De japanse handreiking

Soekarno maakte liever geen ophef van de rol die een Japanner bij het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid speelde. Maar zonder admiraal Maeda was het er een stuk bloediger aan toegegaan. En was Indonesie een islamstaat geworden. Een reconstructie.
MET HAAR BEZOEK aan Indonesie tijdens de feestweek ter viering van de onafhankelijkheidsverklaring geeft koningin Beatrix impliciet te kennen dat Indonesie op 17 augustus 1995 vijftig jaar bestaat. En dat dat dus niet pas het geval zal zijn op 27 december 1999, wanneer het vijftig jaar geleden zal zijn dat haar moeder in het paleis op de Dam de soevereiniteit over Nederlandsch-Indie aan de Republiek Indonesie overdroeg. Als de koningin tijdens haar bezoek in Jakarta een krans legt bij het onafhankelijkheidsmonument in Jalan Proklamasi, zoals haar gastheren waarschijnlijk verwachten, dan houdt dat tevens een expliciete erkenning in van het vijftigjarig bestaan van Indonesie. Hoe is de onafhankelijkheidsverklaring van 17 augustus 1945 tot stand gekomen en hoe is er door degenen die erbij betrokken zijn geweest, op gereageerd?

Over de eerste Nederlandse reactie op de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesie kunnen we kort zijn. Pas een maand later drong het bericht ervan tot de Nederlandse krantelezer door. Op maandag 17 september kon deze in het Algemeen Handelsblad lezen dat in Indie een ‘zogenaamde repoebliek’ was uitgeroepen door Soekarno 'als president’ en 'een zekere Matta Hatta als vice-president’.
De berichtgeving gaf de stemming weer van Nederlanders in Indie die uit de gevangenkampen Batavia begonnen binnen te druppelen en die het hele onafhankelijkheidsgedoe als een 'stamboel’ afdeden, een komisch stuk van twee heren. De reactie van de Indonesische bevolking op de onafhankelijkheidsverklaring was heel anders. Dat had de Nederlanders moeten waarschuwen.
VANDAAG DE DAG is algemeen bekend dat de inderdaad wat operetteachtig aandoende onafhankelijkheidsproclamatie in Indonesie zelf een geweldige impact heeft gehad. Het bericht ervan werd door Indonesiers, werkzaam bij het Japanse persbureau Domei, nog dezelfde dag in radiouitzendingen over de hele Indische archipel verspreid en bracht op vele plaatsen juichende en feestende menigten op de been. Daarna bleek het gevoel van merdeka (vrij) niet meer uit te bannen uit de harten van de naar vrijheid hakende Indonesiers - door Nederlands legalisme noch door politionele acties. Minder bekend is dat een Japanner de onafhankelijkheidsverklaring heeft gered en ervoor heeft gezorgd dat de operette niet op een bloedbad is uitgelopen.
De gebeurtenissen die hebben geleid tot de onafhankelijkheidsverklaring, begonnen op 14 augustus 1945. Op die dag keerden Soekarno en Hatta terug uit Saigon, waar heen ze door de Japanse opperbevelhebber van Zuidoost-Azie, veldmaarschalk Terauchi, waren gecommandeerd. Terauchi had in zijn hoofdkwartier in Dalat de twee nationalistische leiders benoemd tot voorzitter respectievelijk vice-voorzitter van een 'Comite ter Voorbereiding van de Onafhankelijkheid van Indonesie’. Dit comite was het haastige vervolg op een enkele maanden eerder door de Japanners in het leven geroepen 'Orgaan voor het Onderzoek van Maatregelen ter Voorbereiding van de Onafhankelijkheid’. Dat orgaan bestond voor de helft uit Japanners en voor de helft uit Indonesiers, en werd naar zijn Javaanse voorzitter de commissie- Radjiman genoemd.
