De jongen achter de ijsbloemen

Het stenen bruidsbed (1959) en archibald strohalm (1952) stonden op mijn boekenlijst van het eindexamen hbs-b in 1964. Vestdijk stond er ook op, Wolkers, en toch ook nog A.M. de Jong en Anton Coolen. Er gingen op het schoolplein allerlei geruchten over Harry Mulisch, die later tot gek wordens toe herhaald zouden worden in alle bladen die je maar onder ogen kreeg.

Medium sfa002011102

Nog steeds, lees nu de herdenkingen. Hotel Americain, sportauto, Leidseplein, vrouwen, alchemie, Hitler, daar kwam het op neer. Dit publieke onderdeel van zijn schrijverschap interesseerde me nooit erg veel, al begreep ik dat zowel hij als zijn bewonderaars er uren zoet mee konden zijn. Liever probeerde ik me voor te stellen hoe Mulisch schreef. Gedreven, lachend soms, brutaal, ongegeneerd, zo zou ik later ook wel willen schrijven, ook ik wilde wel, toen ik hem voor het eerst las, het gevoel krijgen de eerste jongen te zijn die ooit een boek schreef. Zo was het schrijven van Mulisch.

Hij hoort tot mijn schrijfopleiding, mijn schrijfbegeleiding, hoe noem je dat niet al te pathetisch: hij was al vroeg in mijn beeld gekomen. Het stenen bruidsbed was het eerste wat ik las en ik vond het verbijsterend. Ik las het zonder interpretatie vooraf, zomaar, wat het mooiste lezen is; was ik maar voorgoed een kind gebleven dat toevallig boeken las. Ik wist niets over Homerus, kende de oorlog van horen zeggen en meende precies te weten wat goed en fout daarin geweest was.
Pas nu heb ik Het stenen bruidsbed herlezen, ik wilde het niet eerder herlezen, het moest altijd van de jongen blijven die ik was. En nog steeds zie ik die verbijstering van toen. Ik zie het me nu nog steeds toen lezen en ik meen hem opnieuw te zien schrijven. Dit boek opent nu nog vele mogelijkheden van schrijven, het biedt zich aan, geeft ruimte, het is zowel een ongehoord mooi jongens- en mannenboek als een prachtig metaforenboek. Iedere aarzelende schrijver kan ermee uit de voeten omdat het geen egocentrische roman is, maar een geschenkenboek.
Ach, wanneer ik het nu mocht bespreken als het debuut van een totaal onbekende jongen uit Haarlem, wat zou ik het dan bewieroken! Kijk naar de eerste zinnen: ‘Een mens werkt, vrijt, slaapt, eet - en overal op aarde wordt inmiddels alchemie bedreven met de dertien letters van zijn naam. Norman Corinth uit Baltimore, Maryland, vond de uitnodiging voor het kongres op een ochtend in september bij het ontbijt.’ Bent u ook aan het tellen geslagen? Ik destijds wel. Dertien, het klopt. Mulisch begon hier natuurlijk al op het aambeeld van de alchemie te hameren, maar nog zonder de nadrukkelijkheid van later, hier is het speelsheid, een opborrelende diepzinnigheid met verwijzingen naar bijbel en getallenleer, zonder vergaande gevolgen, dat begreep zelfs ik. Jan Hein Donner en de andere exegeten waren er nog niet. Maar wat een zinnen en wat roepen ze een verwachtingen op. En op de eerste bladzijden begint het gegoochel al met de beelden: 'De zon lag op het tafellaken’, 'de zee was al Europa’, 'een konvooi lag gestold in roerloze golven’. En dan bij de beschrijving van de aankomst in Berlijn: 'Ook dit waren vliegvelden - blinkende feesten van licht en ruimte en kabaal, omringd door slapende, stoeiende, parende mensen, rondom in de struiken en in auto’s. Vrede, vrede!’ Schitterend: brutaal en raak. Boordevol beelden. Meestal personificaties. Nog een paar uit de eerste bladzijden: 'Haar begrip hing in kringen om haar ogen’, 'haar benen neurieden achter een waas blonde haartjes’, 'koele lucht voer naar zijn gezicht’, 'zijn geilheid blafte’, 'de vrouw, die op een glimlachje beet’.

