Wat de huizenzeepbel en loonmatiging met elkaar te maken hebben

De Jekyll & Hyde-economie

Al dertig jaar koopt Nederland zijn exportsucces met loonmatiging. Zolang de machtige exportlobby de politiek in zijn greep houdt, is duurzaam herstel van de Nederlandse economie ver weg.

Medium groene jekyll 26hide

Hoezee, we zijn uit de crisis! Vorige week vrijdag om half negen ’s ochtends maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) bekend dat de Nederlandse economie in het vierde kwartaal van 2013 met maar liefst 0,7 procent was gegroeid, fors boven het Europees gemiddelde. Ook een aantal andere indicatoren stond vrolijk op groen: stijgende bedrijfsinvesteringen, groeiende export, toenemende industriële productie.
Zo op het oog lijken de cijfers het kabinet gelijk te geven: even doorbijten en alles komt goed. Een uur later die dag was minister Henk Kamp er dan ook als de kippen bij om in zijn jaarlijkse Staat van de economie victorie te kraaien. ‘Dames en Heren, het gaat weer de goede kant op’, zo begon de minister zijn toespraak, ‘de economie groeit voor het derde kwartaal op rij en na een voorzichtig begin zet de groei nu door.’ Om in de rest van zijn lezing te betogen dat het herstel aan kabinetsbeleid te danken was, te waarschuwen dat we niet op onze lauweren konden rusten en aan te kondigen dat er nog veel overhoop moest worden gehaald, met name op de arbeidsmarkt.

Wat minister Kamp vergat was dat het cbs die vrijdag niet alleen hosanna-cijfers presenteerde maar ook uitermate sombere. Zo kwam de import in 2013 0,9 procent lager uit dan in 2012, was de binnenlandse consumptie 0,8 procent lager dan een jaar geleden, was ook de overheidsconsumptie met 0,6 procent gedaald en kromp het aantal banen in het vierde kwartaal met 134.000 waardoor de werkloosheid in december 2013 het peil van 8,5 procent bereikte. Oftewel, de zo bejubelde groei heeft nog niet een begin gemaakt met het keren van de binnenlandse recessie die drie jaar geleden begon.

Hoe valt dat met elkaar te rijmen? Het makkelijkste antwoord is dat de Nederlandse economie nu eenmaal twee gezichten heeft. Zoals minister Kamp, premier Mark Rutte, werkgeversvoorman Bernard Wientjes en centrale-bankbaas Klaas Knot niet moe worden te benadrukken, scoort Nederland uitstekend op de internationale lijstjes. Achtste op de Global Competitiveness Index, vierde op de INSEAD Index, vierde op de Human Development Index, vierde op de Bloomberg Best Countries for Business Index, veertiende op de Quality of Life Index, achtste op de OESO Better Life Index.

Daarnaast is er een groot aantal macro-economische indicatoren waarop Nederland, ook tijdens de crisis, redelijk tot uitstekend scoorde en scoort. Zo is de werkloosheid internationaal gezien nog altijd aan de lage kant (zij het snel stijgend), is de overheidsschuld relatief laag, kent Nederland een exceptioneel groot overschot op de betalingsbalans, is de internationale vermogenspositie van ons land uitmuntend, hebben we een groot spaaroverschot, hebben we veel internationaal toonaangevende ondernemingen binnen onze grenzen, is de Nederlandse beroepsbevolking hoog opgeleid, zijn onze universiteiten goed tot zeer goed, is Nederland nog altijd een van de rijkste landen en spreekt uit de zeer lage rentes die de Nederlandse overheid (en banken!) op de internationale kapitaalmarkten moet betalen een groot vertrouwen in de kwaliteit van onze instituties.

