenstelling tussen een democratisch-centralistisch stelsel en een systeem van checks and balances kwam ook tot uiting in de mate waarin de algemene volkswil benadrukt werd in de democratietheorie. In het jacobijnse denken, dat aan Rousseau schatplichtig was, stond die algemene volkswil centraal en werden geen deelbelangen erkend. Dat jacobijnse denken zou meer dan een eeuw later zijn weerslag hebben op het marxisme-leninisme dat in de communistische beweging tot ontwikkeling kwam. De volkswil werd door de communisten vertaald in de wil van het proletariaat. Net als het volk moest het proletariaat een eenheid vormen, waarbinnen geen deelbelangen of tegenstellingen werden erkend. Het communistische democratiemodel was daarom wars van checks and balances.
De scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht werd door Lenin uitdrukkelijk verworpen, terwijl ook de rechterlijke macht maar een beperkte autonomie werd gegund. In de Oost-Europese volksdemocratieën, die op leninistische leest geschoeid waren, werd de vrijheid volledig opgeofferd aan de gelijkheid. De democratie werd zo een karikatuur van zichzelf.

IN HET republikeinse denken, dat aan Montesquieu was ontleend, stonden deelbelangen centraal en moest de vrijheid gegarandeerd worden door institutionele scheiding van macht en gezag. De eenheid moest door institutioneel evenwicht tot stand komen en stond in het teken van het compromis. De heerschappij van de meerderheid stond tegenover de bescherming van minderheden. Het waren de gematigden die de macht van de meerderheid wilden beperken, niet alleen omdat het volk soms ondoordachte besluiten zou kunnen nemen, maar ook om te voorkomen dat de armen, die per definitie in de meerderheid waren, misbruik zouden kunnen maken van hun democratische rechten. Zij mochten niet langs politieke weg bemachtigen waar ze vanuit economisch oogpunt geen recht op hadden. De filosofen die pleitten voor checks and balances waren dus vaak ook degenen die zich sterk maakten voor een censuskiesrecht. Alleen burgers met een zekere welstand zouden stemrecht moeten hebben. En zo kwam vrijheid tegenover gelijkheid te staan.
Ook binnen het democratische regime werd er dus uitdrukkelijk plaats ingeruimd voor een aristocratie die aan het volk leiding moest geven. Maar die aristocratie werd niet meer door geboorte bepaald, maar door bezit of door intellectuele capaciteiten. Het waren de besten uit het volk die het volk leiding moesten geven. Politici moesten 'belangeloos’ zijn en dat betekende in de praktijk dat zij over voldoende vermogen moesten beschikken om zich fulltime aan de politiek te wijden. Daarin stemden republikeinse democraten als Madison en radicale democraten als Joan Derk van der Capellen tot den Pol overeen. De laatste verklaarde in zijn oproep aan het Volk van Nederland dat hij geen 'fortuinzoeker’ was: 'Dat ik niet alleen nooit enig ambt heb bekleed, maar dat ik er zelfs nooit een bekleden noch begeren kan; dat ik derhalve volkomen belangeloos en daarom geloofwaardig ben.’ Eigenbelang zou nooit een rol mogen spelen in de politiek. Daarom moesten politici hun schaapjes op het droge hebben vóór zij een politiek ambt mochten bekleden. Want politici moesten vóór de politiek leven, zij mochten niet ván de politiek leven.
De Engelse liberalen, zoals die door James Mill en zijn zoon John Stuart Mill werden vertegenwoordigd, pleitten voor een 'diplomademocratie’. Zij meenden dat vooral opleiding een rol moest spelen bij de rekrutering van de politieke elite. John Stuart Mill stelde daarom ook voor om de hoogopgeleide burgers twee stemmen te geven tegenover de lager opgeleiden één stem.
Maar ook de socialistische erfgenamen van de Jacobijnen gingen uit van een aristocratische leiding; dat was natuurlijk niet de geldadel of de grondbezitters en ook niet uitsluitend de hoogopgeleiden, maar een arbeidersaristocratie: alleen de beste arbeiders die door de partij opgeleid zijn, moeten in staat geacht worden aan een sociale democratie leiding te geven. Het concept van de voorhoedepartij gaat er - net als Madison - van uit dat de arbeiders het niet altijd bij het rechte eind hebben. Zij hebben in de ogen van Lenin op z'n best een 'vakbondsbewustzijn’ en moeten door een voorhoedepartij van gestaalde kaders en intellectuelen geleid worden.
