‘t Hart, Van Dis, Wiarda, Groenier

De jaren gewoon

In de literatuur van vandaag wordt opvallend vaak teruggeblikt op de jaren zeventig. Dat decennium heette eerst het saaiste aller tijden, later kreeg het heuse revival. Boeken van nu over de tijd van toen.

ABBA, QUEEN, SWEET, Mud, KC and the Sunshine Band, en everybody is kung fu fighting. Wijde pijpen, lange haren, bakkebaarden en overal bloemen. Krappe bloesjes met maffe bloemetjes, en alles glittert.


Gary Glitter, David Bowie, Marc Bolan en T Rex, Alice Cooper, Kiss — en dan wordt alles symfonisch, dan wordt alles Electric Light Orchestra en Supertramp en Genesis en Emerson, Lake and Palmer. De synthesizer piept en pruttelt — trage golven onderwatergeluid van Klaus Schulze en Tangerine Dream. Experimenten met geluid, met instrumenten. Experimenten met traagheid, vooral. Muziek is techniek. Popmuziek is elektronica. Geen sterren maar techneuten. En wij, jongeren, kinderen eigenlijk, proberen het mooi te vinden want je moet toch iets mooi vinden.


Maar aan Yes is niet veel te playbacken. En dan wil je wel maar dan kun je niet. Met een achter een Korg weggekropen toetsenist met nerd-bril kun je je niet identificeren, dus doe je maar een stapje terug in je enthousiasme. Als het zo moet…


Want wij pubers willen opwinding. Pubers willen altijd, overal opwinding. En terecht. Pubers hebben recht op opwinding.


Dus maar iets anders. Als de popmuziek zo saai is, dan is het misschien te vinden in de literatuur.


De literatuur begint in de jaren zeventig voortvarend: met een heus manifest, inderdaad het Manifest voor de jaren zeventig, van Peter Andriesse en Hans Plomp. Men pleit voor het gewone, maar dan in iets minder gewone woorden. Literatuur beschrijft de wereld, maar de fantasie mag niet vergeten worden. De jaren zestig zijn geweest (met Barbarber, vooral, en de ontdekking van het onontdekte, met liefde voor de betekenis van het onbetekenende), en hoopvol poneert men dat er een nieuwe tijd ging aanbreken. Alles moet anders, dat spreekt vanzelf. Hoe het werkelijk zou worden, dat bleek pas aan het einde van het decennium.



DE LITERATUUR VAN de jaren zeventig is sinds Jeroen Brouwers het tijdperk van de jongetjesliteratuur. Eind 1979 schreef Brouwers zijn fameuze en nog steeds vlijmscherpe ‘Nieuwe Revisor’, waarin hij het voorbije decennium evalueerde en definitief een achterafplaats in de historie gaf.


‘In de Nederlandse literatuur was dit het decennium van duisternis en druil, — schijntalenten, roestigheid, verval, verrotting, schimmelziekte, dodelijke vermoeidheid, en de P.C. Hooftprijs voor “de Vijftigers”. Dit was het decennium van Guus Luijters en zijn makkertjes: het decennium van onvolwassenheid en infantiliteit, “nostalgie” naar het voorbije, “jeugdsentiment”, het schooljongensgeschrijf, de “leesbaarheid”, de programmaloze grappenmakerij, het risicoloze “gewoon doen”. Het decennium van de verkakeling en de verkokkeling, het oceaangelijke geouwehoer, het vertrek van Gerard Reve en Willem Frederik Hermans naar den vreemde, de vermoeidheid van Kees Fens, de finale ondergang van de Vlaamse literatuur, de voortschrijdende verlullenis van de literaire kritiek, en de Dood in de Pot. (…) Het decennium dat werd verkoekebakt en verkakkebroekt door de grenzeloze overgaping door Guus Luijters cum suis van schrijvers als Theo Thijssen en Nescio, — welke beiden zijn gaan gelden als grote godheden van de makertjes van de jongensliteratuur der jaren zeventig, in de schaduw van welke godheden de klaarte van échte literaire grootheid volslagen zoek is geraakt, en in de papperige mist van welke jongensliteratuur alle uitingen van écht en volwassen talent dreigden te verstikken. Dit was het decennium dat zeer toepasselijk werd afgesloten met Het Jaar Van Het Kind.’