Tegenover dit fraaie plaatje staat echter een minder mooi beeld: lage en al vijf jaar dalende consumentenbestedingen; bij inflatie en productiviteit achterblijvende lonen; scherp stijgende werkloosheid (zo’n vierhonderdduizend werklozen erbij sinds 2008); een recordaantal bedrijfsfaillissementen; stijgende voorzieningen van banken op slechte leningen; kantorenleegstand van landelijk vijftien procent met uitschieters naar dertig procent in Amstelveen, Alphen aan den Rijn en Heerlen; stijgende afwaarderingen op vastgoed bij ziekenhuizen, scholengemeenschappen, zorginstellingen en lokale overheden; achterblijvende investeringen in onderwijs; dure en matige kinderopvang; toenemende afschrijvingen op grondposities door een groeiend aantal gemeenten; huizenprijzen die sinds 2008 reëel met zo’n 25 procent zijn gedaald; een stijgend aantal huishoudens (1,3 miljoen) dat aanhikt tegen negatief vastgoedvermogen; en, vooral, torenhoge en stijgende private schulden: 220 procent van het bruto binnenlands product (bbp) die met een omvang van ruim 250 procent van het gemiddeld besteedbaar inkomen tot de hoogste ter wereld behoren.

Welk beeld van de Nederlandse economie je koestert – alles is hosanna, zoals de Kampen, Knotten en Ruttes van deze wereld beweren, of alles is kommer en kwel, zoals ondergetekende op sombere dagen meent – is bepalend voor je positie in het begrotingsdebat dat vooral in 2013 ongemeen fel was. Wel of niet ‘ombuigen’, wel of niet budgettair stimuleren, wel of niet de begrotingsteugels aanhalen, wel of niet het begrotingstekort terstond terugbrengen naar drie procent?

Wie vooral de dagzijde van de Nederlandse economie ziet – dr. Jekyll – zal minder geneigd zijn klachten over een kapotbezuinigde economie serieus te nemen: ramp en redding komen dan immers uit het buitenland terwijl de Nederlandse economie in de kern gezond is – zie de hoge posities op de internationale lijstjes. Het enige wat de overheid kan doen, is de loonkosten in toom houden, de kwaliteit van het onderwijs bewaken en de tering naar de nering zetten om niet in het vizier van de kapitaalmarkten te komen. En ja, bezuinigen en lasten verzwaren zijn dan de zure appel waar we gewoon even doorheen moeten: na het zuur volgt onherroepelijk het zoet.

Wie daarentegen vooral de nachtzijde van de Nederlandse economie ziet – mr. Hyde – hamert op de hoge private schuldenlast, roept om koopkrachtherstel (ofwel door loonsverhogingen ofwel door lastenverlichtingen ofwel door een combinatie van beide) en dringt bij de overheid aan op een ruim(er) begrotingsbeleid, ongeacht de Europese consequenties. De onvermijdelijke private balansverkorting (aflossen van hypotheken) niet opvangen via oplopende begrotingstekorten komt erop neer dat Nederlandse huishoudens nodeloos verarmen, de werkloosheid nodeloos oploopt en de toekomstige verdiencapaciteit van de Nederlandse economie nodeloos wordt geschaad.

Medium groene jekyll 26hide
Drie decennia loonmatiging ten faveure van de exportsector veroorzaakte een uitmergeling van de binnenlandse economie

In het begrotingsdebat slaan de dr. Jekylls nu al vier jaar de mr. Hydes om de oren met de jubelrijtjes, terwijl de mr. Hydes net zo hard terugmeppen met de kommer-en-kwellijstjes. Wat beide kampen vergeten, is dat Jekyll en Hyde, net als in de gelijknamige roman van Robert Louis Stevenson, één en hetzelfde personage zijn. Sterker: Jekyll kan niet bestaan zonder Hyde en Hyde niet zonder Jekyll, net zo goed als de dag niet kan zonder de nacht, winter niet zonder zomer, meester niet zonder knecht en onder niet zonder boven.

De hoge score van Nederland op de goede lijstjes is het gevolg van drie decennia loonmatiging ten faveure van de Nederlandse exportsector. Dat heeft een sluipende uitmergeling van de binnenlandse economie veroorzaakt, die de hoge score op de slechte lijstjes verklaart. Oftewel: de Nederlandse exportsector is een soort koekoeksjong dat Nederlandse huishoudens – waar het uiteindelijk allemaal om te doen was en is (of zou moeten zijn) – uit het nest dreigt te flikkeren.

