De Jeanne d'Arc van links

WEST-BERLIJN, 14 mei 1970. Ulrike Meinhof heeft haar tweelingdochters bij vrienden ondergebracht en nu zit ze te wachten aan de grote tafel in de leeszaal van het Deutsche Zentralinstitut für soziale Fragen in de villawijk Dahlem. Ze heeft een spijkerbroek aan en een trui. Haar vingers friemelen nerveus aan de banderol van een pakje sigaretten. Meinhof was de bekendste linkse columniste van het land; ze wachtte op Andreas Baader, die gevangen zat vanwege het plaatsen van een brandbom in een warenhuis. De dekmantel was een contract dat Meinhof bij een linkse uitgeverij had geregeld voor een door haar en Baader te schrijven boek over ‘de organisatie van randgroepjongeren’. Het doel was hem uit de bajes te bevrijden. Hij was, vond zij, als revolutionair onmisbaar voor de opbouw van de stadsguerrilla.
De gevangenisdirectie gaf Baader een paar uur verlof om met Meinhof aan het manuscript te werken, maar nam wel strenge veiligheidsmaatregelen. Hij wordt de 14de juni begeleid door gewapende mannen; het instituut is verder voor iedereen gesloten. Baader en Meinhof gaan aan het werk, dan wordt er gebeld en staan er twee jonge vrouwen op de stoep. De employee van het instituut die de deur opendoet, laat zich vermurwen door de vrouwen, die stilletjes plaatsnemen in de gang. Vervolgens gaat het snel: de vrouwen laten een gemaskerde man en Gudrun Enslin binnen. Ze hebben wapens, eisen de vrijlating van Baader, er volgt een vechtpartij, er wordt geschoten en de employee wordt geraakt.
Andreas Baader en Ulrike Meinhof springen uit het raam en springen in twee vluchtauto’s die klaarstaan.
De sprong uit het raam wordt uitgebreid geschilderd in het openingshoofdstuk van Jutta Ditfurths onlangs in het Nederlands verschenen biografie van Ulrike Meinhof. Dat is geen toeval, want die sprong werd in 1985 al door Spiegel-hoofdredacteur Stefan Aust als beslissende gebeurtenis beschreven in zijn standaardwerk Der Baader Meinhof Komplex. De gelijknamige film, strikt volgens de letter van zijn boek gemaakt, opent ermee. Op 14 juni 1970 sprong Ulrike Meinhof niet alleen uit het raam van die villa in Dahlem, ze sprong toen ook in de illegaliteit. Op die dag werd niet alleen Andreas Baader bevrijd, maar werd ook de Rote Armee Fraktion geboren.
De vraag is natuurlijk waarom Ulrike Meinhof sprong. Of anders geformuleerd: waarom koos een populaire columniste, maakster van veelgeprezen radio- en televisiedocumentaires, graag geziene gast op de chic-linkse feestjes in mediastad Hamburg en moeder van twee kinderen, voor het terrorisme?
Al is het bijna 25 jaar geleden dat Meinhof zich ophing in de Stammheim-gevangenis, een helder antwoord op die vraag kan nog steeds niet worden gegeven. Of beter: over het antwoord heerst nog steeds een fel verschil van mening. Maar steeds staat weer de sprong centraal. Was die toeval? Een impuls, door het hectische verloop van de bevrijding? Of wist Meinhof al voordat de schoten vielen dat ze zich bij Baader en Enslin zou aansluiten? Was ze slachtoffer of dader?
Stefan Aust houdt het op het eerste: in Der Baader Meinhof Komplex is Meinhof de tragische heldin tegen een achtergrond van schietende en bommen leggende terroristen, een verdwaalde, die in ieder geval postuum nog uit de klauwen van de onbehouwen Baader wordt gered. Jutta Ditfurth houdt het op het tweede: Meinhof was allerminst naïef bij de RAF beland. Ze had de bevrijding van Baader helpen organiseren, leverde het geld voor de wapens, en had in haar handtas haar hypotheekakte van meer dan veertigduizend mark gestoken, bedoeld om de gewapende strijd mee te financieren (overigens vergat ze haar handtas in alle hectiek). Bovendien had ze een jaar eerder al een daad gesteld: ze had meegewerkt aan de sabotage van een schip dat in Hamburg voor Portugal werd gebouwd en dat was bedoeld voor het koloniale conflict in Angola. Het is een van de nieuwe feiten die Ditfurth in haar biografie onthult.
