De opbloei van nationalisme in Israel

De joodse natiestaat is niet van gisteren

Met een serie wetsvoorstellen eist de nieuwe Israëlische regering het recht van het joodse volk op een eigen staat op. Het politieke draagvlak voor maatregelen die de rechten van de Israëlische Palestijnen beperken, groeit.

Het vergaderzaaltje van café Joe in Jeruzalem is tjokvol. Er zijn meer leden van Israel Beitenoe komen opdagen dan er stoelen en ‘beggels’ zijn. ‘De plichten van burgerschap; loyaliteit is niet facultatief’, daar zal het vandaag volgens de uitnodiging om gaan. Partijlid en minister van Infrastructuur, Uzi Landau, preekt vanavond voor eigen parochie. Zijn oneliners – ‘Een onafhankelijke Palestijnse staat brengt geen oplossing maar oorlog’ en ‘Israëlische Arabieren hebben rechten ín Israël, maar niet óp Israël’ – worden met applaus ontvangen.
De genodigden komen helemaal goed op gang als de gepolijste retor Landau benadrukt dat alle burgers – joden én Arabieren – hun loyaliteit aan de joodse staat moeten betonen. Hij wijst op een serie wetsvoorstellen die de nieuwe regering in ijltempo aan de Knesset heeft voorgelegd: een ontwerp tot invoering van een wettelijke eed van trouw aan de joodse en zionistische staat voor burgers die de nationale identiteitskaart willen krijgen, de Nakba-wet, die publieke herdenking van de Palestijnse ramp verbiedt, en het door de Knesset voorlopig goedgekeurde wetsontwerp dat ontkenning van Israël als joodse en democratische staat strafbaar stelt. Negatieve ‘elementen’ moet de mond worden gesnoerd, meent Landau. ‘You are my man’, schreeuwt een Amerikaan op leeftijd. Het publiek reageert met een ovatie.
Ogenschijnlijk bestaat er geen samenhang tussen deze wetsontwerpen, die zowel in Israël als in het buitenland voor de nodige opwinding zorgden, maar de achterliggende gedachte is dat het enige thuis voor alle joden ter wereld wordt bedreigd en beschermd moet worden. Nu is de Nakba-wet al afgezwakt, maar er bestaat in de kersverse regering een groeiend politiek draagvlak voor maatregelen die de rechten van de Israëlische Palestijnen beperken.
Een half jaar na Operatie Gegoten Lood in Gaza en bijna drie jaar na de Tweede Libanonoorlog lijkt Israëls stemming te slingeren tussen cynisme over de beperkte daadkracht van zijn vorige leiders en een apocalyptische angst voor zijn onzekere toekomst. Na een apathische verkiezingsstrijd, waarbij enkele Arabische partijen buiten spel werden gezet – hun verkiezingslijsten werden gediskwalificeerd, kwam de ultrarechtse partij Israel Beitenoe als grote overwinnaar uit de bus. Het resulteerde in een bijeengeveegd rechts kabinet onder leiding van Likud-leider Benjamin Netanyahu met meer kabinetsposten dan ooit in de geschiedenis van Israël.
Netanyahu’s speech van twee weken geleden, doorspekt van retoriek over Judea en Samaria en de tragische geschiedenis van Israëls onmacht, wordt door sommigen betiteld als een historische kentering. Volgens anderen is er niets nieuws onder de zon. De oorzaak van het Israëlisch-Palestijnse conflict zoekt Netanyahu in de (Palestijnse) afwijzing van het recht van het joodse volk op een eigen staat. Erkenning van de joodse natiestaat met een ongedeeld Jeruzalem als hoofdstad is voorwaarde voor de bespreekbaarheid van een gedemilitariseerde Palestijnse staat.
Niet alleen politici, maar ook gematigde burgers, academici en studenten lijken steeds vaker een extreem nationalisme en neozionisme na te streven. Zomaar een greep uit het recente nieuws: rechtse nationalistische studentenverenigingen rijzen als paddenstoelen uit de grond, Israëlische gemeenten in Galilea eisen een zionistische eed van trouw voor nieuwe bewoners, de ultrarechtse kamerleden Rotem en Ariel – beiden kolonisten in nederzettingen – zijn verkozen als Knesset-vertegenwoordigers in de aanstellingscommissie voor rechters. Angst lijkt de generieke noemer: angst voor de Arabisch-Palestijnse invloed, de demografie, Iran.
Bezorgde Israëlische analytici vrezen dat Israël door de opbloei van dit nationalisme zijn strategische positie in de VS zal verliezen en dat Europa het de rug zal toekeren. Hernieuwde vredesonderhandelingen zijn volgens sommigen gedoemd te mislukken en de toenemende beperking van de positie van minderheden staat op gespannen voet met de Israëlische democratie.