Om te begrijpen hoe dat heeft kunnen gebeuren, moeten we terug naar 1959, toen in de Groningse gemeente Slochteren een ongekend grote voorraad aardgas werd gevonden. De gratis gasdollars die dat opleverde, werden gebruikt voor genereuze uitkeringen, fraaie publieke diensten en hoge lonen, en resulteerden in 1982 – na twee oliecrises (1973 en 1979) – in een diepe economische recessie met een van de hoogste werkloosheidscijfers van Europa (9,7 procent), een gierend begrotingstekort (6 procent in 1981) en een snel oplopende staatsschuld die tegen het einde van de jaren tachtig het naoorlogse record van tachtig procent van het bbp had bereikt. Het zou in de Engelstalige literatuur de Dutch disease gaan heten: de verwoestende verslaving aan inkomsten uit bodemschatten die arbeidsethos, loonkosten en huishoudboekje van de overheid schrikbarend uit het lood slaan.

Onder invloed van de gasinkomsten waren de collectieve uitgaven gestegen van pakweg veertig procent van het bbp tot meer dan vijftig procent. En het merendeel daarvan bestond uit ‘distributief beleid’, zoals het Centraal Planbureau het destijds noemde, oftewel uitkeringen aan burgers die om wat voor reden dan ook niet in het eigen levensonderhoud konden voorzien. Deze uitkeringen waren geëxplodeerd van zes procent van het bbp in 1950 naar 25 procent in 1980. In een toch al zwakke internationale conjunctuur dreigde de dure Nederlandse verzorgingsstaat door hoge sociale lasten en sterk stijgende loonkosten langzaam de lucht uit het exporterende grootbedrijf te persen.

Op 13 januari 1976 sloeg de exportsector terug. In een ‘Open brief van bezorgde ondernemingsleiders’ in NRC Handelsblad spraken de bestuursvoorzitters van Akzo, Amro, Nationale Nederlanden, Philips, rsv, Unilever, Shell, Stork en Hoogovens hun afschuw uit over het motto van het kabinet-Den Uyl: ‘Spreiding van kennis, macht en inkomen’. Bovendien deed het kabinet er alles aan om het grootbedrijf in woord – Den Uyl weigerde iedere ontmoeting met de bestuursvoorzitters – en gebaar – er lagen plannen voor de sluipende socialisering van de productiemiddelen – tegen zich in het harnas te jagen. Vriendelijk doch dringend vroegen de bezorgde bestuursvoorzitters aandacht voor de aanbodzijde van de economie. In de Brief van Negen, zoals het epistel is gaan heten, constateerden zij dat ‘in het maatschappelijke debat de belangstelling voor verdelingsvraagstukken bijna allesoverheersend is geworden en de productieproblemen bijkans worden verwaarloosd. Alsof datgene wat verdeeld moet worden vanzelf ontstaat en niet door voortdurende inspanning en slagvaardig reageren van alle betrokkenen moet worden verkregen.’

Of de brief de doorslag heeft gegeven, is onbekend. In ieder geval kondigde koningin Juliana in de troonrede van 1976 de ‘1-procentregeling’ van minister Wim Duisenberg aan: ‘De verzwaring van de druk van de collectieve lasten blijft binnen de gestelde norm van 1 procent van het nationale inkomen.’ En ook al zou het nog tot midden jaren tachtig duren voor de collectieve lastendruk daadwerkelijk zou dalen, de 1-procentnorm van Duisenberg luidde het begin in van een schier oneindige reeks van ‘ombuigingsoperaties’, die tot op de dag van vandaag voortduurt: ‘permanent austerity’, zoals de Amerikaanse politicoloog Paul Pierson het in 1999 doopte.

Zes jaar later troffen aan een Wassenaarse keukentafel vno-voorzitter Chris van Veen en fnv-voorzitter Wim Kok elkaar om het hardnekkige werkloosheidsprobleem te bestrijden. De uitkomst was het fameuze Akkoord van Wassenaar waarin loonmatiging werd geruild tegen arbeidsduurverkorting. Die verkorting is er slechts mondjesmaat gekomen, maar de afgesproken loonmatiging wel en die drukte de loonkosten, stimuleerde de bedrijfswinsten, verminderde de werkloosheid en maakte daarmee de exportgroei mogelijk die tien jaar later, onder Paars I en II, Nederland tot een baken van slim overleg, arbeidsrust en een nieuw sociaal contract maakte.