Bij zijn terugkeer in Batavia zei Hatta tegen Sutan Sjahrir dat het nu nog maar een kwestie van dagen kon zijn voordat Japan Indonesie onafhankelijk zou verklaren. Sjahrir, de derde nationalistische leider van Indonesie die, anders dan Soekarno en Hatta, tegenover de bezetter een gepaste afstand had bewaard, had onderwijl gehoord van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki en vermoedde dat Japan op het punt stond te capituleren. Tegen Hatta voer Sjahrir uit dat Soekarno en hij zich in Vietnam in de luren hadden laten leggen en dat het hele comite waar de Japanners nu ineens mee aankwamen 'zwendel’ was. De Jap had volgens hem in Indonesie niks meer in de melk te brokkelen. Sjahrir bezwoer de twee andere leiders nu meteen de onafhankelijkheid uit te roepen, zonder de Japanners daarin te kennen. Hij zou ter ondersteuning daarvan een demonstratieve optocht van de pemoeda’s - de jongeren - organiseren.
Soekarno vond dat Sjahrir de situatie verkeerd inschatte. Volgens hem stond Japan er helemaal niet zo slecht voor. Hoe dan ook wenste hij eerst met de Japanse autoriteiten in Batavia te overleggen alvorens het vermetele voorstel van Sjahrir in overweging te willen nemen.
Boeng Karno was in de vooroorlogse jaren van nationalistische bewustwording, die door het Nederlandse koloniale regime krachtdadig was onderdrukt, tot de afgod uitgegroeid van de Indonesische massa, vooral op het platteland. Sjahrir was in de bezettingsjaren het idool geworden van de jongeren in de steden, studenten vooral, die met toenemende ergernis de samenwerking van Soekarno met de Japanners hadden gadegeslagen. Sjahrir probeerde het initiatief in handen te houden en liet zijn luitenants onder de pemoeda’s een demonstratieve optocht voorbereiden. Het sein voor de afmars zou de aankondiging van de onafhankelijkheidsverklaring zijn.
In de loop van die vijftiende augustus verzamelden zich duizenden jongelui aan de rand van de stad, klaar om op te trekken naar het Ikedaplein (het voormalige Koningsplein) in het centrum van Batavia. Onderwijl had Sjahrir een onafhankelijkheidsverklaring op papier gezet, die Soekarno om vijf uur die middag op het plein tegenover station Gambir zou moeten voorlezen (de tekst daarvan is verloren gegaan). Soekarno liet echter weten dat hij nog niet klaar was met zijn consultaties en een dag uitstel wilde. De optocht werd inderhaast afgeblazen.
De onderlinge verhoudingen tussen de nationalistische leiders werden er niet beter op. Sjahrir schold Soekarno uit voor bantji, een hoerige travestiet. Hatta las op zijn beurt de jonge luitenants van Sjahrir de les en waarschuwde dat wat Sjahrir wilde zo iets was als 'de Hitler-putsch in 1923 in Munchen’.
HET VERLOOP VAN de gebeurtenissen kreeg daarna iets operetteachtigs. De vijftiende zocht Soekarno naarstig contact met de gunseikan, de Japanse bevelhebber op Java, om deze te vragen of Indonesie zich onafhankelijk mocht verklaren. Maar Yamamoto gaf niet thuis. De pemoeda’s, die elkaar ontmoetten in het huis jalan Menteng Raya 31, werden het geaarzel en gebedel moe. Hun leiders, Chairul Saleh, Soebadio, Soebianto, Darwis, Koento en Wikana namen in de loop van die dag het krachtdadige besluit om van Soekarno te eisen dat hij nu meteen de onafhankelijkheid uitriep, los van de Japanners. Een delegatie, met Wikana en Darwis als woordvoerders, toog naar het huis van Soekarno, enkele straten verder in Menteng. Daar troffen ze naast Soekarno en Hatta oudere Indonesische nationalisten aan die zitting hadden in het door de Japanners in het leven geroepen onderzoeksorgaan, dat zich inmiddels conform Terauchi’s wens tot voorbereidingscomite had omgedoopt. De ouderen verklaarden de jonge leiders voor gek en verweten hun op een chaos aan te sturen. Gefrustreerd en vernederd verlieten de jongeren Soekarno’s huis en zochten hun toevlucht in het naburige cafe Hawaii.