In den beginne is dit het schrijven dat op een voetstuk moet worden gezet. Kijk ook naar het veel eerder geschreven archibald strohalm. De knetterende schrijflust dampt van iedere pagina. En hierin het oedipale toneelspel dat in al zijn werk aan de deuren rammelt. 'Ook schilderde hij, - Archibald Strohalm stak zijn vinger op tegen Boris Bronislaw. Duivels schilderde hij, met veel rood en geel, soms met het gezicht van zijn vader.’ En dan het poppenspel dat archibald strohalm (zonder hoofdletters!) later opvoert. Achteraf kun je zeggen dat het pathetisch was, te Vijftigers, te jeugdwerk, te personalistisch, je kunt klagen tot je een ons weegt, maar wat blijft is de herinnering aan het lezen van dit meesterlijke boek. Geschreven met het vuur van de wereld, ik mag ook wel eens overdrijven. Anton Coolen, Aart van der Leeuw en A.M. de Jong verdwenen uit mijn beeld, ik raakte ingedaald in dit betoverende schrijverschap.

Praten jullie nog wel eens over een boek alsof het een bericht is waaraan je je vast kunt klampen? Wij hadden het in het fietsenhok van de middelbare school over De diamant (1954), Het mirakel (1955), De versierde mens (1957), Voer voor psychologen (1961). Ik herinner me dat we de avonturen van de heer Tiennoppen uit Het mirakel aan elkaar doorvertelden en voorlazen. Mulisch hoorde bij ons, ook zijn zelfverzekerdheid, zijn dwingendheid, zijn ongegeneerde en puberale gelijkhebberigheid. Dat was om te lachen natuurlijk, maar ook om met volle kracht van te houden. Waar zijn de fietsenhokken waar we nog over literatuur praten alsof we nooit iets anders hebben gedaan? Pas veel later kwamen de praatjes achteraf over Mulisch’ romans mijn leven binnen. De interpretatiewoede die als een vloed over literair Nederland spoelde. De rijen boeken met uitleg en vermoedens, met de verwijzingen naar alchemie, naar de Oorsprong, naar het mythisch systeem erachter, naar het Ene, naar Oedipus, naar Jung en Freud, naar het raadsel, naar geheimtaal. Misschien had ik die nooit moeten lezen, ook niet de boeken van Mulisch zelf erover, omdat ik steeds meer het gevoel begon te krijgen dat het de bedoeling was dat ik erin ging geloven. Deze boeken beperkten de mogelijkheden tot lezen, je moest een ingewijde zijn om nog tot het onbeholpen eerste lezen te kunnen worden toegelaten. Mulisch verdiepte zich na de eerste uitbarsting van romans en verhalen uitvoerig in zijn eigen schrijfwijze, niet in de stijl ervan, daar had hij terecht voldoende vertrouwen in, maar in de achterliggende uitgangspunten, de onbewuste drijfveren, de seksualiteit ervan, de oedipale structuur, het verlangen god te zijn (Tanchelijn!), het doodsverlangen en verzet daartegen dat iedere roman uiteraard voor een deel altijd representeert. In zijn vroege werk, dat ik hierboven bewierookte, speelt het allemaal al mee. Maar het is riskant om dat als schrijver te gaan benoemen, in kaart te brengen, naar buiten te brengen. Als je te goed weet wat je doet, hoef je het niet meer te schrijven, dan weet je alles al.