Wie herinnert zich niet de adoratie van Blair, Schröder, Delors en Clinton voor het poldermodel? En wie is vergeten dat de Stichting van de Arbeid in 1997 de prestigieuze Bertelsmann-prijs kreeg voor haar bijdrage aan het Nederlandse succes? En wie herinnert zich niet die bestuurskundige lofzang op het poldermodel van Jelle Visser en Anton Hemerijck, die in 1997 The Dutch Miracle het licht lieten zien, veertien jaar later goed voor 1176 citaties op Google Scholar en nog altijd het meest verkochte boek uit de catalogus van Amsterdam University Press.

Inderdaad waren de prestaties miraculeus. De werkloosheid werd zo ongeveer gehalveerd, de arbeidskosten werden gedrukt tot de laagste van Noord-Europa, de participatiegraad was omhoog gesprongen, de banengroei was van Amerikaans kaliber, het begrotingstekort was geslonken tot twee procent, de staatsschuld bedroeg nog maar 68 procent van het bbp en de collectieve uitgaven werden teruggebracht van het Zweedse niveau van 65 naar het Britse niveau van 45 procent van het bbp. En dat zonder noemenswaardige onlusten, demonstraties en stakingen.

Zzp’ers, uitzendkrachten – iedereen kan vanaf het midden van de jaren negentig een tophypotheek krijgen

Dertig jaar later moeten we constateren dat loonmatiging geen wondermiddel is. Tegenover de verbeterde concurrentiepositie van de exportsector resulterend in een scherp gestegen overschot op de handelsbalans (elf procent inmiddels) en een al even fors gegroeid spaaroverschot van het Nederlandse grootbedrijf, staat slinkende koopkracht voor Nederlandse huishoudens. Ondanks een forse groei van het aantal tweeverdieners (vanaf de tweede helft van de jaren tachtig) en vermogensaanwas in de vorm van opstuwende huizenprijzen (vanaf de tweede helft van de jaren negentig) kon de koopkracht van Nederlandse huishoudens niet op peil worden gehouden, resulterend in afnemende koopkrachtige vraag en eroderende economische perspectieven voor bedrijven die zijn aangewezen op de binnenlandse markt, vooral midden- en kleinbedrijf (mkb). Sinds 2000 zijn de huishoudelijke bestedingen als component van het bbp gedaald van vijftig naar 44 procent. En nu we het zesde jaar van de crisis ingaan, is de koopkracht van Nederlandse huishoudens teruggevallen naar het niveau van 1999.

Nederland heeft zijn exportsucces gekocht over de rug van de koopkracht van zijn burgers. Om het puntig samen te vatten: loonmatiging is leuk geweest voor de exportsector, maar slecht voor ons. En dat is de voornaamste oorzaak waarom de recessie die in 2011 begon in Nederland zoveel hardnekkiger is dan in onze buurlanden: door drie decennia loonmatiging, een overheid die zich door haar eigen boertige opstelling in Brussel (vooral Rutte I) gedwongen zag om ontijdig en overhaast haar begrotingstekort te reduceren en dus voor 26 miljard euro naar belastingverhogingen moest grijpen – en door een in duigen gevallen vastgoeddroom.

Net als in Spanje, Ierland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten heeft Nederland namelijk sinds het aantreden van Paars I compensatie voor loonmatiging proberen te vinden door op grote schaal private vermogensaanwas mogelijk te maken. Of het nou uit gelijkheidsoverwegingen was, uit hoofde van een neorepublikeinse ideologie (ownership society), omdat eigen woningbezitters meer aandacht aan woning en buurt besteden dan huurders, of uit inkomenspolitieke overwegingen, feit is dat in alle genoemde landen vanaf de jaren negentig beleid in gang is gezet om het eigen huizenbezit te stimuleren en burgers deelgenoot te maken van de waardegroei van vastgoed.

Aan de aanbodzijde door subsidiëring van de bouwsector, decentralisering van het ruimtelijk ordeningsbeleid en door woningbouwcorporaties te stimuleren sociale huurwoningen te verkopen aan bewoners. En aan de vraagzijde door fiscale stimulering van eigen woningbezit en – vooral – aanzienlijke verruiming van de bancaire leenvoorwaarden. In de internationale wetenschappelijke literatuur wordt dat ‘democratisering van schuld’ (Julie Froud en anderen) of ‘privatisering van keynesiaanse vraagstimulering’ (Colin Crouch) genoemd: het is niet langer de staat die contra-cyclisch reageert door schuld op en af te bouwen, maar het zijn huishoudens zelf die dat doen.

