Decamerone 2020

De jood van Borculo

Terwijl de pest op de deur klopte, vertelden de Florentijnse jongeren van Giovanni Boccaccio elkaar sterke verhalen over verliefdheid, waanzin en bedrog om de verveling van hun quarantaine te doorbreken. Nu, zevenhonderd jaar later, kunnen we die traditie voortzetten. Verteller nummer drie: Arnon Grunberg

Er was eens een oude jood die op een zomerdag met drie koffers in het stadje Borculo arriveerde en met koffers en al in lunchroom De Heerlijkheid neerzeeg en daar bekendmaakte, zonder dat iemand hem iets had gevraagd, het huis aan de rand van het stadje te willen kopen dat van de moeder van Johan Beltman was geweest.

Johan Beltman was al jaren gynaecoloog in Den Haag met een vrouw, twee honden en twee dochters, al herinnerden de oudere inwoners van Borculo Johan nog als een verlegen en puistige puber die zijn dagen doorbracht met het spelen van viool op de zolder van het huisje dat nu dus gekocht zou gaan worden door een oude jood, omdat de moeder van Johan aan het eind van de winter was overleden aan de gevolgen van een hersenbloeding en haar enige zoon het huis meteen in de verkoop had gegooid. Tonnen wilde hij ervoor hebben. Volgens de inwoners van Borculo was zijn vraagprijs veel te hoog, waardoor het al die tijd leeg had gestaan en de inwoners tegen elkaar zeiden: ‘Als hij niet naar beneden gaat met die prijs, raakt Beltman dat huis nooit kwijt, we zijn hier niet in de Randstad.’

Tot de oude jood arriveerde, al wisten de mensen in Borculo niet meteen dat ze met een oude jood te maken hadden, omdat hij niets van de kenmerken had die aan oude joden worden toegeschreven. Hij droeg een onopvallende spijkerbroek, een groen poloshirt, eveneens onopvallend, en gympen, hij had geen haar op zijn hoofd, zijn schedel was glad maar glansde niet en hij had een kleine neus. Daarnaast praatte hij accentvrij Nederlands en beweerde in de houthandel te hebben gezeten, vanwege dat hout had hij de wereld rondgereisd, nu was de tijd gekomen om van zijn pensioen te genieten en hij had zijn oog laten vallen op Borculo. Helaas was Beltmans makelaar met zijn vriendin voor twee dagen naar Keulen vertrokken – kennelijk was er iets misgegaan in de communicatie tussen de oude jood en de makelaar –, maar Johan Beltman had per sms beloofd na zijn werk in het ziekenhuis meteen naar Borculo te rijden om het huisje van zijn moeder aan de oude jood te tonen en tot die tijd bleef de jood met zijn drie koffers in De Heerlijkheid zitten. Simone, die al decennia in de horeca van Borculo werkte en die de oude jood reeds zeven koffie, twee tosti’s en appelgebak met slagroom had geserveerd – dat appelgebak had hij grotendeels laten staan –, zei dat ze hem wel een paar hotels in de omgeving kon aanbevelen, hij wilde zich misschien opfrissen, maar de oude jood zei: ‘Nee, ik wacht hier, als het huis niets voor me is reis ik door naar Hengelo, daar heb ik een oude vriend zitten.’

Pas laat in middag, toen de mensen in Borculo tegen elkaar zeiden dat ze het nog nooit zo heet hadden gehad en de oude jood zich op de wc van lunchroom De Heerlijkheid had omgekleed en naar buiten was gekomen in een merkwaardig want nogal strak gymbroekje, waardoor een groot litteken op zijn rechterscheenbeen zichtbaar werd, kwam Simone op het idee om te vragen: ‘Hoe heet u eigenlijk?’

Toen zei de oude jood: ‘Ik ben Ruud Pochstein.’