De jaren van het grote gapen, zo lijken de seventies uit Brouwers’ tirade op te doemen. Het vermoeiende terugblikken op ‘vroeger’, de nostalgie naar de jaren vijftig, dat, noteert de grote brombeer: ‘niets anders is dan regressie, conservatisme en struisvogelangst voor de tijd van nu.’



OF HET UIT struisvogelangst voor de tijd van nu is of niet, de literatuur van dit moment lijkt een voorliefde te hebben voor de jaren zeventig — zoals in 1979 geconstateerd werd dat de jaren vijftig volop in de aandacht stonden (literatuur is een draaideur, zei Kees Fens). Neem de roman Bleu van Anne Wiarda, haar debuut. Daarin beschrijft ze de coming of age van het meisje Vera, in de wereld van de Haagse chic. Dat is de wereld van het oude geld, het conservatisme, de wereld van hockey, loden jassen en regimenten schotse broekrokken. Rechts en behoudend, dat milieu, dat weet iedereen. Edoch, er is het meisje Ada, Vera’s vriendin, die een drastische wijziging aanbrengt in de loop der dingen.


Tot voor kort is Ada altijd net als haar ouders geweest: rechts en truttig, benepen en conservatief. Plooirokje, parelkettinkje, we kennen het wel. Maar Ada vindt dat er van alles anders moet.


‘“Ik ben links”, zei Ada. Het woord werd scherp gearticuleerd, met sissende medeklinkers aan het eind die in de stille middag nog even bleven hangen. Wat het woord precies betekende wilde Ada niet zeggen. Het moest voor zichzelf spreken. Na enig aandringen was Ada toch bereid een verklaring af te leggen.


“Links”, zei ze plechtig, “beperkt zich niet tot een politieke voorkeur of een politieke partij.” Het ging veel en veel verder. “Links” betekende een radicale wending in de manier van denken en doen die zich uitkristalliseerde in een nieuwe levenshouding waarin mens en maatschappij opeens heel andere contouren kregen. Het was alsof er een heftige chemische reactie had plaatsgevonden waarbij recessieve stoffen waren vrijgemaakt die nu zonder enig beletsel naar de oppervlakte bewogen en zich daar een plaats veroverden; de lakmoesproef van een maatschappij in beweging. Dit alles werd in één woord samengevat, met zo’n stellige overtuiging dat één syllabe volstond: “links”.’


Een maatschappij in beweging — zou Nederland dat in de jaren zeventig werkelijk zijn geweest? En wat bewoog er dan? De grote chroniqueur van de jaren zeventig is natuurlijk A.F.Th. van der Heijden, die in zijn cyclus De tandeloze tijd het decennium beschrijft door de ogen van protagonist Albert Egberts. Van der Heijden kan over een dode boterham een meeslepende roman schrijven, dus onder zijn pen lijken die jaren inderdaad wel spannend: betrokken bij alles, bij elke hobbel in het poldervlakke landschap van het Holland van toen, deelnemend aan of toeschouwend bij demonstraties, krakersrellen en explosieve troonbestijgingen — Albert Egberts ís de jaren zeventig. Maar uiteindelijk blijft hij toch een buitenstaander, iemand die op het beslissende moment een stapje terugdoet, en in de eerste plaats zijn eigen belangen dient.



ANDERHALF JAAR geleden was er opeens sprake van een ‘seventies-revival’. Het tijdperk dat altijd was doorgegaan voor het saaiste en matste decennium van de twintigste eeuw, bleek plots veel inspiratie te bieden. Ad Visser en Toppop was camp, Penny de Jagers showballet was camp, en ‘Perfect Day’ van Lou Reed werd door Joost Zwagerman uitgeroepen tot ‘meezinger’ en ‘echt feel-good-liedje’. Met een glimlach keken we terug, en de glitter van toen werkten we vloeiend om tot supercamp van nu.


