Over feminisering en taaie misverstanden

De jongetjesroman rukt op

Een literaire jury spreekt zich uit over de romans van 2005. Een schrijvende

criticus voelt zich aangesproken. Over een

kleine opmerking en de grote gevolgen.

De jury van de Gouden Uil Literatuurprijs klaagt. Te veel olijke meisjesboeken in de berg literatuur van 2005. Van schrik staan er buitengewoon veel olijke jongetjesboeken op hun longlist: Zapdansen van Roel Bentz van den Berg, Straatsofa van Dirk van Weelden, Zwerm van Peter Verhelst, Alfa Amerika van Jan van Loy, Joe Speedboot van Tommy Wieringa. Aardige boeken, maar jongetjesboeken. Klinkt hier verbittering? Mwah. Een beetje, misschien. In de donkere dagen rond kerst en nieuwjaar signaleerde ik nog dat er een feminiseringsgolf door letterenland trok («De kunst van het verleiden», in De Groene Amsterdammer, 16 december 2005). Daarmee doelde ik vooral op de toenemende warmte waarmee «lekkere» boeken worden onthaald door de vaderlandse kritiek. In tegenstelling tot een tijdje geleden lijkt er niet langer te worden neergekeken op schrijvers die allereerst hun lezers in de greep willen houden van een meeslepend verhaal. De term feminisering haalde ik van stal omdat de romans die nu in zwang zijn, teruggrijpen op een romantische verteltraditie die lange tijd te vrouwelijk, lees: te licht, werd bevonden.

Een paar maanden later denk ik: hoe naïef kun je zijn. Niet zozeer vanwege de gespierde longlists van zowel de Gouden Uil als de Libris Literatuurprijs. Joe Speedboot is juist ook wel een voorbeeld van zo’n «lekker» boek, dat door vrouwen en mannen gevréten wordt. En ook Jan Siebelink staat erbij. De receptie van diens Knielen op een bed violen vormde de perfecte illustratie voor mijn feminiseringstheorie. De grap van feminiene literatuur is namelijk dat die niet langer voorbehouden is aan vrouwelijke auteurs. Ook steeds meer mannelijke schrijvers maken hun lezers ontvankelijk voor een groots verhaal door ze deelgenoot te maken van een intieme geschiedenis. Ze verleiden hun lezers met hun heldere, scherpe en ironische stijl. Ze schrijven vanuit een diepgevoelde urgentie romantische boeken, die gaan over de kracht van literatuur die uit liefde is geschreven. Naast Siebelink gaf ik Ian McEwan (Zaterdag) en Nicole Krauss (Geschiedenis van de liefde) als voorbeeld van dit type auteurs, dat het zowel bij de kritiek als bij het publiek goed doet.

De longlists, en straks bij de shortlists zal dit nog sterker het geval zijn, vormen – afgezien dan van de aanwezigheid van Siebelink en Wieringa – geen weerspiegeling van deze trend. De nominaties voor de Gouden Uil en de Libris Literatuurprijs – die voor de Ako Literatuurprijs zijn op de een of andere manier altijd wat aardser – beginnen steeds meer weg te hebben van een laatste strohalm voor een uitstervende diersoort. Werd zijn uitgever al na twee maanden door de boekhandel gemaand zijn boeken weer terug te nemen, inmiddels kan Elvis Peeters zich erop verheugen dat zijn amper verkochte en dito besproken roman De ontelbaren – op de longlist van beide literaire prijzen – misschien nog een herkansing krijgt. En zo gaat het met de meeste titels. In een tijdvak waarin steeds meer romans worden gedrukt en steeds minder romans een langere levensduur dan twee maanden is beschoren, is het een troostrijke wetenschap dat men nog érgens – op de zolderkamertjes waar juryleden van literaire prijzen samenscholen – in de weer is met het Grote Kwaliteitsstempel, en dat álle literaire boeken die in een jaar zijn verschenen nog eens tegen elkaar worden afgewogen, zonder aanzien des persoons. Dat daarbij weer heel andere processen op gang komen, waardoor voor de hand liggende titels níet en op het eerste gezicht tamelijk obscure wél uitverkoren kunnen worden, is voor een deel «jurydynamiek», maar heeft ook te maken met het groeiende zelfbewustzijn van literaire jury’s. Zij vertegenwoordigen het laatste restje ivoren toren in een verder geheel gedemocratiseerd boekenbedrijf, en dat zullen we weten ook.

