Shmuel Feiner, The Jewish Enlightenment

De joodse Verlichting

Shmuel Feiner

The Jewish Enlightenment

University of Pennsylvania Press, 440 blz., € 52,95

Op 22 november 1800 overleed de joodse filosoof Salomon Maimon. Hoewel hij was opgeleid tot talmoedist had hij gekozen voor de Verlichting. Hij had de ratio tot maatstaf gemaakt en was in het zoeken naar de waarheid het hoogste streven gaan zien. Daarom was er voor zijn stoffelijk overschot geen plaats op de joodse begraafplaats van het in Neder-Silezië gelegen Glogau (Polen). Een stel straatjongens begroef hem aan de andere kant van de kerkhofmuur.

De in het toentertijd tot Polen behorende Litouwen geboren Maimon groeide op in uiterst armoedige omstandigheden en verzette zich al vroeg tegen het traditionalistische en in zijn ogen achterlijke geestelijke klimaat binnen de joodse gemeenschap. In Mijn levensverhaal (Atlas) beschreef hij hoe hij zich in toenemende mate ergerde aan de weliswaar scherpzinnige en welsprekende maar tevens eindeloze disputen over commentaren op commentaren op de talmoed, die in zijn ogen niets anders opleverden dan «een talmoedische vorm van scepticisme die volledig in strijd is met een doelmatige en systematische studie». Fel keerde hij zich ook tegen «het rabbijnse despotisme dat door de macht van het bijgeloof al eeuwenlang stevig op de troon zit en om wille van zijn eigen hachje de verspreiding van licht en waarheid op allerlei mogelijke manieren probeert te verhinderen».

Aanvankelijk schreef hij zijn filoso fische studies in het Hebreeuws, maar al snel kwam hij erachter dat dit zinloos was. Het handjevol joden dat hiervoor belangstelling zou kunnen hebben zou dergelijke geschriften in een andere taal lezen, aangezien het Hebreeuws «heel weinig geschikt is voor wetenschappelijke uiteenzettingen». Maar de overgrote meerderheid stond nog zo onder invloed van de rabbijnen dat ze een enorme afkeer hadden van alles wat naar wetenschap riekte.

Vandaar dat Maimon zijn grote commentaar op Kants Kritik der reinen Vernunft in het Duits schreef. Deze studie, waarin hij de ideeën van Kant een meer sceptische wending gaf, bezorgde hem in kringen van de Duitse Verlichting een aanzienlijke reputatie. Hij had al contact met de belangrijkste joodse Verlichtingsfilosoof, Moses Mendelsohn, en werd nu ook geïntroduceerd in niet-joodse intellectuele kringen, waar hij onder meer kennismaakte met Goethe en Schiller. De grootste lof ontving hij van Kant, die stelde dat Maimon de enige was die zijn werk echt had begrepen.

Maimon was niet de eerste jood die werd gegrepen door de inzichten en idealen van de Verlichting. Dit blijkt uit The Jewish Enlightenment, een onlangs in het Engels vertaald boek van de Israëlische historicus Shmuel Feiner over de invloed van de Verlichting op het achttiende-eeuwse jodendom. Daarin wordt een prachtig beeld geschetst van de opkomst van een joodse intelligentsia die zich begon te ontworstelen aan de allesoverheersende greep van de rabbijnen op het religieuze, intellectuele en culturele leven van de joden in Midden- en Oost-Europa.

Rond 1700 werden de eerste joodse studenten toegelaten tot Duitse universiteiten. Voor hen, opgegroeid in een omgeving waar alle kennis theolo gische kennis was, betekende deze confron tatie met de wetenschap een enorme verbreding van de geestelijke horizon. Met de moderne weten schappelijke denkbeelden van de Verlichting maakten deze studenten zich ook de bijbehorende Verlichtingsidealen eigen. Deze verlichte joden, of maskilim, zagen zichzelf als autonome en rationele individuen, wars van bijgeloof en star traditionalisme, die in staat waren zich te bevrijden van de ketenen van het verleden en het traditionele gezag, en die wilden werken aan een betere toekomst voor zichzelf en de rest van de mensheid.