De schumpeteriaanse democraten, ten slotte, gaan ook uit van een politieke elite met bijzondere kwaliteiten. Het is een elite van politieke ondernemers die met elkaar concurreren om de stem van het volk. Aan deze elite van politieke ondernemers stelde de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter in zijn invloedrijke boek Capitalism, Socialism and Democracy (1942) ook nog eens hogere eisen: zij moeten in staat zijn om zowel campagneleider als staatsman te zijn, want als zij winnen moeten ze vanuit de ticker tape-parade zo in de Oval Room kunnen stappen. Schumpeter ging er bovendien van uit dat een professionele bureaucratie nodig was om het schip van staat op koers te houden.
De Zwitserse filosoof Johann Caspar Bluntschli pleitte zelfs voor een democratische monarchie omdat de koning als erfelijk leider het best in staat was 'boven de partijen’ te staan. Die opvatting vinden we ook bij Rudolph Thorbecke, de Nederlandse staatsman die als de grondlegger beschouwd wordt van de parlementaire democratie in Nederland. Weliswaar was Thorbecke verklaard tegenstander van een tweekamerstelsel en wilde hij de uitvoerende macht van de koning onttrekken door de ministeriële verantwoordelijkheid in de grondwet op te nemen, maar Thorbecke zag in zijn parlementaire democratie toch een rol weggelegd voor de koning.
Zo zien we dat in alle democratietheorieën aristocratische elementen zijn ingebouwd die als tegenwicht moeten dienen voor een te ver doorgevoerde democratische vertegenwoordiging. Het idee dat het volk zonder tussenkomst van een elite de macht kan uitoefenen wordt met recht populisme genoemd. Dat populisme ligt trouwens opgesloten in het concept van volkssoevereiniteit zelf. Dat is ook precies de kritiek van conservatieve denkers op de democratie. Alexis de Tocqueville sprak van 'dictatuur van de meerderheid’, Jose Ortega y Gasset van hyperdemocratie: 'De soevereiniteit van het ongekwalificeerde individu.’ De discussie van conservatieve democraten gaat vaak over de vraag aan welke kwaliteiten de politieke elite moet voldoen en hoe groot hun politieke speelruimte moet zijn. Filosofen die zich verzetten tegen een te ver doorgevoerde volksvertegenwoordiging verwijten de elite vaak gebrek aan kwaliteit en gebrek aan standvastigheid. Kennelijk is het feit dat de volksvertegenwoordiging door het volk is gekozen op zich niet voldoende om haar te respecteren.

MAAR WAT is dan de ideale vertegenwoordiging in een democratie? Moeten de leden van de Tweede Kamer in sociologische zin een afspiegeling vormen van de Nederlandse bevolking? Dan moeten er in de Tweede Kamer evenveel vrouwen zitten als mannen. In Frankrijk is in 2008 in de grondwet opgenomen dat er gestreefd wordt naar een gelijke verdeling van gekozen posities tussen mannen en vrouwen. In Nederland plaatst de PVDA haar mannelijke en vrouwelijke kandidaten om en om op de kandidatenlijst. Multiculturalisten pleiten voor een evenredig aantal Turken, Marokkanen en Surinamers in de Tweede Kamer. Moet er dan ook een evenredig aantal Friezen, Groningers, Limburgers, Brabanders of Tukkers gekozen worden? Dan mag, om het negatief te formuleren, de Tweede Kamer dus niet een hoog 'grachtengordelgehalte’ hebben. Men kiest dan voor een demografische vertegenwoordiging. En zou dan ook het opleidingsniveau van Kamerleden een afspiegeling moeten zijn van het opleidingsniveau van de kiezers? Dan wijst men, net als Mark Bovens en Anchrit Wille, een 'diplomademocratie’ af.