Hier ontstond al pratend het plan de twee leiders Soekarno en Hatta te ontvoeren, de demonstratie bij station Gambir in de nacht van de zestiende op de zeventiende augustus te houden, en om Soekarno te dwingen op het plein de onafhankelijkheid van Indonesie af te kondigen. Onduidelijk is welke rol Sjahrir in dit stadium heeft gespeeld. Toen enkele cafegasten zich bij hem thuis vervoegden en hun plannen ontvouwden, heeft Sjahrir naar eigen zeggen verklaard dat hij er weinig heil in zag, maar dat hij ze niet wilde tegenhouden. Kennelijk heeft hij nog de suggestie gedaan zijn twee rivalen te ontvoeren naar de barakken van een bataljon van de Peta - het door de Japanners in het leven geroepen Javaanse leger - in Rangasdengklok, zestig kilometer ten oosten van Batavia. Daarna heeft Sjahrir zich wrokkig teruggetrokken, zonder zich nog met het verloop van de gebeurtenissen te bemoeien.
DE PEMOEDA’S WISTEN beslag te leggen op enkele auto’s, drongen die vijftiende in de namiddag Soekarno’s huis binnen en ontvoerden hem en Hatta naar Rangasdengklok. Als we Soekarno mogen geloven, raakte hij van de kidnappers niet erg onder de indruk. Achteraf heeft hij tegen Muriel Pearson - een Brits-Amerikaanse, die in een vroeg stadium de kant van de Republiek koos en die onder de naam 'Surabaya Sue’ enige bekendheid zou verwerven als radiospreekster van de Republiek - gezegd: 'Ik had die jongelui over de knie kunnen leggen en ze een pak voor de broek kunnen geven; ze waren kinderen van vrienden van mij en ik kende ze van kindsbeen af.’ Hij wilde ze naar zijn zeggen echter hun idealistisch enthousiasme niet ontnemen.
Soekarno’s echtgenote Fatmawati, die met haar pas geboren zoon Guntur op de arm eveneens was ontvoerd, was kennelijk evenmin onder de indruk. Roeslan Abdulgani hoorde later van haar dat ze in de loop van de zestiende, toen ze met zijn allen in het geisoleerde plaatsje zaten te wachten - niemand wist eigenlijk nog waarop - enkele van de ontvoerders op pad heeft gestuurd om voor baby Guntur ergens melk en luiers te bemachtigen. Toen de jonge revolutionairen laat in de middag terugkeerden van Buitenzorg, waar ze eindelijk de melk en luiers hadden gevonden, had de situatie in het ontvoeringsbivak in Rangasdengklok zich dramatisch gewijzigd. Er was een afgezant uit Batavia gearriveerd, die duidelijk maakte dat de twee ontvoerde leiders zo snel mogelijk naar Batavia moesten worden teruggebracht.
Was het scenario van de pemoeda’s gevolgd, dan was er alle kans geweest op een bloedige ontknoping; het Japanse leger had de nachtelijke demonstratie bij station Gambir ongetwijfeld met geweld uiteengeslagen. Op een beslissend moment heeft echter de Japanner Maeda ingegrepen.
Admiraal Maeda was de verbindingsman in Batavia tussen het Japanse leger en de Japanse marine. Hij beschikte daarvoor over de Kaigun Bufanku - een kleine staf van marinemensen, gevestigd op het Ikedaplein bij station Gambir - die hem zeer waren toegedaan. Een van Maeda’s stafleden, Nishijima Shigetada, heeft in zijn autobiografie de doorslaggevende rol van Maeda in die bewogen dagen uit de doeken gedaan. Nishijima zelf had vanaf 1937 in Soerabaya gewoond, waar hij werkzaam was in het Japanse warenhuis Chioda Hyakatten. Hij had zich het Indonesisch en Nederlands eigen gemaakt en was zich naar eigen zeggen als lid van de Japanse vijfde colonne, de dai-goretsu katsudo, voor het Indonesische nationalisme gaan interesseren.
Evenals in Tokyo heerste er in Indonesie een spanning tussen leger en marine. Het Japanse leger controleerde Java en Sumatra, de Japanse marine de rest van de archipel. In marinekring bestond een sympathie voor onafhankelijkheidsbewegingen in het Groot-Aziatische rijk, die bij het leger ontbrak. Maeda was de belangrijkste Japanse ijveraar voor de onafhankelijkheid van Indonesie. Hij wilde hiermee iets nalaten, waarvoor het land hem, zo hoopte hij, later dankbaar zou zijn.
