De jongen van toen

Wéér ruzie gekregen over onze samenleving. Voorzichtigheid is hier op zijn plek, want het betreft boze familie.

Mijn gedragingen werden van een temperatuur voorzien. Mijn hart zou koud zijn, mijn beslissingen kil. Mijn empathie: koel onmenselijk.

Mijn gedachten gingen terug naar 1969 toen ik in Den Haag een tijdje in een atelier woonde van de schilder Hajé Smith, die een verhouding had met mijn zuster, en in het atelier van Willem Kloppers in een zijstraatje van de Denneweg dat ’t Lissabon heette.

Er was geen tv, dus we schreven, dichtten, schilderden en maakten muziek. Voortdurend kwamen er musici, schilders en dichters over de vloer. Soms deed de kachel het niet, dan zaten we met onze jassen aan rond de tafel waar een kaars brandde. In mijn herinnering – maar ik weet bijna zeker dat het ook zo was – werd er uitsluitend gesproken over kunst. Over Warhol, over Co Westerik, over Appel, over Reve en Wolkers. Waar stonden ‘we’ in de kunst, wat wilden ‘we’, wat was stijl, wat was kwaliteit? Waarom vond Hajé de schilder Alma Tadema geweldig, en vond Kloppers hem walgelijk? Het ging over vorm, esthetiek, moraal, Sartre. Het ging ook over politiek. Al die jongens (en hun vrouwen en vriendinnen evenals mijn zuster) hadden de oorlog meegemaakt. Sommige vaders waren ‘fout’ geweest, anderen hadden in het verzet gezeten en waren gesneuveld. De meesten waren geboren rond 1930. De verhalen over de oorlog werden tot diep in de nacht verteld. De drank was witte Griekse wijn van één gulden 75. Hij smaakte naar verbrand hout.

En we hadden empathie. We waren communist, fanatiek. We waren begaan met gevangenen, travestieten, transseksuelen, flikkers, negers. We spraken niet over homo’s en mensen van kleur. We reden auto’s van de sloop zonder dat we een rijbewijs hadden. Daar reden we mee naar Parijs. Als ik zei dat ik iets niet kon, dan zeiden Hajé en Willem: ‘In de kunst kun je alles, als je tenminste kunst wil maken.’ En: ‘Om iets te willen moet je oefenen.’ En, wanneer ik aan het kijken was naar hoe de schilders werkten, hoorde ik: ‘Elke lijn moet eigenlijk in conflict zijn met een andere, hij moet ruzie maken.’ En: ‘Je moet eenvoud zo ingewikkeld mogelijk maken.’ En: ‘Denk zelf.’

Op mijn zuster na zijn ze allemaal dood. Mijn zuster is tachtig.

Zij heeft een groot deel van mijn opvoeding voor haar rekening genomen – de eerste jaren – omdat mijn moeder wat ziek uit het kamp was gekomen en ze was in de jaren vijftig nog niet genezen.

Zuster heeft nog die sfeer van vroeger om zich heen die ik kwijt ben. De bohemiens kunnen elk moment binnenkomen.

Vrijheid is ­belangrijker dan ooit. Gewoon ­vrijheid: uitzonderlijk zijn, fanatiek, dronken, ontrouw, onberekenbaar, eigenwijs

We wezen destijds ambitie af – het moest alleen gaan om de kunst. Je mocht juist niet in de smaak vallen. En geld verdienen? Natuurlijk, je moest je werk proberen te verkopen, maar rijk worden was verboden. Je kocht ook werk van elkaar.

Ben ik veranderd? Zit mijn moraal in ijs? Is de hitte uit mijn aderen verdwenen? Vind ik nu de jongens en meisjes van toen naïef?

Nee. Juist niet. Ik sluit niet uit dat we toen (en ik nu) naïef waren.

Ik ben nog de jongen van toen. Alleen denk ik oprecht dat vrijheid belangrijker is dan ooit. Gewoon vrijheid. Je nergens iets van aantrekken, asociaal zijn, eventueel (echt eventueel) verantwoordelijkheid voelen voor de mensen om je heen, uitzonderlijk zijn, fanatiek, dronken, ontrouw, onberekenbaar, eigenwijs. God, wat walg ik van goede mensen. Die zijn nooit vrij, Bavink. Ze zijn niet zoals wij, Teigetje. Ze weten niet hoe ze moeten leven, Max.

Ik ben natuurlijk ook niet zo vrij. Uit angst zelfs te weinig vrij.

Maar kil? Koud?

Ik hou niet van dwang.

Zal ik terugbellen?