In De Groene Amsterdammer schreef René Zwaap in juni 1998 dat het collectieve heimwee naar de jaren zeventig hogelijk werd onderschat. Vooral onder dertigers was er sprake van een schier onbevredigbare vraag ‘naar boeken, speelgoed, films uit de jaren zeventig. Er wordt zelfs gewag gemaakt van een soort infantilisering, een collectieve regressie van een hele generatie tegelijk.’


Turbo-nostalgie, noemt Zwaap het, een opgevoerde versie van een gevoel dat eigenlijk was voorbehouden aan de oudere medemens. Het heimwee naar de seventies kon worden gezien als een poging tot correctie. ‘Door terug te gaan in de tijd probeert een hele generatie van getraumatiseerde welvaartskinderen de gigantische krater te dempen die de jaren tachtig hebben geslagen in hun persoonlijke en maatschappelijke leven.’


Het doet wat vreemd aan om de jaren zeventig in retrospectief op te waarderen. Het is nogal geforceerd om er een camp-tijdperk van te maken en het aldus nog enige glans te geven, glans die die jaren niet hadden voor degene die ze live meemaakte.


De tijd dreef geruisloos voorbij, en ik dobberde mee op haar trage golfslag. Begon bijna te geloven dat het leven kalm en saai was, doel- en zielloos als de muziek van het Electric Light Orchestra en Supertramp. Gelukkig werd het 1977, en daarna ging alles vanzelf.


De punk kwam over de aarde en de wereld leek een stuk leuker. Dingen waren goed of slecht, en dan heel erg goed of heel erg slecht — niet langer dat suffe slappe dat alles moest mogen en dat alles wel oké was en dat overal over te praten was en dat er altijd wel een oplossing, een compromis gevonden kon worden. Nee, niet langer instemmend knikken en mm-mm’en. Niet langer accepteren en laveren en tot elkaar komen op de gulden middenweg. Nu boos worden en schelden en afwijzen en nee schudden en schoppen en trappen en uit elkaar drijven naar twee zeer verschillende kanten. Er was voor ons geen toekomst meer. Wie jong was, werd boos. De jaren zeventig zouden eindigen in het begin van 1980, toen Beatrix de troon overnam van haar moeder en Amsterdam ontplofte onder krakersrellen. Hoe harder de koningin ‘Zojui-sssstt’ siste, hoe meer bommen ontploften.


Het leven begon te leven, eindelijk.


En ik was niet eens een meisje. Of een vrouw.



DE JAREN ZEVENTIG zijn in de eerste plaats het tijdperk van de vrouw. De Internationale Dag van de Vrouw werd geboren. Dat weet Germaine Groenier als geen ander. Groenier, jarenlang radiomaakster voor de VPRO, schreef de — autobiografische — roman Vijf dagen bedenktijd, waarin ze terugblikt op een veelbewogen periode in onze geschiedenis, die ze zelf vanaf de frontlinie meemaakte. (Velen zullen zich Groenier herinneren als de vrouw met die stem die op vrijdagavond live op de radio per telefoon luisteraars van hun seksuele problemen afhielp. Dat deed ze op zo’n baanbrekend openhartige en plastische manier dat de blote borsten van Phil Bloom erbij verbleekten als het op taboedoorbreken neerkwam.)


In Vijf dagen bedenktijd wordt Caro, een gewezen Dolle Mina, op een dag verrast door een telefoontje van haar dochter. Ze is zwanger, meldt het lieve kind, en wil een abortus laten plegen. Caro heeft jarenlang gestreden voor het recht op abortus, voor baas in eigen buik zijn. Nu haar dochter haar confronteert met een concrete zwangerschap, die concreet ongewenst is, ziet ze zich gedwongen haar idealen van vroeger opnieuw onder de loep te nemen.


Aan de telefoon:


‘“Ik ga abortus plegen.” Ze stoot het eruit.