Men kan ook menen dat niet de identiteiten van de kiezers vertegenwoordigd moeten zijn, maar hun belangen. Dan moet de Tweede Kamer een afspiegeling van de kiezers zijn in economische zin. Er moeten dan in de Tweede Kamer zowel arbeiders als ondernemers zitten, zowel boeren als stadsbewoners, zowel ambtenaren als kleine zelfstandigen. Maar ook huisvrouwen zouden dan in de Tweede Kamer moeten zitten, als huisvrouw dus, niet als vrouw. Wij noemen dat een corporatieve vertegenwoordiging, waarvan we de voorstanders vooral vinden onder katholieke democraten en utopisch socialisten. Het voorstel van Saint Simon om het Europese parlement te laten samenstellen uit vertegenwoordigers van verschillende beroepsgroepen paste in die traditie. Of moeten de opvattingen van Tweede-Kamerleden een afspiegeling vormen van de opvattingen die onder het volk leven zonder dat er sprake hoeft te zijn van afspiegeling in de sociologische zin van het woord? Dan gaat het om inhoudelijke of politieke vertegenwoordiging.
In alle varianten die de revue gepasseerd zijn wordt voorondersteld dat een volksvertegenwoordiging op enigerlei wijze de opvattingen van de kiezers weerspiegelt. Weliswaar stemmen volksvertegenwoordigers 'zonder last of ruggespraak’, dus van een directe mandatering kan in ons parlementair stelsel geen sprake zijn, maar de volksvertegenwoordiging wordt toch geacht een breed draagvlak te hebben in de samenleving.
Ideologische representatie is in liberale democratieën het dominante ideaal, dat in Nederland in de laatste twintig jaar dichterbij gekomen is. Onderzoek toont aan dat de Tweede Kamer in haar opvattingen in de 21ste eeuw aanzienlijk representatiever is dan in de jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw. De opkomst van de SP, de LPF en de PVV zijn daarvoor in grote mate verantwoordelijk. In de 21ste eeuw is daarom het vertrouwen van de laagopgeleiden in het parlement toegenomen.

DEGENEN die deze ontwikkelingen met lede ogen aanzien, grijpen terug op een meer aristocratische democratie-opvatting. Een goed voorbeeld is de Tilburgse filosoof Rob Riemen, die naam maakte met een conservatief pamflet tegen de culturele en morele vervlakking in de moderne samenleving onder de titel Adel van de geest. Het populisme is volgens Rob Riemen een 'gevolg van politieke partijen die hun eigen gedachtegoed verloochenen, intellectuelen die een gemakzuchtig nihilisme cultiveren, universiteiten die deze naam niet waardig zijn, de geldzucht van de zakenwereld en de massamedia die liever de buikspreker van dan een kritische spiegel voor het volk zijn’. Dezelfde kritiek komt ook van links. Het speciale nummer 'Van waarde’ van Socialisme & Democratie (nummer 7 en 8, 2011) geeft daarvan een mooi overzicht.
Nadat tweehonderd jaar lang conservatieve denkers zich verzet hebben tegen een te sterke stem van het volk zijn het nu de progressieve filosofen die de invloed van het volk terug willen dringen en pleiten voor een 'vrijzinnig paternalisme’.
Dat vrijzinnig paternalisme moet een antwoord zijn op de huidige 'cultuurcrisis’ die volgens de directeur van het wetenschappelijk bureau van GroenLinks, Dick Pels, het gevolg is van de emancipatie van de burger. 'Die emancipatie heeft monsters gebaard. Moderne “dikke ikken” weigeren elke bemoeienis en verheffing. Als ik de absolute eigenaar van mijzelf ben, heb ik recht op alles wat ik verdien en ben ik niets aan anderen verschuldigd. Als ik de waarheid in pacht meen te hebben, hoef ik mij door niemand iets te laten zeggen en kan ik alles zeggen wat ik denk. (…) Als wij, het volk, soeverein zijn en de oerbron vormen van alle politiek gezag (power to the people) hebben wij het recht om onze duurbetaalde vrijheden te verdedigen tegen vreemdelingen “van buiten” en de elite “van boven”. Dit liberaal absolutisme dwingt progressieven om de ongemakken van de vrijheid ernstiger te nemen dan zij tot dusver hebben gedaan.’ Aldus Pels in zijn essay Naar een vrijzinnig paternalisme in het nummer van Socialisme & Democratie.
Progressieve partijen moeten zich volgens Pels nadrukkelijker als een democratische elite presenteren met vrijzinnigheid als Leitkultur. Die vrijzinnigheid betekent voor Pels 'dat men leert leven met openheid, pluralisme, flexibiliteit, ambivalentie en onzekerheid’, maar dat moet wel met een zekere dwang worden opgelegd: prostitutie moet door de overheid verboden worden, evenals drugs, en xenofobie. En daarmee is Pels weer terug bij Rousseau die de burger ook wilde dwingen vrij te zijn.