Zo ook in Nederland. Ook hier is sinds de vroege jaren negentig het eigen woningbezit gestegen: van 35 procent van de woningvoorraad eind jaren zeventig naar 43 procent eind jaren tachtig en 56 procent in 2012. Ook hier zijn sinds de jaren negentig de leenvoorwaarden versoepeld. Ook hier zijn de huizenprijzen over de kop gegaan. En ook hier hebben huishoudens zich steeds dieper in de schulden gestoken. In grote lijnen is het verhaal doodsimpel: deregulering en financiële innovatie hebben Nederlandse huishoudens een vastgoedroes zonder weerga bezorgd, die tegen de klippen van een consequent volgehouden loonmatiging op de welvaartsgroei van de late jaren negentig en vroege jaren nul stuwde. De exportsector kreeg zijn loonmatiging. Ter compensatie kregen huishoudens, banken en, via het verzilveren van de overwaarde, het mkb een huizenzeepbel. Met een bijdrage van pakweg 25 procent aan de groei van de Nederlandse economie tussen 1995 en 2008 betekende dat: iedereen rijk, hoewel sommigen (banken) een beetje meer dan anderen (huurders).

In detail ziet het er als volgt uit. Na intensief lobbyen door banken staat de toezichthouder vanaf 1994 nieuwe hypotheekvormen toe (zoals de spaarhypotheek, de beleggingshypotheek en de aflossingsvrije hypotheek), die huishoudens in staat stellen hun belastingaftrek te maximaliseren, daarmee hun netto hypothecaire lasten te minimaliseren en zo hun leencapaciteit maximaal op te rekken. Tegelijkertijd krijgen de banken van de overheid groen licht om hun leenvoorwaarden te versoepelen. Zzp’ers, werknemers met contracten van bepaalde duur, uitzendkrachten – iedereen kan vanaf het midden van de jaren negentig een tophypotheek krijgen. Voeg daarbij financiële innovatie aan de passivazijde van de bankbalans – het securitiseren (verpakken en doorverkopen) van hypothecaire leningen, dat banken toegang gaf tot een schier onuitputtelijke bron van kapitaal in de vorm van een interbancaire markt waar Nederlandse securitisaties gretig als risicovrij onderpand aftrek vonden – en je hebt een bancaire winstmachine van ongekende omvang.

Door een restrictief ruimtelijk ordeningsbeleid kon aanbod nauwelijks reageren op toenemende vraag, terwijl soepele leenvoorwaarden de wachtrij voor de bestaande voorraad woningen alleen maar langer maakten. De gevolgen laten zich raden: huizenprijsstijgingen van 350 (eengezinswoningen) tot vierhonderd (appartementen) procent tussen 1995 en 2008. Daardoor werden nieuwe cohorten kopers gedwongen steeds grotere bedragen te lenen, werd de omvang van de hypothekenportefeuille op de bancaire balansen verder opgestuwd, werden huishoudens belast met een van de hoogste private schuldenlasten ter wereld en werd de blootstelling van huishoudens en banken aan disrupties in de interbancaire markt alleen maar verder vergroot.

Zo bleek. Toen Lehman Brothers op 15 september 2008 onderuitging en de interbancaire markt piepend en krakend tot stilstand kwam, spatte ook in Nederland de historisch ongekende huizenzeepbel. Vijf jaar later zijn de huizenprijzen met 25 procent gedaald, is het einde nog niet (volgens sommigen wel) in zicht, kijkt een derde van de Nederlandse huishoudens aan tegen onderwaarde ter hoogte van gemiddeld dertienduizend euro, en ligt de Nederlandse huizenmarkt al drie jaar op zijn gat.

