De jonge jaren van Karel van het Reve

Half december verschijnen bij Van Oorschot de eerste twee delen van het Verzameld werk van Karel van het Reve, ironicus pur sang. In deze special een niet eerder gepubliceerd fragment over arrestatie door de Duitsers, mijmeringen van bewonderaars over hún Karel en, om te beginnen, een korte bestudering van Karels jonge jaren door Theodor Holman.

Medium profiel reve

BIJ DE BESTUDERING van Karel van het Reve kom je een vervelend probleem tegen: zodra je denkt iets te pakken te hebben, lijkt Karel dat uit je handen te slaan.
Je wilt hem bijvoorbeeld bestuderen omdat je hem zo goed vindt schrijven. En je vindt hem zo goed schrijven omdat hij zo goed kan redeneren. Je zou best door hem beïnvloed willen raken. Wat is dan een passage die je van Karel zo goed vindt? Dat is bijvoorbeeld die waarin Karel schrijft over invloed: ‘Daar is erg veel over geschreven, waarbij in het voorbijgaan moge worden opgemerkt dat een heel belangrijke literaire invloed, de negatieve, zo weinig ter sprake komt: een goede schrijver, die uit zichzelf misschien geneigd zou zijn romans à la Toergenjev te schrijven, laat dat wel uit zijn hoofd als hij de romans van Toergenjev gelezen heeft. Als men spreekt over de invloed van Poesjkin op de Russische poëzie, dan moet men wel bedenken dat zowat de belangrijkste taak van de op hem volgende dichters was om niet zo te schrijven als hij. “Invloed” wordt dan: anderen ertoe dwingen zo te schrijven dat ze naast je bestaan kunnen.’
En dan vervolgt Karel: ‘Daar komt nog het volgende bij: een goede schrijver (…) stijgt eigenlijk boven alle invloed uit. Zeker, het proza van Poesjkin is beïnvloed door Voltaire, Chamfort, Karamzin, Walter Scott, Marlinski – maar uit die invloeden is iets ontstaan dat geheel uniek is. Het is natuurlijk leuk om te zien dat bepaalde zinsneden van Poesjkin regelrecht uit Marlinski komen, maar Poesjkins verhalen zijn oneindig veel beter dan die van Marlinski. Die invloed zou ook uit C. Joh. Kievit kunnen komen als Poesjkin die toevallig gelezen had. Kennis van al die invloeden verschaft ons geen enkele informatie over de kwaliteit van Poesjkins proza.’
Tja, daar zit je dan met je invloed die je graag zou willen dat Karel op je had. En een studie over waar hij het nu eigenlijk vandaan had, wordt je en passant ook nog onmogelijk gemaakt.
Karel is bij uitstek de schrijver die stelt dat een schrijver ‘eigenlijk niets vertegenwoordigt’. In de literatuur, betoogt hij, bestaat ook geen ‘literaire vooruitgang’. Anders gezegd: de hele literatuurgeschiedenis is maar flauwekul. Toch schrijft hij dat er eigenlijk maar één geldige reden is voor het schrijven van zo’n geschiedenis, ‘en die reden is niet het nut dat zo’n boek zou kunnen afwerpen, maar de aardigheid die de schrijver heeft gehad in het maken en die de lezer zou kunnen hebben bij het lezen. De rest is onzin.’
Waar en grappig.
En toch wil je weten: waar zou Karel het vandaan hebben? Wie en wat hebben hem beïnvloed? Hoe is hij begonnen? Had zijn broer Gerard invloed op hem, of was het andersom? Had zijn vader invloed op hem? Zijn moeder? Het communistisch milieu? Nutteloos onderzoek, waarschijnlijk. Maar het is toch aardig om erover te speculeren.

Het vreemde is dat we bijna alles weten over de schrijver Karel, tot en met zijn eerste woordjes. Sterker, we weten zelfs het een en ander over zijn geboorte. Dat komt doordat vader Gerard Vanter als journalist van 1918 tot 1930 bij De Tribune werkte, het partijblad van de communisten. Vanaf 29 juli 1922 hield Gerard Vanter daar een jeugdpagina bij, waarin hij schreef onder weer een ander pseudoniem: ‘Oom Jaap’. Nop Maas heeft in zijn boek Kleine bolsjewieken al die kinderpagina’s uitgezocht, en dan blijkt dat Karel in het boek voorkomt als ‘Jaapje’ of ‘Kleine Jaap’ of ‘Klein Jaapje’.
Vader Vanter heeft het regelmatig over Jaapje. En als vader in 1924 gevangen wordt gezet omdat hij de stakende textielarbeiders in Twente een hart onder de riem wilde steken, neemt Karels moeder ‘Tante Nel’ de rubriek van vader over, en krijgen we vanuit haar perspectief het een en ander te lezen. We lezen dus iets over hoe Jaapje wordt opgevoed.