Simone besprak het met haar baas en die zei: ‘Pochstein, dat zou weleens een jood kunnen zijn.’ Hij belde meteen zijn vrouw, die veel van joden wist omdat ze er vroeger met een getrouwd was geweest, een heel aardige trouwens, hij was omgekomen bij een verkeersongeluk, en die vrouw zei: ‘Pochstein, ja dat lijkt me een joodse naam.’

Die middag nog ging het als een lopend vuurtje door Borculo dat er in De Heerlijkheid een oude jood in een korte broek zat en veel inwoners van Borculo namen ondanks de drukkende zomerhitte de moeite om naar De Heerlijkheid te gaan om de oude jood te bekijken. De baas van Simone zei: ‘Ik weet dat we om vijf uur dicht horen te gaan, maar die oude jood is goed voor de omzet, we blijven tot zeven uur open.’

Het was de dochter van metselaar De Boer, een meisje van zeven, een echte flapuit, die aan de oude jood vroeg: ‘Ben jij een oude jood?’ En toen antwoordde Pochstein, en dat vonden de inwoners van Borculo heel schappelijk van hem: ‘Ja, dat kun je wel zeggen, dat ben ik.’

Nog voor zeven uur arriveerde Johan Beltman in Borculo, diezelfde avond kocht de oude jood het huis waar de moeder van Johan de laatste, niet bijster gelukkige jaren van haar leven had doorgebracht, en hoewel er geruchten de ronde deden dat de oude jood contant met Johan had afgerekend – het geld zou in een van de drie koffers hebben gezeten – heeft Beltman zelf dat altijd ontkend. Zeker is dat de oude jood een gedeelte van het antieke en ietwat vergane meubilair van Johans moeder overnam en verder weinig aan het huis liet opknappen. Toen eind augustus een nieuwe hittegolf het land in zijn greep had, nam hij zijn intrek in het huis waar de jonge Johan fanatiek viool had gespeeld waarna hij, aangezien het conservatorium hem niet wilde hebben, eindigde als gynaecoloog.

Hoe de jood van Borculo precies de reputatie verkreeg een wijze te zijn, daarover lopen de meningen uiteen. De een beweert dat hij Karin Steentjes, die al jaren aan nachtmerries leed – haar vader had tegen de nachtmerries speciaal een hond voor haar gekocht –, door middel van handoplegging van haar gruwelijke dromen had genezen, een ander zegt dat hij buurman Lammers van een nare brandwond aan de onderarm had verlost met behulp van zelfgemaakte kruidenzalf, en een derde verklaart dat zijn voorspellingen altijd uitkwamen. Zeker is dat een paar weken voor Kerstmis Fanny van de kantoorboekhandel, waar ze ook wat literatuur verkochten – Fanny was er trots op dat ze Mak en Wieringa op de toonbank had staan – bij de oude jood was ingetrokken. Daar moesten de inwoners van Borculo aan wennen, wijze of geen wijze, want Fanny had een dochter van elf en zelf was ze ruim 35 jaar jonger dan de oude jood. Hoe die liefde tussen de jood van Borculo en Fanny van de kantoorboekhandel precies is opgebloeid, ook daarover zijn de meningen verdeeld, zeker is dat hij haar kantoorboekhandel was binnengewandeld in de hoop een perforator aan te schaffen en dat hij ruim drie kwartier later naar buiten wandelde met een boek van Mak onder de arm. Daarna was het eigenlijk vanzelf gegaan. ‘Alsof het zo had moeten zijn’, zei Fanny. ‘Ik verkocht hem Mak, hij nodigde me uit voor het eten.’

Uiteraard spraken de inwoners van Borculo hier langdurig met elkaar over, 35 jaar is niet niets en dan nog die dochter van elf. De vader van Karin Steentjes, die graag beweerde dat hij zijn hart op de tong had, ging op een middag de kantoorboekhandel binnen, kocht wat enveloppen en toen hij alleen was met Fanny vroeg hij: ‘Hoe neukt die oude jood?’