“Hè?”


Ik ben totaal verrast, dit had ik nooit verwacht. Ze heeft me altijd verzekerd nog geen kinderen te willen, ze trof haar maatregelen.


“Ja, dat had je niet verwacht, hè?”


“Jezus, dat kun je wel zeggen ja. Maar Mar, je was toch aan de pil?”


(…)


“Zal ik straks terugbellen?”


“Nee! Toe maar, vertel.”


Ik rook terwijl ik probeer te luisteren. Mijn hoofd bonkt, mijn hart ook. Ik ben geschrokken. Ik wil haar vragen waarom ze het wil doen. Weet ze het wel zeker? Is die beslissing niet te haastig genomen? Haar verhaal dringt tussen de ongestelde vragen door mijn hersenen in.


Ze wist het nog niet zo lang, zegt ze, ze lette niet echt op haar ongesteldheid, ze slikte immers de pil. Toen ze klaagde over misselijkheid, maakte een vriendin haar opmerkzaam op de mogelijkheid van zwangerschap. Een predictortest was positief. Er volgde een afspraak bij de huisarts, MR ’70 en het ziekenhuis. Ze kreeg vijf dagen bedenktijd.


(…)


Ik zie een enorme schoenenwinkel in New York. Ik was er zo’n tien jaar geleden voor mijn werk en de meiden hadden me opgedragen de daar veel goedkopere All Star-gympen voor ze mee te brengen. Tussen de overvloed aan schoeisel en gympen kon ik het niet nalaten om ook een minuscuul maatje mee te nemen.


“Kijk eens, voor mijn eerste kleinkind”, zei ik trots terwijl ze hun gympen uitpakten en aanpasten. Ze lachten uitbundig om zo veel naïviteit.


“Nou, daar hoef je voorlopig niet op te rekenen! Leg die maar lekker onder in je boot.”


Ik moest er zelf ook om lachen, want het laatste wat ik wilde was ze onder druk zetten om kinderen te krijgen. Zij moesten het anders doen dan ik en ik wist heel goed dat ze nog helemaal niet aan kinderen moesten denken — lang leve de pil! — en misschien wel nooit. Ik was zo vertederd geweest bij die piepkleine, volmaakt gevormde gympjes, verdedigde ik, ik had het gewoon niet kunnen laten, en vervolgens borg ik de kleine schoentjes op onder het luik bij de boeken die ik nooit meer las, maar waar ik geen afstand van kon doen.’


Dochterlief zegt nog tegen haar moeder dat zij dat vroeger maar mooi hebben geregeld ‘voor ons’, die vrijheid van abortus en zo.


Dat hebben ze inderdaad maar mooi geregeld, die Dolle Mina’s, moet je concluderen als je Vijf dagen bedenktijd leest. Want het was niet makkelijk. In die tijd, de jaren zeventig, waren de verhoudingen nog zeer eenvoudig en eenduidig: hij was de baas en zij steunde hem. Hij werkte en zij deed het huishouden, en verzorgde de kinderen. Logisch dat er opstand kwam.


De manier waarop Germaine Groenier terugblikt doet de jaren zeventig herleven als een roerige tijd vol politiek engagement en seksenstrijd.



OOK ADRIAAN VAN Dis schotelt ons in Dubbelliefde iets dergelijks voor, al handelt de roman in de eerste plaats over de innerlijke strijd van een jongeman. Mijmerend over zijn jonge jaren herinnert hij zich hoe hij voor het eerst van zijn leven alleen ging wonen, hoe hij zelfstandig werd. In een kamer van tweeënhalf bij zes in de Eerste Jan Steenstraat, vierhoog achter — affiche van Reve trots aan de wand, foto van Baudelaire op de spiegel, een Surinaamse familie met wie hij de zolder deelt — denkt hij na over het leven. Hij drinkt koffie bij De Griek op de hoek, gefrequenteerd door vele echte Grieken. Die zetten ‘hun zelf meegebrachte plaatjes op, maar wat ze ook draaiden, een populaire Zorba-dreun of een langdradig lied, het klonk treurig, omdat de ogen onder die mutsen zo treurig keken. Veel bezoekers zaten er op werk te wachten, ze hadden zich ooit in hun armoe laten ronselen, een tijd in Duitse of Belgische mijnen gewerkt en daarna hun geluk hier gezocht, hoestend, drinkend, zingend en spelend met hun kralenketting, de zorgenkrans waarmee de dagen door hun vingers gleden… hoe lang al, hoeveel nog… nog een zomer en ze gingen naar huis. De oliekachel werd nog maar eens hoger gedraaid en de affiches met witte stranden en ruïnes rilden onder het plakband.’


