De joden van berlijn

Duitsland is eruit. In Berlijn komt ‘een veld van herinneringen’. De moeizame besluitvorming hieromtrent is symbolisch voor de krampachtige verhouding tussen Duitsland en de joodse gemeenschap. De Duitsers blijven worstelen, het joodse leven bloeit.

KLEZMERKLANKEN galmen over de Oranienburgerstrasse in Berlijn als de voordeur van het joodse trefpunt bij de Neue Synagoge even opengaat. Buiten is het uitgestorven, binnen stampvol. De muzikanten, allen van Russische origine, zwepen het publiek op met hun lenige muziek. Enkele dames pakken elkaar bij de arm. Ze joelen terwijl ze met hun forse heupen op en neer deinen onder een snoer van Israel-vlaggetjes. Wat verlegen staat een clubje meisjes in ouderwetse jurken aan de kant zich moed in te drinken en te eten met Georgische wijn en bladerdeeghapjes. De voertaal is Russisch. Bij een ander groepje samenklittende jongeren wordt Duits gepraat. Het zijn dan ook Duitsers en geen joodse Russen. Ze zijn schoorvoetend op het concert afgekomen. Joachim: ‘Eh, ik heb er zoveel over gehoord dus ik dacht, ik ga maar eens kijken.’ Jürgen: 'Ik lees de laatste tijd dat het hier allemaal gebeurt. De joodse cultuur is super cool.’ Detlev: 'Mijn ouders hebben er veel over verteld. Op school hebben we geleerd over de holocaust en zo. Maar ik heb nog nooit een echte jood ontmoet.’ Ze zijn wat onhandig aanwezig op dit vrolijke joodse avondje. De brede Oranienburgerstrasse loopt dwars door het Scheunenviertel (Scheunen zijn schuren; hierin woonden vroeger arme joden), een wijk die er nog zo kort geleden in de schaduw van de Muur ongenaakbaar bijlag. Nu bruist het van optimisme. In de uitgezakte panden wordt de ene galerie na de andere geopend. En het nieuwe joodse leven manifesteert zich vooral in dit deel van Berlijn, zodanig dat deze buurt trendy heet te zijn. In de snackbars eet je geen curry- of bockworst maar bagels. Vlak bij het joodse gymnasium op de Hamburgerstrasse verkoopt een jongeman in spijkerpak met een keppeltje op zijn losse krullen het mooiste speelgoed dat een kind zich kan wensen. Volgens de agenda van het maandblad Jüdisches Berlin en flyers in cafés hoeven leden van de joodse gemeenschap zich niet bepaald te vervelen: naast diensten in een van de zes synagogen zijn er lezingen, films, exposities, dansavonden, boottripjes, zelfverdedigingscursussen voor vrouwen, klassieke-muziekconcoursen, volleybalwedstrijden, boekuitreikingen, cursussen Jiddisch, torah en Hebreeuws en sinds 1997 een jaarlijks terugkerend joods straatfestival - allemaal voor en door joden. Maar niet-joden zijn van harte welkom, zoals Joachim, Detlev en Jürgen die zo graag in aanraking willen komen met een wereld die in hun jonge leven altijd nadrukkelijk aanwezig en tegelijk afwezig was. Wat ze kennen is het verhaal, dat zich abstract in getallen laat samenvatten. In Duitsland leefden voor de oorlog een half miljoen joden, met als levendig centrum Berlijn waar er zo'n 175.000 woonden, die hun geloof in honderd synagogen konden belijden. Na de oorlog keerden er daarvan rond de 25.000 terug uit de kampen. De meesten emigreerden naar Israel of Amerika, slechts zesduizend displaced persons bleven hangen in het oude hol van de leeuw (eigenlijk: nest van de adelaar). Veel aandacht vanuit de Duitse samenleving was er niet en omgekeerd leefde de kleine groep joodse overlevenden tijdens de Koude Oorlog in grote bescheidenheid in het wederopbouwende Duitsland. De relatie tussen de joodse gemeenschap en de Duiters bleef decennialang - alle herdenkingen, monumenten, officiële schuldbekentenissen, financiële genoegdoeningen en miljoeneninvesteringen in joodse scholen, musea en grote projecten ten spijt - beladen, belast en uiterst ingewikkeld. Alsof achter alle welwillende grote gebaren nog steeds geen werkelijke