Het idee voor de joodse natiestaat is al meer dan een eeuw oud en ontstond na een periode van imperialisme in Europa, toen nieuwe natiestaten werden opgericht waar Tsjechen, Hongaren en andere Europeanen in vrijheid en onafhankelijkheid konden leven. Het duurde tot het verdeelplan van 1947– de verdeling van Palestina in een joods en een Arabisch gedeelte – tot de joodse staat in Palestina door de verenigde Naties werd aanvaard. De beslissing werd gevoed door de veranderde wereldopinie, die zich na de Tweede Wereldoorlog achter de overlevenden van de Shoah schaarde. De zionistische beweging plande in de beginjaren de absorptie van achthonderdduizend joden. Maar het land was niet leeg. Er woonden al zo’n 1,25 miljoen Arabieren, die hun land niet wilden opgeven.
‘In het oorspronkelijke concept ging het niet om een joodse staat, maar om een staat voor de joden en al zijn burgers’, zegt dr. Fania Salzberger-Oz, directeur van het Posen Research Forum voor politiek denken van de universiteit van Haifa. ‘In het politieke denken bestaat een joodse staat net zomin als een joodse stoel. De joodse en democratische componenten van de staat zijn niet gelijk. De liberale democratie biedt een keurig kader voor verschillende culturen, groepen en levensvormen, die alle een plaats moeten hebben. In een staat voor de joden zal een joodse meerderheid bestaan, volgens de democratie moet zij de Arabieren een plaats geven. Zo’n 120 jaar geleden werd de joodse identiteit losgekoppeld van het geloof. Ik ben bijvoorbeeld volledig seculier en heb acht van de tien geboden gebroken, Tel Aviv ligt mij nader aan het hart dan joods-religieus Jeruzalem, maar ik ben joods door cultuur, achtergrond, geschiedenis en de nationale soevereiniteit.’
In die zin moeten joden volgens Salzberger als volk en natie worden gezien. Het joodse element is zichtbaar in de kalender, symbolen en feestdagen, zoals traditioneel christelijke feesten worden gevierd in Europese staten. Maar het ‘joodse’ mag de gelijkheid van en respect voor niet-joodse minderheden niet belemmeren. Salzberger verwijst naar de Europese staten die inheemse meerderheden hebben die Frans of Nederlands en overwegend christen zijn, maar zij leven naast etnische minderheden in een democratie.
Salzberger-Oz veert met kracht overeind als ik haar vraag waar dan die opbloei van het nationalistische en zionistische gedachtegoed en de krampachtige maatregelen van de overheid vandaan komen. ‘Als zionist protesteer ik. Extreem-rechts nationalisme moet niet verwisseld worden met zionisme. Rechtse groeperingen misbruiken de term om ondemocratische acties te legitimeren. Dat heeft niets met zionisme te maken, dat juist een liberale beweging is. Het probleem in Israël is dat men zo geforceerd het joodse en democratische karakter met elkaar in balans tracht te brengen, dat we in onze publieke discussie het liberale element vergeten en dat gaat ten koste van de minderheden.’