Maakt een Kerstpakketje

Uit den spaarpot van klein Jaapje,
Uit de beurs van Oome Jaap,
En uit mijn geheime boekje,
Werd het geld bijeen geschraapt.

En zoo kwam er een pakketje
Voor het arme Duitsche kind.
Oome Jaap schreef ook een briefje,
’k hoop maar dat ze ’t daadlijk vindt!
(…)

Aldus schreef ‘Tante Nel’ op 15 december 1923. Karel werd op 19 mei 1921 geboren en Klein Jaapje was dus net twee.
Vanaf januari 1923 komt ‘Klein Jaapje’ ook in de verhaaltjes en gedichtjes van Oom Jaap voor. We zien de kleine Karel achter een hond aan rennen, tante Nel vertelt dat Karel de krant op z’n kop leest, dat hij gefascineerd is door een kanarie en we beleven het verdriet van Kareltje mee als de poes ziek is: ‘Wil je soms een beetje drinken,/ Vraagt-ie heb je dorst?/ Kom neem nou eens gauw een hapje/ Van dat stukje worst…/ En zo sprak ons kleine Jaapje/ Met de zieke poes…/ ’k Moet hem eerst eens even pakken,/ Och, het is zo’n snoes.’
Grappig om te lezen – en inderdaad: het laat niets zien over de latere Karel.
Hoewel… De verhalen en de gedichten, de commentaren in De Tribune, het feit dat ‘Klein Jaapje door de communistische kindergroep op de schouders is genomen’ en een vlieger oplaat met ‘een mooie rode sikkel en hamer’ schetst een milieu van een Twentse onderklasse die zich aan het opwerken is en dat doet middels intellectuele scholing.
Karel gaat naar het Vossius Gymnasium, en als hij daarmee klaar is, staat er een wereldoorlog voor de deur.

Karel schrijft dan al een tijdje. En we weten ook wat hij leest. ‘Een van de eerste grotemensenboeken die ik heb gelezen, was De Voorsten, het eerste boek van mijn vader.’ De eerste zin van dat boek, ‘Het was in oktober, en de boeren hadden de stoppelvelden al zwart geploegd’, maakt grote indruk op Karel, want ‘het was de eerste keer (…) dat ik een literaire kunstgreep herkende. Twee mededelingen verbonden door “en”, de eerste mededeling van algemene en de tweede van bijzondere aard.’
Er wordt thuis veel over literatuur gesproken. De historici Jan en Annie Romein – intellectuelen tenslotte – komen vaak op bezoek. Jan Erik Romein wordt een vriend van Karel.
Karel gaat met de communisten, de Pioniers, op kamp. In 1932, hij is dan elf, schrijft hij zijn eerste stukje in de landelijke pers, als Karel Beton, in De Tribune. Het stukje heet ‘De Roode Kampeecho’ en begint zo: ‘Bijna alle pioniers zijn de hei op of de bosschen ingegaan. Bijna? Ja, in de groote eettent zitten er een stuk of acht in het zweet huns aanschijns te werken. Dat is de wandkrantcommissie! Ze hebben allemaal een artikeltje geschreven (…).’ Het stukje, toch al gauw vierhonderd woorden lang, is goed. Eigenlijk onvoorstelbaar voor een elfjarige.

Maar een twee jaar later, als Karel dertien (!) is, gebeurt er ook iets waaruit zijn onmiskenbare talent blijkt. Niet alleen leest hij Pioniere van Helena Bobinska in Duitse vertaling en Der eiserne Strom van Serafimowitsch en Die Messer van Valentin Katajew, maar als hij in 1935 ziek wordt (een hardnekkige infectie aan zijn kleine teen) zet hij zijn vaders schrijfmachine op zijn buik en vertaalt hij, alleen met behulp van het Duitse woordenboek, De baai Kara Boegas van Konstantin Paustowski.
Later zal Karel zeggen: ‘Van dat boek herinner ik me niets meer, behalve dat het dertig gulden opbracht die onmiddellijk in de huishoudkas van mijn moeder verdween.’
Die vertaling is nog alleszins leesbaar. In het boek komt een schrijver Jewsejenko voor: ‘Jewsejenko bezat een zeker uitbeeldingsvermogen, maar zoals vele van de tijdgenoten (het gaat om de jaren tachtig van de vorige eeuw), was hij door de hartstocht bezield, te zwelgen in stemmingsbeelden. Hij beschreef de “stemming” der natuur, van de mensen, van de dieren, zijn eigen stemming en zelfs die van de gehele steden en van de Moskousche voorsteden, waar de welvarende inwoners van Moskou hun zomerhuizen hadden.’ Karel blijft vertalen. Als hij een jaar later bij het kindertheater De Vrolijke Brigade van Ida Last debuteert, vertaalt hij Mister Twister, een verhaal van S. Marsjak, uit het Duits. Een heel kort fragment uit het lange stuk: ‘Mister Twister/ de ex-minister/ Mister Twister/ de man van naam/ wou in zijn vakantie/ op wereldreis gaan./ Hij nodigde vrouw/ en dochtertje uit/ en missis en miss/ zeiden beiden “All right”.’
En natuurlijk zit Karel in de schoolkrant (Vulpes) van het Vossius. Hij schrijft er grappige stukken, typisch gymnasiastenproza. Over bijvoorbeeld ‘Thyramus en Thisbe’. Een stuk dat hij zo begint: ‘Deze geschiedenis speelt zich af in de tijd, dat de straatverlichting nog niet was uitgevonden. Als de maan niet scheen en het was bovendien nacht, kon je geen hand voor ogen zien, dat is duidelijk.’
We zien de helderheid en de nuchterheid en de logische redeneringen al door de stukken heen schemeren.