De admiraal moest manoeuvreren binnen de smalle marges van de zogenaamde Koiso-verklaring. Op 8 september 1944 had de Japanse premier Koiso aan door Japan bezette landen een vaag perspectief op onafhankelijkheid aangereikt, zonder een datum te noemen. Op grond van de Koiso- verklaring had Maeda met zijn staf in oktober 1944 in Jakarta een soort kostschool opgericht voor jonge Indonesische nationalisten, Asrama Indonesia Merdeka geheten. De jongelui leerden er Japanse vechtsporten, en kregen er van leraren als Soekarno en Hatta evenals Sutan Sjahrir les in nationalisme. Maeda en zijn staf hadden daarmee vertrouwde pemoeda-leiders om zich heen verzameld.
OP 15 AUGUSTUS wist admiraal Maeda wat de Indonesische leiders nog niet wisten: dat Japan had gecapituleerd en dat de Japanse autoriteiten van de geallieerden opdracht hadden gekregen in de door Japan bezette landen de status quo te handhaven. Hij besefte daarom dat, ondanks Terauchi’s toezeggingen, de kans op een Japans initiatief tot het onafhankelijk verklaren van Indonesie uiterst klein was geworden. Zonder dat hij Soekarno en Hatta had ingelicht over de nieuw ontstane situatie, had Maeda met hen afgesproken dat ze het voorbereidingscomite zouden bijeenroepen voor een bijeenkomst op de zestiende om tien uur ’s ochtends. Hij wilde, voordat de oekaze van de geallieerden effectief zou worden, op de een of andere manier - welke wist Maeda op dat moment kennelijk zelf nog niet - tot een onafhankelijkheidsverklaring komen.
Tot zijn schrik hoorde Maeda de zestiende ’s ochtends dat Soekarno en Hatta waren verdwenen. Aanvankelijk vreesde hij dat het leger lucht had gekregen van zijn plan en dat de twee leiders door het leger waren ontvoerd. Toen hij zich echter bij de gunseikambu, het legerhoofdkwartier, vervoegde, hoorde hij dat men daar van niets wist. Dat de twee Indonesische lastposten van het toneel waren verdwenen, vonden ze daar overigens prima.
Daarop stuurde Maeda zijn adjudant Nishijima erop uit om de verblijfplaats van Soekarno en Hatta te achterhalen. Nishijima ging naar het hoofdkwartier van de pemoeda’s in Jalan Menteng en begreep na uren praten met Wikana wat er was gebeurd. Maeda, door zijn adjudant op de hoogte gesteld, begreep onmiddelllijk welke gevaarlijke gevolgen het onbezonnen plan van de pemoeda’s kon hebben. Hij wist een van de samenzweerders, Jusuf Koento, ertoe te bewegen een vertrouwde pemoeda van de Asrama, Subardjo, naar de ontvoerden te brengen.
Het tweetal arriveerde laat in de namiddag in Rangasdengklok. Twee uur lang praatte Soebardjo op de ontvoerders in. Om acht uur ’s avonds waren ze eindelijk bereid Soekarno en Hatta naar Batavia te brengen, naar de woning van Maeda, het huidige Jalan Iman Bontjol 1.
Toen de deputatie daar om elf uur arriveerde, hadden zich in het huis van de admiraal al de leden van het comite verzameld, alsmede Maeda’s staf. Weldra stroomden ook verscheidene pemoeda’s naar de gastvrije woning van de Japanner. Al meteen ontstond dezelfde spanning tussen de jongeren en de ouderen als de dag daarvoor bij Soekarno thuis had geheerst. Maeda verdeelde de twistende groepen over de kamers van zijn villa, terwijl zijn stafleden als verbindingslieden tussen hen optraden.
INTUSSEN WAS MAEDA zich bewust geworden van het dreigende gevaar van de om een uur die nacht geplande demonstratie bij Gambir. Hij stuurde Nishijima en twee van de pemoeda-leiders, Soekarni en Melik, op pad om de demonstratie af te gelasten. Ze gingen volgens Nishijima eerst langs op Jalan Menteng 31 en daarna naar het studentenhuis van de medische hogeschool in Parapatan, waar de trucks met gewapende en strijdlustige studenten al klaarstonden. Tenslotte haastten ze zich naar het Ikedaplein, want onderdeel van de demonstratieve actie bleek ook nog te zijn de bezetting van het radiostation aan het plein.