introspectie bij de Duitsers had plaatsgevonden. In die afstandelijke verhouding komt, nu pas, in rap tempo verandering. Dat heeft vooral te maken met de wet van het getal. Was in 1988 de joodse gemeenschap op sterven na dood, sinds de val van de Muur groeit het aantal (actieve) leden met duizenden per jaar. Volgens Ronny Golz, actief in de joodse culturele vereniging, werd de opbloei van het jodendom allereerst veroorzaakt door de snelle instroom van buitenaf. Golz: 'Daarnaast is er ook sprake van coming out: jonge mensen, veelal uit de voormalige DDR, die hun afkomst herontdekken en daar zelfbewust voor uit durven komen. De derde generatie joden in Duitsland is begonnen het grote zwijgen te doorbreken. Inmiddels telt onze gemeenschap in Berlijn zo'n dertienduizend leden. In heel Duitsland ongeveer 100.000.’ In zijn witte Mercedes-sportauto scheurt Golz dagelijks door de stad om toeristen te laten zien hoe het joodse leven bloeit. 'Hier, het nieuwe joodse museum van Daniel Libeskind, een architectonisch hoogstandje, want vanuit de lucht gezien is het een uiteengetrokken davidster. Daar, het culturele centrum op de Fasanenstrasse. Hier, de nieuwe Heinz-Galinskischool, bouwkundig gezien even spectaculair als het musem van Libeskind. Daar, de Neue Synagoge, die tijdens de Kristallnacht door een dappere Duitse politieagent van de ondergang werd gered en eind jaren tachtig door niemand minder dan Honecker zelf werd heropend.’ Golz ratelt van opwinding. 'En daar, op het duurste stukje grond van de stad, komt het nieuwe Mahnmahl. Als het allemaal doorgaat, want dat weet je maar nooit in dit land. Belangrijker is dat het jodendom herrijst op de erfenis van de vernietiging. Duitsland zal dus níet Judenrein worden.’ DE HERGEBOORTE van het joodse leven in Duitsland is minder zorgeloos dan Golz doet voorkomen. Alle joodse instellingen worden, anders dan in Nederland, permanent bewaakt door zwaarbewapende Duitse veiligheidsagenten. Geen plek valt te bezoeken zonder een doorgang langs een metaaldetector. Vaak wordt er gefouilleerd. De gemeenschap zelf vormt een mozaïek van mensen. Ruim zestig procent van alle joden in Duitsland is afkomstig uit de voormalige Sovjetunie. Wegens het toenemend antisemitische klimaat verlaten zij hun vaderland. Dat brengt uiteraard de nodige integratieproblemen met zich mee van zowel praktische als emotionele aard. De taal, het vinden van betaald werk, huisvesting en niet in de laatse plaats het (her)vinden van de joodse identiteit. De vele opvangprogramma’s die de joodse gemeenschap hen biedt maken het wel makkelijker om het leven op te pakken dan voor welke andere vluchteling ook. Opvallend genoeg spelen de Amerikanen daar een grote rol in. Zoals Eugene DuBow het in nuchter Amerikaans formuleert: 'Nu Berlijn hoofdstad is, horen we er gewoon te zijn. Als grootste joodse gemeenschap buiten Israel hebben wij een verantwoordelijkheid voor deze nieuwe gemeenschap. Die is klein, maar momenteel wel de snelst groeiende ter wereld. De macht van de Duitse joden is van grote waarde voor de hele joodse toekomst. In dit land moeten we uiteindelijk klaar zien te komen met de holocaust. Eigenlijk begint dat nu pas. Daarnaast hebben wij in Amerika veel ervaring met de melting pot, zodat we kunnen helpen bij intergratieproblemen.’ De beminnelijke Amerikaan op leeftijd runt sinds begin dit jaar het kantoor van The American Jewish Committee vanuit Moshe Palast, een van de eerste glimmende postmodernistische gebouwen dat na de afbraak van de Muur op het oude stukje niemandsland rond de Potzdamerplatz uit de grond werd gestampt. Vanuit zijn werkkamer kijkt de diplomaat, zoals hij zichzelf het liefst noemt, dwars over het herrijzende Neue Mitte, momenteel nog Europa’s grootste bouwput. Zijn telefoon rinkelt permanent. 