In zijn vuistdikke studie Blood & Rage: A Cultural History of Terrorism (2008) zet de Britse historicus Michael Burleigh de leden van de RAF weg als 'guilty white kids’, die zich tegen de consumptiemaatschappij afzetten en als radicale snobs hun neus ophaalden voor burgerlijke verworvenheden als de ijskast, de wasmachine en de tuinkabouter, maar vergaten dat ze zelf met hun langspeelplaten, pick-ups en jeans evenzeer profiteerden van het Wirtschaftswunder. Hun in drugs gedrenkte discussies gaven hen het gevoel dat ze met grote revolutionaire zaken bezig waren - zoals een voormalige Duitse terrorist zei, refererend aan de geschriften van Marx en Gramsci: 'Theorie was iets dat we half lazen maar helemaal begrepen.’ Maar in werkelijkheid waren ze representanten van een ontspoorde jeugdcultuur. En Andreas Baader was de Marlon Brando of Jean-Paul Belmondo van de radicale kids, een ruwe bolster zonder blanke pit, die zo had kunnen figureren in een gangsterfilm. Zijn voorliefde voor kriskras scheuren over de uitgebreide Duitse Autobahn in snelle, gestolen auto’s was een poging de odyssee per motorfiets uit de film Easy Rider te imiteren. Burleigh wijst er fijntjes op dat de RAF bij autodiefstallen zo'n sterke voorkeur had voor snelle exemplaren dat BMW in de volksmond even Baader Meinhof Wagen ging heten.
Burleigh’s classificatie van de RAF-leden als verwende bourgeois-kinderen is vermakelijk, en er zit ook vast wat in, maar juist Ulrike Meinhof ontsnapt daaraan. Ze was ouder dan haar collega-terroristen, ze had werk, sterker: ze was prominent. Daardoor leende zij zich het meest voor een wereldlijke heiligenverering. Inmiddels bejaarde mannen scheppen er nog steeds over op dat zij destijds met Ulrike hebben gedanst. De historicus Joachim Fest noemde haar de 'Jeanne d'Arc van links’. Twee jaar geleden bundelde Karin Bauer onder de titel Everybody Talks About the Weather… We Don’t een selectie van de teksten van Meinhof in het Amerikaans, vergezeld van een pleidooi om haar serieus te nemen als politiek activist, als iemand die haar leven had gegeven voor een vrij en democratisch Duitsland.
Ulrike Meinhof kon uitgroeien tot een mythische figuur omdat juist haar sprong in het ondergronds verzet zo onbegrijpelijk was. Ze kon niet anders dan eigenlijk een slachtoffer zijn. Van het conflict met de generatie van haar ouders, nog steeds verstrikt in hun naziverleden. Van de repressie van de nieuwe West-Duitse democratie, die de communistische partij verbood, demonstraties gewelddadig uiteensloeg, met Berufsverbote strooide, en mensen de illegaliteit in dreef. Van een ontrouwe echtgenoot. Van een hersenoperatie, die haar persoonlijkheid allicht had aangetast. Van de kwaadaardige charme van Andreas 'Baby’ Baader. Van de tweestrijd tussen haar en Gudrun Enslin (Enslin: 'Das Messer im Rücken der RAF bist Du’), waardoor ze ook binnen de RAF een randfiguur werd.
Haar slachtofferschap werd gevoed door de - achteraf bezien gekleurde - berichten over haar gevangenschap in een isoleercel, het tl-licht 24 uur per dag aan, de zogenaamde 'isolatiefolter’. Zeker toen naar buiten kwam dat Meinhof in maart 1976, twee maanden voor haar dood, tegen haar zus had gezegd: 'Als je te horen krijgt dat ik mezelf van het leven heb beroofd, kun je ervan uitgaan dat ik ben vermoord’, trokken velen de conclusie dat ze een martelaar was.
Jutta Ditfurth trekt in haar Meinhof-biografie tegen veel ten strijde. Tegen de dikke laag van mythen die over Meinhofs levensgeschiedenis ligt. Maar ook tegen, zoals zij het noemt, de giftige bronnen die de mythevorming versterkten. Allereerst tegen Renate Riemeck, de stiefmoeder van Ulrike, en Klaus Rainer Röhl, Ulrike’s echtgenoot, die toen Meinhof de illegaliteit in sprong de handen ineen sloegen en stof leverden voor psychopathologische portretten van haar, die duidelijk moesten maken dat ze niet toerekeningsvatbaar was. Tegen Stefan Aust, die haar portretteert als een emotioneel onstabiele burgerlijke vrouw met trillende onderlip. En tegen de informatie die het Bundeskriminalamt over de terroriste verstrekte. Allemaal behandelen ze haar op een of andere manier als slachtoffer, maar als Meinhof ergens slachtoffer van is volgens Ditfurth, dan van de mythevorming. Daarmee is meteen de inzet van haar biografie gegeven: Meinhof was een zelfbewuste, intelligente en door en door politieke vrouw, die donders goed wist wat ze deed.