Het radiogebouw bleek zwaar bewaakt door militaire politie. Roepende en wenkende vanaf het trottoir wisten ze de aandacht te trekken van pemoeda’s binnen in het gebouw. Soekarni schreeuwde hen toe dat de bezetting niet doorging. Op het geschreeuw stormde de Kempetai, de Japanse geheime politie, naar buiten en pakte samen met de twee Indonesische pemoeda’s adjudant Nishijima in de kraag. Deze wist zijn cipiers er echter toe te bewegen Maeda te bellen, die de Kempetai opdracht gaf de drie onmiddellijk vrij te laten.
Intussen was in Maeda’s huis Soekarno weer gaan aarzelen. Hij durfde zonder de toestemming van het leger een onafhankelijkheidsverklaring niet aan. Maeda belde de bevelhebber generaal Yamamoto en vroeg deze naar zijn huis te komen om de zaak te bespreken. De legergeneraal weigerde echter zich door een marineman te laten commanderen en gooide woedend de hoorn op de haak. Daarop besloot Maeda samen met Soekarno en Hatta naar de chef-staf, majoor-generaal Nishumura, te gaan en diens medewerking te vragen. Nishumura beriep zich echter op de geallieerde oekaze tot handhaving van de status quo en weigerde zich met de onafhankelijkheidsverklaring in te laten. Ten slotte wist de onvermoeidbare Maeda een civiele figuur van het legerhoofdkwartier, Miyoshi, te overreden aanwezig te zijn bij de bespreking van de onafhankelijkheidsverklaring in zijn huis. Deze had het na de capitulatie van Japan op een drinken gezet en was volgens Nishijima zo tipsy dat hij nauwelijks wist wat er gaande was. Miyoshi werd echter de legergetuige van de gebeurtenissen van die nacht, al heeft hij nauwelijks een mond opengedaan.
Na deze voorbereidingen kon omstreeks twee uur de bespreking van de onafhankelijkheidsverklaring beginnen. Er ontstond een hectische uitwisseling van ontwerp-verklaringen tussen de over huize Maeda verspreide groepen - de jongeren weigerden met Japanners aan een tafel te zitten. Tegen de ochtend circuleerde door de kamers beneden en boven een tekst die voldoende supporters achter zich leek te krijgen. Deze luidde: 'Het Indonesische volk verklaart zich hierbij onafhankelijk. De bestaande administratieve diensten moeten de bezetter uit han den worden genomen. Kwesties betreffende de overdracht van bevoegdheden en andere zaken moeten op ordelijke manier en op zo kort mogelijke termijn worden afgedwongen.’
Toen greep Maeda in. Als zo boud zou worden gesproken van 'uit handen van de bezetter nemen’ en 'worden afgedwongen’, vreesde hij een ingrijpen van het leger. 'Uit handen genomen’ werd daarop 'overgedragen’ en 'worden afgedwongen’ kreeg de neutrale omschrijving 'worden uitgevoerd’. Toen kon Soekarno eindelijk de eindtekst aan de partijen voorleggen. De voorzichtige voorzitter van het comite, Radjiman, vroeg bezorgd of Yamamoto wel met deze tekst zou instemmen. De pemoeda’s vonden het echter maar een slap stuk, omdat iedere 'revolutionaire bezieling’ ontbrak.
Even leek het erop dat de discussies weer van voren af aan zouden beginnen. Maar nu grepen enkele bapaks, vaderlijke ouderen, in en verklaarden dat het zo maar moest gebeuren. De bespreking werd daarop beeindigd.
Ter voorkoming van nieuwe irritaties van het leger werd besloten om het proclameren van de onafhankelijkheid low profile te houden. Soekarno zou om tien uur bij hem thuis in de voortuin de eindtekst voorlezen. Thuisgekomen ontdekte de president in spe dat er iets belangrijks aan de plechtigheid dreigde te ontbreken: een vlag. Inderhaast heeft Fatmawati uit een rode bloes van haarzelf en een wit hemd van haar man een vlag genaaid.
DE OCHTEND VAN de zeventiende was de chaos compleet. Volgens generaal Nasution begon het ermee dat een voortvarende commandant van een Petabataljon de onafhankelijkheid bij het ochtendappel al wereldkundig maakte. De meeste Indonesiers verzamelden zich omstreeks tien uur bij station Gambir, in de verwachting dat daar de onafhankelijkheid zou worden geproclameerd. Het handjevol dat in huize Maeda aanwezig was geweest toen daar de laatste afspraken werden gemaakt, toog echter naar het huis van Soekarno in Jalan Pangasaan Oost 56, tegenwoordig Jalan Proklamasi genaamd.