De volwassen wordende student in spe ontdekt zijn vrouwelijke kant - die tot dan toe verborgen was gebleven, niet alleen bij hem, maar bij alle mannen: ‘Ik wilde zacht zijn, dansend zacht met vrouwen zijn, en ik wandelde naar de binnenstad en onderweg zag ik overal mooie vrouwen: winkelmeisjes in de tram. Opgedirkte vrouwen op het Rembrandtplein, die bil aan bil met mannen aan de bar zaten. En studentes in sta-cafés, kletsend met jongens in open winterjassen. (…) En dan die artistieke vrouwen met roodgeverfde lippen en donkere punten in de hoeken van hun mond… van de aangekoekte rode wijn; ze hingen aan mannen die niet eens naar hen keken.’


Er is veel te ontdekken. Niet alleen in zichzelf; er ligt een wereld open. De stad is van hem, moet van hem worden. De student Nederlands zal de stad gaan veroveren, zoals hij die ene vrouw zal veroveren.


‘Gauw naar buiten en verder dwalen door een nog te ontdekken stad. Een achterafstraat in, waar donkere hoeren tegen de gevels leunden, de ogen op mij gericht als getemde tijgers. En ik haatte alle mannen die daar langzaam in hun auto’s voorbijreden. Langs het Singel, waar jongens om de piesbak wiegden… welke helft boden zij? Door de Leidsestraat, waar de winkelruiten spiegels waren, voor vrouwen én mannen. Op het Leidseplein ging de bel voor een laatste ronde. Nozems stonden in de rij voor de dancings; bij het Lido morrelden corpsballen aan de sloten van hun fietsen, luid in gesprek over een verdomd gezellige avond. Aan de overkant liepen de zonnebrildragers met gekromde ruggen naar hun jazzclub. Max Heymans zag ik niet, niemand die bevallig met een stola of bontmuts langsliep, hoewel het er wel weer voor was. Bij de schouwburg laadden ze de decors weer in — bij welk gezelschap hoorde ik thuis?’


Ondertussen is de wereld iets wat verbeterd kan worden. En de universiteit is de aangewezen plek om daar een begin mee te maken. ‘Neerlandici eisen beter onderwijs. Dreigende staking bij Neerlandistiek. De banieren aan de gevel van ons instituut haalden alle kranten. Mijn studierichting was landelijk bekend. Een jaar daarvoor hadden studenten het Maagdenhuis bezet en nu dreigden wij ons eigen instituut te bezetten.’ En zij waren het linkst van allemaal. Ze hadden de hoorcolleges afgeschaft en de professoren naar huis gestuurd. Het was de tijd van inspraak en discussie. Autoriteit diende betwijfeld te worden. Studeren betekende in opstand komen. Inspraak en discussie. En democratisering. Studenten die communist werden en met arbeiders dweepten die ze nog nooit van dichtbij hadden gezien. Ze staakten voor verandering en ze kregen hun zin. Alles werd anders.



ALLES MOEST OOK anders, in de jaren zeventig. Politiek gezien was het net zo roerig, of onroerig als altijd. In Nederland tenminste. Over de grenzen was er meer om voor te vechten. Nederland is dan ook nooit zo solidair geweest als in de jaren zeventig. Solidair met alles wat en iedereen die ook maar een beetje werd onderdrukt of dwarsgezeten in enig buitenland. Sinaasappels en appels, wijn en benzine — boycotten die handel. Politieke correctheid boven alles.