Komt het dan toch door die bijna terloopse sneer over «olijke meisjesboeken» van de Gouden Uil-jury dat ik opnieuw ben gaan nadenken over de veronderstelde feminiseringsgolf? Het lijkt veel eer, maar ik ben bang van wel. Dat wil zeggen: in combinatie met de reacties op mijn stuk drong verlaat tot me door dat de term feminisering zodanig historisch beladen is dat een simpele scribent in De Groene Amsterdammer die niet zomaar een meer heroïsche zwieper kan geven.

Allereerst werd ik er van verschillende kanten op gewezen dat «het» nooit anders is geweest. «Het» slaat in dit geval terug op mijn constatering dat de Nederlandse literatuur nog nooit zo weinig vooruitstrevend is geweest als nu, en dat er voor meer vernieuwend of experimenteel proza niet zoveel geduld meer is, bij het lezerspubliek noch bij de literatuurcritici. Zowel Kees Snoek als Lisa Kuitert wees mij erop dat ook in vroeger tijden – eind negentiende, begin twintigste eeuw – de romans van de grote vertellers veel en veel populairder waren, óók bij critici. Feit is alleen dat zestig, zeventig jaar na dato deze romans van de plank zijn gevallen, en hun schrijvers vergeten zijn geraakt. Kees Snoek tekent hierbij aan: «Niet dat de meer vernieuwende romans uit die jaren (Snoek heeft het met name over het interbellummp), die een groter intellectueel beroep doen op de lezer, tegenwoordig worden stukgelezen (verre van dat!), maar zij hebben een taaier bestaan en kunnen nog steeds een rol spelen in de discussie over de waarde van literatuur» (Kees Snoek, «Kritisch», in het digitale Mededelingen Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie, nr. 63). Impliciet zegt Snoek dat romans die in hun tijd van verschijnen populair zijn niet een héél erg lange houdbaarheid hebben. Daarover straks meer. Eerst terug naar mijn oorspronkelijke constatering, die bij nader inzien veel te maken heeft met de jaren waarin ik zelf leerde wat literatuur was.

Ik studeerde begin jaren tachtig Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Voorzover je je al openlijk aan de schone letteren wijdde – beter was het om arbeiders taalbeheersing bij te brengen – deed je dat in historisch-materialistische context. Kontekst, pardon. Couperus was fout, Vogelaar goed, daar kwam het grofweg op neer. Literatuur was hard werken, bijna een soort straf eigenlijk. Hoe onbegrijpelijker, hoe beter. Natuurlijk, op een gegeven moment komt alles wel goed en ben je in staat het een en ander in perspectief te plaatsen, maar de basale gedachte is gebleven. Literatuur is kunst, en niet per se onmiddellijk te genieten. Ik herinner me de literaire recensies uit die tijd ook als een soort leeswijzers, langer en degelijker dan de leesverslagen die je nu zoveel ziet, inclusief die dodelijke sterretjesnotering.

Deze periode, die achteraf gezien natuurlijk ook weer niet meer dan een periode is, zou wel eens onbewust het ijkpunt kunnen zijn geworden van waaruit ik literatuur ben gaan beschouwen. Met als gevolg dat ik twintig jaar later verbaasd constateer dat een heel ander soort romans literaire status heeft verworven en dat wat ooit doorging voor échte literatuur, zo goed als verdwenen is.