Soekarno, die hen daar opwachtte, was in alle staten. Wie maar niet verscheen, was pak Hatta. Soekarno dacht dat deze, de wraak van Yamamoto vrezend, hem in de steek had gelaten. Pas vijf voor tien kwam Hatta aangekuierd. Tegenover de geagiteerde Soekarno excuseerde hij zich met te zeggen dat hij een man was van de klok: tien uur betekende voor hem tien uur en niet half tien. Waarschijnlijk was Hatta opgehouden door Maeda. De Japanner heeft de zeventiende augustus nog een belangrijke ingreep gedaan in het ontstaan van de nieuwe Republiek.
Al in een eerder stadium had Soepomo, een jurist uit de adat-rechtsschool van Van Vollenhoven, een grondwet voor de Republiek ontworpen, die in juni 1945 aan de commissie-Radjiman was voorgelegd. Over dit ontwerp was een ernstig conflict gerezen tussen degenen die een islamitische staat wilden vestigen, en de leidende nationalisten en de Japanners, die hiervan niets wilden weten. Ter oplossing van het conflict was een verzoeningscommissie in het leven geroepen onder voorzitterschap van Soekarno. Deze had na moeizame onderhandelingen een compromis bereikt, dat bekend staat als het Jakarta-Charter van 22 juni 1945. Op grond van dit compromis zou aan de grondwet van Soepomo worden toegevoegd dat iedere Indonesier gebonden zou zijn aan de islamitische wetgeving en dat alleen een islamiet president van Indonesie zou kunnen worden.
Die zeventiende augustus vertelde Maeda aan Hatta dat christelijke groeperingen op Sumatra en op Celebes contact met hem hadden gezocht en hadden verklaard zich niet achter de grondwet en daarmee achter de Republiek te zullen scharen als die moslimbepalingen in de grondwet werden opgenomen. Maeda adviseerde ervan af te zien.
Na dit alles viel de Onafhankelijkheidsverklaring op 17 augustus 1945 sober uit. Soekarno verklaarde in zijn voortuin: 'Wij het volk van Indonesie proclameren ons hierbij onafhankelijk. Zaken betreffende de overdracht van bevoegdheden en andere zaken zullen op ordelijke wijze en zo spoedig mogelijk worden uitgevoerd.’ De datum die het, compleet met doorhalingen, bewaard gebleven stuk draagt is 7-8-'05, verwijzend naar de Japanse jaartelling, die op dat moment tot het jaar 2605 was gevorderd. Daarna werd aan een bamboestaak de vlag van Fatmawati gehesen en zongen de aanwezigen het Indonesia Raya.
DE DAG ERNA werden Soekarno en Hatta benoemd tot president en vice-president van de jonge Republiek en werd de grondwet afgekondigd. In de euforie van de net geproclameerde onafhankelijkheid wilde men het christelijk deel van de natie niet van zich vervreemden, en de gewraakte bepalingen werden niet opgenomen.
De vlag die Fatmawati in de vroege ochtend van 17 augustus 1945 in elkaar heeft geflanst, is een relikwie geworden, die bij de vijftigjarige herdenking eerbiedig voor de dag zal worden gehaald. Het rood-wit van deze vlag wappert thans dan ook van Sabang tot Merauke - precies als bung Karno het na de onafhankelijkheidsproclamatie aan zijn volk had beloofd.
Men zal in Jakarta tevergeefs zoeken naar een standbeeld van Maeda of zelfs naar een straat die naar hem is genoemd. Ook bij de herdenking van het vijftigjarig bestaan van Indonesie zal zijn naam niet worden genoemd. Aanhangers van Soekarno, door Nederland als Japanse collaborateur gebrandmerkt, hebben er geen behoefte aan wereldkundig te maken dat een Japanse admiraal de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring heeft gered. En het Soeharto-regime voelt er niets voor kenbaar te maken dat door het ingrijpen van de Japanner Maeda het ontstaan van een islamstaat is voorkomen.