'Amerika wordt wakker’, moppert DuBow. 'Als ik in mijn eigen land lezingen geef, merk ik telkens dat men sowieso verbaasd is dat er nog joden in Duitsland bestaan. Vroeger werd er gezegd: “Ga nooit naar Duitsland.” Duitsland was taboe. Sinds kort gaan Amerikaanse joden op vakantie naar het land waar de uitroeiing werd bedacht en uitgevoerd. Moeilijk, moeizaam, maar interessant. Verder poog ik de relatie tussen de Duitse gemeenschap en joden te verbeteren. Natuurlijk wordt het door de shoah nooit meer wat het was. We zoeken naar een nieuwe dialoog, met wederzijds respect, waar het bruine verleden een onderdeel van is. We zijn bezig een netwerk op te zetten in de hoop dat het ooit weer normaal wordt. Onze relaties met de nieuwe regering van Schröder zijn zeer positief. Joden moeten zich in dit land weer werkelijk veilig voelen. Het antisemitisme is ondanks het rechts-radicalisme managable. We hebben veel vertrouwen. Duitsland is een normale democratie, ingebed in de Navo en de Europese Gemeenschap. De jonge Duitsers kun je niet verantwoordelijk blijven stellen.’ Maar waarom zit zijn kantoor dan toch achter een tien centimeter dikke deur van gewapend glas? 'Ach, dat hoort er gewoon bij. De Duitse overheid wil het zo graag goed doen’, wimpelt hij af. En voorzichtig:'Nou ja, als je kijkt naar de houding ten aanzien van buitenlanders. Daar maak ik me wél zorgen over. Hele groepen buitenlanders, zoals Turken, moslims, blijven in feite buitenstaanders. Het is toch onvoorstelbaar dat pas sinds heel kort in Duitsland geboren buitenlanders automatisch het gewone staatsburgerschap krijgen.’ Hij wil eigenlijk maar zeggen: ten aanzien van de joden kan Duitsland zich niks meer permitteren, maar de ware aard toont zich tegenover de nieuwe vreemdelingen. Die blijven in alle opzichten een soort outcasts. Een mooie indicatie hoe een democratie met mensen omgaat. 'DUITSLAND IS geobsedeerd door de wens om in het reine te komen met de joodse kwestie. De regering-Schröder beschouwt het welslagen daarvan als de hoeksteen van de democratie’, meent Joel Levy van de Lauder Foundation. Deze zeer machtige en schatrijke Amerikaanse stichting, opgericht in 1987, probeert met een batterij aan projecten en educatieprogramma’s in het geestelijk vacuüm van het post-communistische Oost-Europa joden te ondersteunen in de zoektocht naar hun identiteit. Hetzelfde doet de stichting in het herenigde Duitsland. In oktober start er bijvoorbeeld een opleiding voor joodse docenten. Levy, een kleine man in tweerijs driedelig krijtjespak, is superlobbyist. Hij was jarenlang werkzaam op de Amerikaanse ambassade in Duitsland en werkte voor de Amerikaanse regering in Washington. Hij kent zogezegd iedereen. De spin in het web, die niet onder stoelen of banken steekt dat er ook grote economische belangen spelen. Duitsland als economisch bruggehoofd in Europa. Levy houdt tussen zijn drukke werkzaamheden door in het Amerika House een exclusieve lezing voor een groep Amerikaanse business school-studenten over het joods-Duitse vraagstuk. De studenten knikken glazig bij termen die toch bekend geacht mogen worden. Stasi? Jewish World Congres? Nazi-goud? Ze hebben er nog nooit van gehoord. In de pauze van de lezing heeft Levy even tijd. 'Hier kan op het ogenblik alles. De Duitse overheid behandelt de Russisch-joodse binnenkomers anders dan andere buitenlanders.’ Economische vluchteling of niet, door de open-deurpolitiek hebben ze geen enkel probleem om binnen te komen - in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Nederland - en kunnen ze vijf jaar na binnenkomst al het Duits staatsburgerschap krijgen. Levy: 'De meesten zijn hoog opgeleid en beschouwen Duitsland als het land van de kansen op een beter leven. Deze nieuwe generatie heeft dus ook niet zo'n beladen relatie met het verleden. Dat is cruciaal voor de nieuwe verhoudingen. Ze zijn niet erg gemotiveerd bezig met het jood-zijn. Maar als je ze erin betrekt, bestaat er wel belangstelling voor religie.’ (EN JUIST HIER wringt de schoen. Wat is de nieuwe joods-Duitse identiteit? Wie bepaalt dat? Hoe verhoudt het culturele aspect van het jood-zijn zich tot het religieuze? Wie ontfermt zich nou precies over deze hoog opgeleide mensen die alles aanpakken om het beter te krijgen dan het was achter het voormalige IJzeren Gordijn? Achter de schermen van de joodse gemeenschap wordt heel wat afgekibbeld over dit thema. Het is een slangenkuil. Er zijn enkele niet nader te noemen rabbijnen die, als een liberale rabbijn een synagoge betreedt, onmiddellijk zonder een woord te zeggen het pand verlaten. De Duitse overheid speelt in deze onverkwikkelijke strijd tot overmaat van ramp ook nog eens een averechts werkende rol. 'Dat zit zo’, zegt Edward van Voolen, werkzaam bij het Joods Historisch Museum in Nederland en sinds enkele maanden parttime liberaal rabbijn in München. 'De Duitse overheid richt zich uitsluitend op de joodse Einheitsgemeinde, die wordt gedomineerd door de orthodoxe stroming. Het is het joodse, orthodoxe establishment waar al het geld - van kerkbelasting tot grote subsidies - naartoe gaat. Het is héél Duits om zo rigide tegen een gemeenschap aan te kijken. Het is overzichtelijk om de joodse gemeenschap te zien als een uniforme, vredige groep van exotische mensen met kosjer eten, oud-Europese klezmermuziek, ouderwetse kleding en dito levensstijl. Omgekeerd heeft die groep er alle belang bij haar machtspositie te handhaven. In Berlijn ligt het overigens iets anders dan in de rest van de Duitse steden. Daar is de liberale stroming wel naar draagkracht vertegenwoordigd. Maar in München waar ik voor een kleine autonome gemeente werk, heb ik het razend moeilijk. Noodlijdend en weinig begrip, ook vanuit de Beierse politiek. Als je bedenkt dat voor de oorlog ongeveer driekwart van de Duitse joden liberaal was, vaak helemaal niet religieus, dan besef je hoe onnatuurlijk dit allemaal is.’ (AAN DE ANDERE kant kan de Nederlandse rabbijn in Duitsland - op zich al veelzeggend dat hij van buiten aangetrokken moet worden - veel positiefs melden. Van Voolen: 'Toen ik in de jaren zestig Andreas Nachama bezocht, de huidige voorzitter van de joodse gemeente in Berlijn, waren hij en zijn vrienden ervan overtuigd dat zij de laatste der Mohikanen zouden zijn. Dat is anders uitgepakt. En langzamerhand wordt het tijd om niet meer alleen over de dode joden te spreken maar ook over de levende. Ja, natuurlijk blijft mijn relatie met Duitsland moeizaam. Ik loop op mijn tenen, maar heb wel een gulle houding. Maar dat doen ze omgekeerd ook. Ze zijn doodsbang dat ze politiek incorrect worden gevonden, waardoor ze vaak juist nét het verkeerde zeggen. Duitsers hebben in het algemeen Berührungsangst. Angst voor hun eigen emoties. Het blijft krampachtig.’ De Berlijnse liberale rabbijn Walter Rothschild, van oorsprong een Brit en getrouwd met een Nederlandse vrouw, zegt het allemaal nog wat harder: 'Het heeft helemaal niks met god te maken, maar met geld. De liberalen zijn arm. We krijgen geen rode cent van de Duitse overheid. Geen idee waar al dat geld van de oorlogsclaims heengaat. Niet naar ons in ieder geval. En natuurlijk zijn de Russische nieuwkomers gevoelig voor zo'n rare man met krullen die duidelijke regels aanbiedt. Ze komen uit een dictatuur en op zoek naar hun nieuwe identiteit zijn ze zeker niet gevoelig voor liberaal denken. Dat is een moderne, westerse uitvinding. Als je bijvoorbeeld ziet dat de Amerikaanse Lauder-foundation Lubawitsch-georiënteerd en dus ultra-orthodox is, kun je wel nagaan hoe de docentenopleiding die straks begint eruit zal zien. Ik zie de toekomst zorgelijk.’