Ik las uiteraard Mulisch’ werk en dat van anderen over zijn eigen werk, maar ik geef toe dat ik wel eens dacht: godverdomme, schrijf toch weer zo'n godverlaten mooi boek, wat kan mij Oedipus schelen, dat weet ik allemaal al omdat ik het zelf ben, net als iedereen, en Alchemie, en het Ene, dat geklets, smoesjes om geen mooi boek meer te hoeven schrijven. Ik wil het Ene, Oedipus, het goddelijke, de dood, alchemie, en wat dan ook, voelen, niet erover voelen, maar in me voelen. Geef mij de illusies van een boek, maar niet de reflecties over de illusies. Dat is iets voor de koffietafel.
Zoiets was het, ik wantrouwde zijn grote stappen naar filosofie en wetenschap, eerlijk gezegd lachte ik er soms wat om. Niet om het letterlijk 'eigenwijze’ ervan, niet om de toonzetting, daarin bleef hij herkenbaar en geestig en dwingend. Je bent Mulisch of niet. Ook niet om het schrijven ervan, de stijl, zijn schrijfhand die je overal herkent, maar om de plechtige waarheidszoekerij ervan. Het serieuze geloof werkelijk iets als het 'wereldraadsel’ in kaart te kunnen brengen. In Het Ene, de Huizinga-lezing uit 1984, onderneemt Mulisch bijvoorbeeld een poging wetenschap en kunst met elkaar te verbinden. Daarin zinnen als: 'Wat ik beweer, is dus het volgende. Alleen het enigma van de oersingulariteit is de toereikende grond, waardoor de conceptie van het Ene - tegen alle ervaring in - bij de mensheid kon opkomen. Alleen omdat de mens er ook zelf het produkt van is, was dat mogelijk.’ Het klinkt raar en een beetje schandelijk om dat nu te schrijven, maar ik begon me door dit soort zinnen in dit soort boeken, ook in die van anderen, zorgen te maken over de schrijfcarrière van Mulisch. Kwam het nog wel goed? Hij moet beseft hebben welke risico’s hij liep met de bestudering van 'de wereld’ en 'zichzelf’. Wie zich overgeeft aan zelfanalyse, wat Mulisch lange jaren intensief deed, loopt het risico zijn schrijverschap te veel in kaart te kunnen brengen. Een schrijver moet zo lang mogelijk de onnozelaar proberen uit te hangen over zijn eigen werk, hij of zij moet zo lang mogelijk dom proberen te blijven, er zit niets anders op. Anders breng je je eigen verlangen naar romankunst om zeep.

In een algemeen toegejuichte roman als Twee vrouwen (1975) is Mulisch’ reflectie over zijn schrijverschap prominent aanwezig. Te prominent wat mij betreft. Het verhaal op zich is al zeer onwaarschijnlijk, al hoeft dat nog geen bezwaar te zijn, maar hij verwerkte er doelbewust freudiaanse schema’s en symbolen in, Freud steekt er doorheen, zal ik maar zeggen. Om dat te zien hoef je het werk van Freud niet eens te kennen. Dat maakte het eerder een traktaat dan een bevlogen roman. Ook in De aanslag, op zich een geslaagde en ontroerende roman, deden de opzichtige verwijzingen naar Toeval, Alchemie en het Wereldraadsel afbreuk aan de dwingende vertelling. Om over De ontdekking van de hemel maar te zwijgen. Mulisch meende steeds vaker dat de vergroting van het raadsel erin bestond dat raadsel daadwerkelijk te benoemen. Wat was ik het daarmee oneens!
Ik heb hem één keer besproken, zijn laatste roman, uit 2001, Siegfried, met als ondertitel Een zwarte idylle. Ik vond het vooral een geestig boek. Waarin de vele betogen over het Toeval - Mulisch kon het gewoon niet meer laten - toch altijd iets luchtigs en geestigs behielden. Ik concludeerde dat dit werk 'op te vatten is als een ironische zelfexplicitering, juist de luchtigheid ervan geeft het zijn grote kracht’. En Mulisch steekt er flink de draak in met de beroemdheidscultus rondom schrijvers. Hij zet zichzelf in de figuur van Rudolf Herter, de wereldberoemde pijprokende schrijver, neer als een ijdele kwibus met allerlei rare meningen. Ergens noemt hij zichzelf zeer treffend en ontroerend mooi 'die oorspronkelijke jongen achter de ijsbloemen’.
Voor mij blijft hij voorgoed de schrijver van het fietsenhok op de middelbare school, hij blijft die oorspronkelijke jongen achter de ijsbloemen, die alles voor me betekende, die me ruimte gaf, die me liet zien wat het betekende onbevreesd de paden van het schrijfverlangen op te gaan. Want als er één was die naar schrijven verlangde was het Mulisch. Geen boek van hem is hetzelfde boek, nooit schreef hij een vervolg, of iets wat op een vervolg leek. Je kunt zijn stijl overal uithalen, zijn schrijfhand, en zijn zelfreflectie die hem wel eens parten begon te spelen. Maar nooit schreef hij wat hij al geschreven had. Altijd begon hij opnieuw.


Beeld: Harry Pot / Collectie Spaarnestad