Ditfurth trok zes jaar uit voor bronnenonderzoek en stelt onomwonden dat veel van het archiefmateriaal dat zij doorwerkte door geen van de vele Meinhof-kenners ook maar is aangeraakt. Haar biografie bevat ook veel nieuws, vooral over Meinhofs jeugd en familieachtergrond. Stelde Aust nog dat Meinhofs ouders in het christelijke antifascistische verzet zaten, Ditfurth laat overtuigend zien dat haar vader, museumdirecteur in Jena, vanzelfsprekend nazi was en zich ijverig inzette voor de actie tegen entartete Kunst. Ook haar moeder was lid van de NSDAP. Nadat Ulrike’s vader was gestorven toen zij vier was, kreeg haar moeder een lesbische relatie met Renate Riemeck. Na de dood van haar moeder, toen Meinhof puber was, nam Riemeck de voogdij op zich. In haar nogal vage autobiografie Ich bin ein Mensch für mich wierp Riemeck zich op als verzetsstrijdster, maar in werkelijkheid was ook zij lid van de NSDAP. Ze studeerde rassenkunde en was assistente van een hoogleraar antisemitisme die tevens SS-Obersturmbannführer was. Na de oorlog stortte Riemeck, inmiddels academisch pedagoge, zich in de anti-atoombeweging en verwierf ze landelijke roem toen ze haar leerstoel in Wuppertal na politieke druk moest opgeven. Bovenal was ze een nare, kille pleegmoeder, die Ulrike tiranniek haar eerste liefdesrelaties verbood. De jonge Meinhof was inderdaad zelfbewust. Ze was als middelbare scholier een soort beatnik, droeg in de jaren vijftig al broeken, ze rookte op straat, las de existentialistische filosofen en was gek op moderne kunst. Ze eiste brutaal respect van haar oude leraren, van wie velen een naziverleden hadden, en werd bijna van school getrapt. Ze danste, speelde slagwerk in een jazzbandje en voelde zich politiek thuis bij de linkervleugel van de SPD.
Toen ze ging studeren, midden in de Koude Oorlog, raakte ze in de ban van Marx en de strijd tegen de herbewapening van Duitsland. Ze verbond zich, net als haar stiefmoeder, aan de beweging tegen atoomwapens en werd in 1958 lid van de verboden Duitse communistische partij. Kortom, ze radicaliseerde. In die tijd begon ze ook te schrijven en kreeg ze een column in het zeer linkse weekblad konkret.
Maar hoe invoelend Jutta Ditfurth ook over Meinhof schrijft en hoezeer ze haar ook wil positioneren als een weloverwogen revolutionair, haar boek biedt evenveel stof voor een andere interpretatie. In de eerste plaats is haar schildering van het repressieve klimaat van het Duitsland van de jaren vijftig en zestig zo bitter dat je geneigd bent die met een korreltje zout te nemen. Ze is daarnaast bijzonder weinig kritisch tegenover de DDR, die niet alleen op de achtergrond konkret financierde, maar ook Meinhof en de RAF aanvankelijk met raad en daad terzijde stond. Zo noemt ze tussen haakjes van alle West-Duitse hoogwaardigheidsbekleders hun lidmaatschapsnummer van de NSDAP en lijkt de DDR louter bevolkt met goede Duitsers die in het Derde Rijk niets dan verzet hadden geboden. Misschien lijkt Ditfurth, die zelf tot de zogenaamde fundamentalistische vleugel van de Grünen behoorde, van 1984 tot 1988 partijleider was, maar inmiddels lid is van de marginale Ökolinx-Antirassistische Liste in Frankfurt, te veel op haar onderwerp. Een afgedwaalde politica die over een afgedwaalde links-radicaal schrijft.
In de tweede plaats laat haar biografie zien dat er van Meinhofs zelfbewustzijn vlak voor de sprong uit het raam weinig over is. Ze was gescheiden en woonde alleen met haar kinderen in West-Berlijn. Het alleenstaand moederschap viel haar zwaar. Ze raakte vervreemd van konkret en gaf haar column eraan. Een van haar laatste columns ging over het schrijven van columns en reflecteerde op de grenzen van het schrijven: het schoot als communicatiemiddel te kort, het columnisme voegde zich onvermijdelijk naar de media-industrie. De film over weeskinderen waar ze aan werkte werd min of meer uit haar handen getrokken. Ze was meer en meer geïsoleerd geraakt, bevond zich op een dood spoor.
Waarom Ulrike Meinhof sprong zullen we nooit weten. Maar na lezing van Ditfurths biografie ben je geneigd er eerder een wanhoopssprong in te zien dan een trotse daad.

JUTTA DITFURTH
ULRIKE MEINHOF: DE BIOGRAFIE
Vertaald door Geraldine Damstra, Omniboek, 408 blz., € 27,50