Uiteindelijk zeiden de bewoners van Borculo tegen elkaar: ‘Die oude jood moet verdwijnen’

Fanny was een openhartige vrouw die al vijf mannen en een vrouw had versleten en ze wilde de vader van Karin Steentjes, nu er toch geen andere mensen in haar winkel waren, best uitleggen hoe de oude jood neukte.

Of de vader van Karin Steentjes die uitleg goed verwerkt heeft of dat Fanny misschien wat overdreven had, ook daarover doen allerlei verhalen de ronde.

Hoe dan ook, vanaf de dag dat de vader van Karin Steentjes had willen weten hoe de oude jood neukte, begonnen de geruchten in Borculo dat het huis van de moeder van Johan Beltman gekocht was door een seksverslaafde, een maniak. Sommige bewoners van het stadje zeiden tegen elkaar dat ze medelijden met Fanny en haar dochter hadden en kinderen, althans dat vermoedde men, begonnen tekeningen te maken van het geslachtsdeel van de wijze, die nu eigenlijk geen wijze meer was. Die tekeningen werden aan bomen in Borculo opgehangen, wat niet prettig moet zijn geweest voor Fanny.

Maar in het huis waar Johans moeder jarenlang had gewacht op de dood zoals anderen wachten op een minnaar, werden nu geregeld feesten gegeven waar de bewoners van Borculo schoorvoetend naartoe gingen, ze hadden weinig empathie met seksverslaafden, maar ze moesten toegeven dat de wijn die daar geschonken werd uitstekend was. Daarnaast bleef de oude jood voor deze en gene inwoner van Borculo een wijze, al zei hij zelf dat hij gewoon een houthandelaar in ruste was die in geval van twijfel telefoneerde met een astrologe in Middelburg.

Het was een jaar na de komst van de wijze en een maand of tien nadat Fanny met haar elf-, inmiddels twaalfjarige dochter bij hem was ingetrokken, het was weer vreselijk warm in het stadje en de oude jood gaf een klein tuinfeest waarop zoals altijd eigenlijk alle notabelen van het stadje zich lieten zien, het was die avond dat de labrador van Karin Steentjes verdween en pas drie dagen later met doorgesneden keel en sporen van mishandeling in een weiland werd teruggevonden.

Daarop volgden nog andere plagen die Borculo troffen die wij hier niet kunnen noemen omdat ze te gruwelijk zijn om op te schrijven en ondanks alles wat er tegenwoordig gratis op het internet te zien is ook niet geschikt zijn voor kinderen onder de achttien. Uiteindelijk zeiden de bewoners van het stadje tegen elkaar: ‘Die oude jood moet verdwijnen, anders gaan we allemaal kapot.’

De vader van Karin Steentjes, die nu eenmaal van zijn hart geen moordkuil maakte, bracht de boodschap over aan Fanny en nog geen veertien dagen later, na wat milde druk van de plaatselijke bevolking, had de oude jood zijn koffers gepakt en zat hij weer in De Heerlijkheid, waar hij wachtte op een taxi naar Zutphen.

Binnen twee maanden was Fanny helemaal grijs geworden. Ze verfde het haar niet. Klanten vroegen haar weleens: ‘Waarom ben je niet met die oude jood meegegaan? Jullie konden toch elders een bestaan opbouwen?’ Daarop heeft Fanny nooit antwoord gegeven.

Het huis van de moeder van Johan Beltman heeft bijna een jaar leeggestaan tot het werd gekocht door een notaris uit Hilversum, en Karin Steentjes heeft sinds het onverwachte vertrek van Fanny’s minnaar weer vreselijke last van nachtmerries.

Nog altijd hangen er geregeld tekeningen van het geslachtsdeel van de oude jood aan bomen in Borculo.

Niemand weet meer of het echt kinderen zijn die die tekeningen maken, niemand weet zeker wie ze met punaises aan bomen bevestigt, niemand weet wie ze van die bomen rukt, al zijn er vermoedens.

Elk stadje heeft zijn geheimen.