Maar er zijn, behalve een vader en moeder die in de journalistiek zitten, een communistisch milieu waarin men zich wil opwerken, een goede opleiding en een behoorlijke dosis intelligentie, nog wel andere factoren die op Karel van invloed zijn. In 1937 gaat hij, voor een rijksdaalder, naar Parijs, samen met Femke Last (de dochter van Jef Last) en Hans van Norden. Ze willen de Wereldtentoonstelling bezoeken, maar er vindt een ontmoeting plaats met André Gide. (Je vraagt je wel eens af wat er zou zijn gebeurd als niet Karel maar Gerard een ontmoeting met Gide zou hebben gehad.) Ze praten over de strijd in Spanje. Gide is er niet gerust op dat Jef Last heelhuids de Spaanse Burgeroorlog zal overleven. Gide is zelfs bang dat de communisten leugens zullen verspreiden, iets wat Karel zich op dat moment niet kan voorstellen.
Maar in die jaren krijgt Vanter ruzie met de communistische partij. De ruzie loopt zelfs zo hoog op dat de partij hem ontslaat. Vanter is gedwongen een uitkering voor werklozen aan te vragen. Jan Romein verschaft hem een baantje aan de Gemeentelijke Universiteit, zodat het gezin weer wat geld ontvangt om van te leven. Vanter voelt zich op dat moment geïsoleerd van de partij en beschouwt zichzelf niet meer als lid. De hele familie voelt zich geïsoleerd van de communistische partij, maar wat moeten ze anders… Er komt ook nog eens oorlog.
Als Vanter en Alex Wins in 1941 na de dood van David Wijnkoop (op zijn onderduikadres) een krans sturen met daarop hun beider namen, worden die genoteerd. Vervolgens wordt Vanter gezocht, maar hij kan net op tijd onderduiken doordat hij wordt gewaarschuwd door loyale politieagenten.
Maar Karel (en Gerard) zijn thuis wanneer de Duitsers bij de Reves een huiszoeking houden. Ze nemen alle boeken van Vanter mee, en ook de boeken uit de Universiteitsbibliotheek van Karel.
In oktober 1941 worden Karel en Gerard gearresteerd en drie dagen gevangen gehouden.
En ondertussen verspreidt de communistische partij de vreemdste geruchten over vader Vanter. Hij zou fascistische sympathieën hebben.
Karel heeft na de oorlog onderzocht wie deze geruchten zouden hebben verspreid. Het zou de Amsterdamse huisarts Ben Polak zijn geweest. Maar ook de schrijver Theun de Vries zou hebben beweerd dat Vanter ‘fout’ was geweest.
Dat het communisme niet de grote heilsleer is waarachter iedereen moet aanlopen, wordt snel duidelijk.

De studie loutert hem. Karel en zijn vriendin Jozina beseffen dat de oorlog eraan komt, en weten dan niet goed wat ze moeten studeren. Daarom besluiten ze eerst sociografie te doen. Ze luisteren naar de colleges van Jan Romein, de econoom Sam de Wolff en de filosoof H.J. Pos.
Maar dan raken Karel en Jozien onder de indruk van de colleges van Bruno Becker, een slavist die bijzonder charmant en inspirerend moet zijn geweest en nog in jacquet doceert. Hij geeft colleges aan huis.
En dan blijkt weer het talent van Karel. Hij vertaalt Boris Godoenov en De stenen gast van Poesjkin om zich het Russisch eigen te maken. Maar belangrijker: eigenlijk voelt hij dan ook dat hij wil schrijven, eigenlijk omdat hij het kan.
Na de oorlog zal die carrière pas echt van start gaan.


Beeld: (Steye Raviez / HH)