Achteraf gezien is het verwarrend dat ik dit proces «feminisering» noem, omdat in de literaire volksmond feminisering gelijk staat aan verslapping en vervlakking. Zo wees Erica van Boven er zes jaar geleden op dat verdedigers van zogenaamd hoge literatuur traditiegetrouw de gevaren van vrouwelijke zijde zien komen (Erica van Boven, «De eeuwige verbinding van schrijfsters, massa’s en middelmaat», in De Gids, september 2000, p. 688-697). Nooit, schrijft Van Boven, zie je eens boven een artikel staan: «Mannen veroveren letterland». Tegelijkertijd signaleert zij, in navolging van de steeds vager wordende grenzen tussen lage en hoge cultuur, dat het niet langer automatisch tégen een schrijver pleit als zijn of haar boek veel gelezen wordt. Van Boven: «Als bestsellers niet langer per se tweederangs zijn, als status in literaire kringen en populariteit bij lezers elkaar niet meer per definitie uitsluiten, kan het niet anders dan dat schrijfsters daarvan profiteren.»

En inderdaad. Zes jaar later kunnen we constateren dat deze tendens heeft doorgezet: in deze tweede aflevering van Literatuur[De Groene Amsterdammer] verschijnt een artikel over de hedendaagse roman onder de kop «De jongetjesroman rukt op». De benaming damesromans is niet langer voorbehouden aan vrouwelijke schrijvers; denk aan reacties op het werk van Kluun, Glastra van Loon en Japin. En steeds meer schrijfsters kunnen rekenen op serieuze aandacht van critici, met als voorlopig hoogtepunt de recensies van de nieuwe Heleen van Royen op de literatuurpagina’s van de grote kranten.

Maar toch. Het zijn misschien wat schrale constateringen, zo schraal dat ze niet gedaan moeten worden onder de vlag «feminisering». Te meer als ik daarmee de suggestie zou wekken dat vrouwelijke schrijvers anno 2006 het patent hebben op een bepaald soort, lekker weg lezende romans. Voor je het weet heb je het alsnog over laffe chick-lit.

Kees Snoek maakte zich in zijn reactie ook bezorgd over de koppeling van «feminisering» aan het psychologisch-realistische genre. Immers, schrijft hij: er zijn voldoende vrouwen die wél vooruitstrevende literatuur schrijven, die méér willen zijn dan a good read. En zo is het maar net. Als de term feminisering het zicht op hen zou ontnemen, is het een verwarrende term.

Het punt dat ik om de een of andere reden moeilijk uit de pen krijg, ligt op een net ander vlak. Voor mij is de wereld niet gered als longlists van literaire prijzen vol staan met olijke meisjesboeken. Het gaat mij om logge, maar moeilijk te grijpen zaken als perceptie en waardering. Het hoge woord moet eruit, te veel eer of niet: waarom kunnen geheel verschillende romans van vrouwen nog steeds worden afgedaan als «olijke meisjesboeken»? Waarom worden overpeinzingen over popmuziek, hardlopen en voetballen nooit «olijk» of «triviaal» of «mannelijk» genoemd? Waarom wordt een megalomaan en onleesbaar werk als Zwerm van Peter Verhelst vanzelfsprekend ernstig genomen?

Het probleem met deze vragen is dat je ze alleen op schrille toon kunt stellen. Kwaliteit is kwaliteit, en daarmee uit. Maar wie bepaalt wat kwaliteit heeft? Steeds minder degenen die zich nabokoviaans koket «volkomen homoseksueel» verklaren als het op literaire smaak aankomt, mag je hopen. Wat niet wegneemt dat literaire-juryleden in al hun deskundigheid en belezenheid ook maar mensen zijn. Mensen wier literaire smaak in een bepaalde periode is gevormd. Die zichzelf zien als het laatste restje literair verstand in een gevulgariseerde wereld. Die niet lezen op onmiddellijk genot, maar op de eeuwigheid. Een soort critici dus, waartoe ik mezelf ook reken.

Alleen dat van die eeuwigheid wordt in jurydiscussies zwaarder gewogen dan in een wekelijkse recensie. En dus komen er op de longlists boeken bovendrijven die een groter intellectueel beroep doen op de lezer, die een discussie aanwakkeren over de waarde van literatuur en die wie weet in hun taaiheid straks beter bestand zijn tegen de tand des tijds. Waarom men dan denkt dat jongetjesboeken sterker zijn dan meisjesboeken? Het lijkt me een taai misverstand. Taaier nog dan veel romans op de longlists. * Marja Pruis is criticus, schrijver en ex-lid van de Librisjury. In 2005 verscheen haar roman De vertrouweling