Medium groene jekyll 26hide 232

De combinatie van onvermijdelijke private ontschulding en ontijdige en onnodig snelle publieke ontschulding heeft het bestedingsvermogen van huishoudens zwaar aangetast – zie de cbs-cijfers van afgelopen vrijdag: ‘Huishoudens hebben in het vierde kwartaal 0,8 procent minder besteed aan goederen en diensten dan een jaar eerder. De consumptie krimpt nu bijna drie jaar achtereen.’ Met records aan bedrijfsfaillissementen, snel stijgende werkloosheid, hoge en groeiende jeugdwerkloosheid, een dalend geboortecijfer en een stijgend aantal zelfmoorden tot gevolg. Hoewel het kabinet en de Europese Commissie dit als de onvermijdelijke omgevingsschade beschouwen van noodzakelijk ombuigingsbeleid, jaagt het kabinet feitelijk achter de eigen staart aan: de wanhopige pogingen om het begrotingstekort binnen de afgesproken drie procent te krijgen, beschadigen de Nederlandse economie dusdanig dat de belastinginkomsten, ondanks tariefverhogingen en grondvlakverbredingen, keer op keer lager uitvallen en uitgaven, ondanks bezuinigingen, alleen maar stijgen.

Dit inzicht klinkt nauwelijks door in het huidige beleidsdiscours. Hoewel die discussie tijdens de crisisjaren weinig consistent is geweest – wie door zijn oogharen kijkt, ziet vooral opportunistisch gebruik van gelegenheidsargumenten – is de beleidsconsensus die ten grondslag ligt aan Rutte II dat Nederland op te grote voet heeft geleefd en de tering naar de nering moet zetten. De wederom uit de kast gehaalde ‘participatiesamenleving’ (zie de Troonrede van Willem-Alexander van september 2013), het hameren op uit de klauwen gegroeide zorgkosten, een Miljoenennota die met factoïds strooit dat we per dag 55 miljoen euro meer uitgeven dan ontvangen, het gebruik van de term ‘zondegeld’ ter aanduiding van de rentelasten op de staatsschuld – het suggereert een probleemanalyse die de oorzaak van de crisis legt bij verwende burgers die te veel zorg, bescherming en opvang vragen en daar te weinig voor betalen en slappe politici (altijd de vroegere, nooit de huidige) die deze verwende burgers te veel naar de mond hebben gepraat.

En ook al zijn er signalen dat het beleidsmakers is gaan dagen dat de problemen niet alleen ‘publiek’ van aard zijn, maar dat er ook bij banken en huishoudens iets mis is – sinds voorjaar 2013 gonst het in Den Haag namelijk van de ‘balansrecessies’: zie het voorwoord van minister Kamp bij de Macro Economische Verkenning van het cpb van september 2013, het eerste hoofdstuk van de Miljoenennota van 2014, het bijbehorende advies van de Raad van State, het DNB Bulletin van juli 2013, en zelfs Kamps Staat van de economie van afgelopen vrijdag – wordt daar door Den Haag vooralsnog niet de conclusie uit getrokken dat alles op alles moet worden gezet om de koopkracht van burgers te herstellen. Al was het maar om te voorkomen dat banken en overheid verder de diepte in worden gezogen. Integendeel, de genoemde documenten ademen een bijna pathologische ‘cognitieve dissonantie’, want eindigen steevast met de diagnosevreemde conclusie dat meer bezuinigen de beste manier is om Nederland ‘sterker uit de crisis’ te laten komen.

Dat de beleidselite niet snapt dat gelijktijdige balansverkorting door huishoudens, banken en overheid de binnenlandse recessie alleen maar versterkt, heeft alles te maken met het onvermogen om in te zien dat de oorzaak van de excessieve balansgroei van banken en huishoudens van vóór de crisis gelegen is in uitmergeling door loonmatiging ten faveure van de exportsector. Sterker, de beleidsconsensus is dat het Nederlandse economische herstel – zoals altijd, klinkt er dan achteraan – zal beginnen bij de exportsector en dat het vanwege weglekeffecten vergeefse moeite is om via loonstijgingen en/of lastenverlichtingen de binnenlandse bestedingen aan te zwengelen. En de 0,7 procent groei van afgelopen vrijdag lijkt het gelijk hiervan alleen maar te staven.

Niet alleen gaat deze consensus voorbij aan het feit dat het overschot op de handelsbalans al ongekend groot is en eerder een indicatie is van macro-economische onevenwichtigheden binnen de eurozone, en dus eerder een probleem dan een oplossing is. Ook gaat het voorbij aan het feit dat de hele eurozone momenteel binnenlandse koopkracht opoffert voor herstel van het concurrentievermogen en de effectieve vraag in de eurozone dus nog lang anemisch zal blijven. Zie het recordoverschot op de goederenbalans van de eurozone in 2013 van 153 miljard euro.