Alles was politiek en politiek was alles. Maar als je nog jong bent, moet je daar maar net opkomen. Na verloop van tijd was het echter vrijwel onmogelijk de Outspan-vruchten te negeren, en daarmee het een of andere kolonelsregime in het een of andere verre land. Alles werd politiek, ook al vond je politiek niks.


Voor Kees ’t Hart betekenen de jaren zeventig de wereld van de Snip & Snap Revue. In zijn roman De revue keren we, hand in hand met de revuedirecteur, de beroemde komieken, de sketches, de kleedkamers en de dansmeisjes terug naar de tijd van het ongecompliceerde amusement.


‘Het ging niet om achtergronden of structuren bij de revue, vertelde hij zo ongeveer, maar om voorgronden en desoriëntatie, de voorbereiding tot de revue is niets, die moet verborgen blijven, zei hij, dat behoort tot de verzekeraars, mensen zoals jij en ik, de dorre takken, wij vertegenwoordigen het ingeslapene, de ontdane roes, de medewerkers op de planken waren verantwoordelijk voor de onverveling en de vonkideeën, ze brengen niet een schijnwereld op de planken, zei hij, daar ben ik van overtuigd, dat is voor de vlucht, ze brengen de halfslaap in vermomming. En het familierealisme.’


De revue vertegenwoordigt het amusement in een tijd dat nog niet iedereen voor de televisie hing. Alle rangen en standen gingen naar de revue van Snip & Snap, en men lachte hartelijk. Kom daar nu nog maar eens om.


Als er in de roman De revue sprake is van nostalgie naar vroeger, dan is het het verlangen om ergens bij te horen. Ook al heeft de hoofdpersoon ‘vroeger’ maar een paar weken bij de revue gewerkt, hij had in die tijd het gevoel ergens bij te horen, deel uit te maken van een groter geheel. Niet alleen te staan. Zijn verlangen naar de revue is niet in de eerste plaats gericht op de inhoud van het amusement, maar is vooral de wens een tijd te herbeleven waarin de dingen klopten, waarin het leven overzichtelijk en beschermd was. De jaren zeventig, dus.



DAT WE MEER dan eens de jaren zeventig tegenkomen in de hedendaagse Nederlandse literatuur is misschien niet zo verwonderlijk als we beseffen dat veel schrijvers die nu op gang beginnen te komen, het bewuste tijdvak hebben meegemaakt als adolescent. Opgegroeid in een wereld vol bruin en oranje (‘Hadden jouw ouders ook bruin-met-oranje gordijnen? De mijne ook! Nog steeds!’), vol Koude Oorlog, vol Ajax en Teach-In, groter worden op King Corn en Calvé, rondrennend op Puma’s of Adidassen, meezingend met Abba (altijd en overal Abba, het vleesgeworden bruin-met-oranje), met Shocking Blue en Middle of the Road, een goede naam voor een band die de middelmatigste der toegangelijkste eenhapswegwerpmuziek maakte, een goede naam ook omdat álles middle of the road was, doodgewoon, gewoner kon niet — en dat is precies wat de jaren zeventig waren: gewoon.


De seventies als hoeksteen van de Nederlandse cultuur. Want zo willen wij Hollanders het zien, zo willen we het hebben: egaal, vlak, zonder al te veel oprispingen en verrassingen. Fris en keurig en oké, geen hoofden boven maaivelden, geen helden, vooral geen helden. Doe maar gewoon.



Kees ’t Hart, De revue. Uitg. Querido, 285 blz., ƒ34,90; Adriaan van Dis, Dubbelliefde. Uitg. Meulenhoff, 363 blz., ƒ45,-; Anne Wiarda, Bleu. Uitg. De Arbeiderspers, 222 blz., ƒ29,90; Germaine Groenier, Vijf dagen bedenktijd: Leven na Dolle Mina. Uitg. Prometheus, 281 blz., ƒ34,90.