Niet iedere zionist lijkt van dezelfde beginselen doordesemd. Amit Barak (32), student geschiedenis en medeoprichter van de studentenorganisatie Im Tirtzoe (‘Als je wilt’), die ik op de campus van de Hebrew universiteit in Jeruzalem ontmoet, wijst glunderend om zich heen naar het historische landschap van Mount Scopus. ‘Dit is zionisme. Wij willen een joodse staat met Jeruzalem als ongedeelde hoofdstad. Dat laatste is het allerbelangrijkste. Wie Jeruzalem wil verdelen, is geen zionist.’ Barak plaatst zichzelf aan de rechterkant van de politieke kaart. Twee jaar geleden formuleerde hij met enkele vrienden de ideologische uitgangspunten voor ‘de beweging voor de Tweede Zionistische Revolutie’. Het idee van die zionistische revolutie kwam voort uit onvrede. ‘Verschillende medestudenten hadden in de Libanonoorlog gevochten en voelden zich in de kou staan. Dat kwam door het gedrag van de politieke leiders, Olmert en consorten, maar ook door het gebrek aan steun van de burgers; de pers was nonchalant.’
De studentenvereniging loopt als een trein, heeft nu al negen afdelingen aan de verschillende universiteiten, telt zesduizend actieve en 23.000 geregistreerde leden en behaalde tijdens de laatste studentenraadverkiezingen een verkiezingswinst. De studenten organiseren solidariteitsacties voor joodse gemeenten in problematische gebieden, zoals Sderot, en geven voorlichtingsbijeenkomsten op de campus. Dat klinkt lovenswaardig, maar er is ook nogal wat kritiek. Volgens Eli Osheroff, redacteur van een studentenkrant, probeerden Im Tirtzoe-activisten een demonstratie van Arabische studenten tegen de Operatie Gegoten Lood in Gaza te ontregelen door leuzen te scanderen als ‘We zullen je dorp platbranden’ en ‘We ontmoeten je weer als we legerdienst doen’. En ze gaan nog verder. Iedere professor die anders denkt, wordt als opruier en antizionist neergezet. Mensen worden geïntimideerd. ‘Ze verzwakken het zionisme en schaden de relatie met de Arabische minderheid.’
Amit Barak veegt de kritiek van tafel en wijst op de actie die zijn vereniging onlangs voor een andere minderheid, de Druzen, heeft gevoerd. Maar als ik hem vraag naar de Nakba-dag slaat hij om. Die herdenkingsdag van de Palestijnse ramp creëert haat en onvrede, stelt Barak eenvoudig. De Arabieren mogen niet demonstreren.

Zou een rechtse nationalistische beweging de rechten van minderheden werkelijk kunnen beperken om haar positie als meerderheid te verzekeren? Ja, is de conclusie van professor Kremnitzer, jurist en vice-president voor onderzoek naar democratie aan het onafhankelijke Israel Democracy Institute in Jeruzalem die bekend staat om zijn scherpe kritiek op de regering. ‘Maar als zij dat doet en het joodse karakter van de staat als onweerlegbaar beschouwt en zelfs de wetgeving misbruikt om de vrijheid van andere gedachten te verhinderen, dan is Israël geen democratie meer. Vrijheid van meningsuiting is het basisbeginsel van de democratie. De kans dat dat gebeurt is echter klein. In de nieuwe regering zitten ook liberalere politici en leden van de Arbeiderspartij. Als het parlement niet overstag gaat, hebben we de Hoge Raad die zal interveniëren.’
Het toenemende politiek nationalisme is volgens Kremnitzer een reactie op de betrekkelijk liberale jaren tachtig en negentig, waarin Rabin als held werd vereerd, twee Israëlisch-Palestijnse verdragen (de Oslo-akkoorden) en een Israëlisch-Jordaans vredesverdrag werden gesmeed en de nieuwe historici voor het eerst de gevolgen van de stichting van de staat en de Nakba bespreekbaar maakten. Israël raakte in toenemende mate verdeeld over het vredesproces, de reactie op de Tweede Intifada en de aanhoudende terreuracties in Israël, die men toeschreef aan de linkse tolerante politiek. ‘De sentimenten’, zegt Kremnitzer, ‘zijn gedeeltelijk gebaseerd op existentiële angst. Voor veel Israëliërs zijn Israëlische Palestijnen vijanden van de joodse staat. Maar ook de Palestijns-Israëlische politici voelden zich verplicht om nationalistische leuzen te roepen. De politici denken dat ze de stem van het volk vertegenwoordigen, terwijl ik geloof dat de gewone mensen veel coöperatiever en gematigder zijn.’
Het is tien uur in café Joe en de obers beginnen onrustig de tafels af te ruimen. We mogen via kaartjes die op tafel liggen schriftelijk nog vragen aan de minister stellen. De meeste vragen beantwoorden zichzelf. Denkt u ook niet dat de Verenigde Staten de geldkraan dicht zullen draaien als we de bouw van kolonies in Judea en Samaria niet staken? Zal een onafhankelijke Palestijnse staat – na onze ervaringen in Gaza – niet onmiddellijk naar de wapens grijpen? Er ontstaat discussie over de vraag of Hamas al dan niet de Westoever zal overnemen. In al het tumult blijft mijn kaartje op tafel liggen; de vraag hoe democratisch al die wetten zijn, laat de minister vooralsnog onbeantwoord.