Belangrijker is dat deze consensus de Nederlandse beleidselite ervan ontslaat de ongemakkelijke vraag te stellen of er geen sprake is van excessieve loonmatiging en er niet in navolging van bijvoorbeeld de Duitse Bundesbank of de Japanse regering zou moeten worden gepleit voor loonstijging. Dat dit een ongemakkelijke vraag is, heeft alles te maken met de Nederlandse geschiedenis. Want diep in het dna van Nederlandse bestuurders en de morfologie van Nederland liggen eeuwen van handelskapitalisme opgetast. Je hoeft maar een blik op de Amsterdamse grachtengordel te werpen of op de Nederlandse landkaart om te zien dat deze stad (en dit land) wat geografische ligging betreft – net als steden als Londen, Hongkong, New York en Singapore – was voorbestemd om zich te ontwikkelen tot een entrepot-economie. De grachtengordel ontpopte zich in de zeventiende eeuw op basis van de handelsstrategie van buying cheap en selling dear en in de tussentijd opslaan in pakhuizen tot een informatieverwerkingsmachine en logistiek-distributief centrum zonder weerga.

Er loopt een directe rode draad van deze Gouden Eeuw-ervaring naar het neomercantilisme (alles voor de exportsector, ongeacht de kosten) van de huidige beleidselite. Nederland is een grote draaischijf in internationale productienetwerken: voor belastingmijdend kapitaal (brievenbusmaatschappijen), voor informatie (uitgeverijen), gas (Eemshaven), bloemen (Aalsmeer), voor steenkool (Amsterdam), voor de aansturing van multinationale ondernemingen (holdings), voor vlees (het slachthuis van Europa) en goederen (Rotterdam, Schiphol).

In de loop der eeuwen heeft deze handelskapitalistische geschiedenis een hechte vervlechting van economische, financiële en bestuurlijke elites veroorzaakt en geleid tot een institutionele inrichting van de Nederlandse economie die volledig is toegesneden op de maat van de exportsector. Arbeidsmarkt, fiscaliteit, exportbevordering, industriebeleid, topsectoren, onderwijsbestel, wetenschapsbeleid – het stond altijd al en staat meer dan ooit ten dienste van de BV Nederland. Met als ranzig hoogtepunt de Nederlandse ambassade in Londen die vorige maand Nederlandse vastgoedboeren moest helpen om leegstaande Nederlandse kantoorparken te verkopen aan buitenlandse beleggers.

Deels is deze politieke hegemonie van exportbelangen de uitkomst van de zeer invloedrijke lobby van werkgeversorganisatie vno-ncw. Het gebouw aan de Bezuidenhoutseweg in Den Haag waarin deze organisatie huist, torent niet alleen symbolisch boven de regeringsgebouwen uit. En het is geen toeval dat haar voorman, Bernard Wientjes, nu al drie jaar achtereen door de Volkskrant is uitgeroepen tot invloedrijkste man van Nederland. Belangrijker is dat de tegeltjeswijsheid dat ‘wat goed is voor de exportsector goed is voor Nederland’ (‘we zijn nu eenmaal een handelsnatie’, ‘zeventig procent van onze welvaart halen we uit het buitenland’, ‘koopman, dominee’, ‘Nederland exportland’ – dat werk) gegrift staat in het onderbewustzijn van de meeste Nederlanders, onder wie onze bestuurlijke elite.

Zolang we ons niet weten te ontdoen van deze handelskapitalistische erfenis is duurzaam herstel van de Nederlandse economie ver weg. De kans daarop schat ik klein in. Zeker nu de exportlobby en haar politieke handlangers met de 0,7 procent groei van afgelopen kwartaal weer maandenlang victorie kunnen kraaien. Arme burgers, arm mkb.


Dit is een licht bewerkte versie van een hoofdstuk uit Het crisisdiner: De kredietcrisis gefileerd dat 7 maart onder redactie van Egbert Kalse en Kees Vendrik bij Prometheus verschijnt