Naast deze joodse academici waren er gedurende de achttiende eeuw nog andere groepen joden die werden aangeraakt door de moderne denkbeelden. De handeldrijvende bourgeoisie kwam eveneens in aanraking met West-Europese denkbeelden en ontwikkelde een meer rationalistische houding, die ertoe leidde dat er een zekere mate van onvrede met de traditionalistische levenswijze ontstond. Daarnaast oefende de Verlichting invloed uit op een deel van de religieuze elite, terwijl tegelijkertijd een joodse intelligentsia ontstond die zich niet meer richtte op de bestudering van de talmoed maar zich vol overgave stortte op literatuur en linguïstiek. Samen vormden deze groepen de Haskalah, de joodse Verlichting.

De Haskalah oriënteerde zich vooral op de Duitse Verlichting, die wat gematigder en gezagsgetrouwer was dan de Franse. Zo waarschuwde Moses Mendelsohn voor al te radicale standpunten, en wees hij erop dat «misbruik van de Verlichting het moreel besef verzwakt, en aanzet tot opstandigheid, egotisme, ketterij en anarchie». Centraal in de Duitse Aufklärung stond het begrip Bildung, dat meer inhield dan het verwerven van wetenschappelijke en humanistische kennis, maar tevens de nadruk legde op de ontwikkeling van de persoonlijkheid. Naast een rationeel wezen diende de mens ook een moreel wezen te zijn, en een burger die zijn kennis en vaardigheden ten dienste stelde van de gemeenschap. De joodse Verlichters riepen hun geloofsgenoten niet op hun religieuze identiteit te verloochenen, maar maakten onderscheid tussen drie identiteiten, die men tegelijkertijd bezat: die als jood, als mens en als burger.

Door zich aan te passen aan de steeds dominanter wordende Verlichting, die zich niet langer uitstrekte tot intellectuelen maar ook invloed uitoefende op vorsten, adel, ambtenaren en de Europese bourgeoisie, hoopten de maskilim dat er op den duur een einde zou komen aan de status van derderangs burger, die de joden in de meeste landen nog hadden.

De relatie van de joden tot de Verlichting bestond echter niet uit eenrichtingsverkeer. Ook de niet-joodse Verlichtingsdenkers hadden hun opvattingen over de joden, die in de Europese samenleving een heel duidelijk afgescheiden en geïsoleerde groep vormden. Enerzijds predikte de Verlichting tolerantie en emancipatie, wat inhield dat het niet te rechtvaardigen was dat een bepaalde groep op allerlei manieren gediscrimineerd werd. Tegelijkertijd maakte religiekritiek een belangrijk deel uit van de Verlichtingsfilosofie, en zagen nogal wat philosophes het judaïsme als een barbaars, wreed bijgeloof, dat door de joodse geestelijkheid werd gebruikt om mensen te onderdrukken. Vooral Voltaire ging regelmatig tekeer tegen de joden, al voegde hij eraan toe dat hun «verachtelijke bijgeloof» geen reden was hen te verbranden. Ook bij een verlicht despoot als Frederik II van Pruisen, in wiens rijk de joden relatief veel bewegingsvrijheid hadden, kende de verdraagzaamheid een zekere grens. Zo sprak hij zijn veto uit over de toetreding van Moses Mendelsohn tot de Pruisische Academie van Wetenschappen. Zelfs Kant was van mening dat de joodse emancipatie niet overdreven moest worden, zodat hij als rector van de universiteit van Königsberg verhinderde dat een belangrijke joodse Verlichter als Isaac Euchel, redacteur van het belangrijkste Haskalah-tijdschrift, Hame’asef, als docent werd benoemd.

De Verlichting benaderde het asjkenazische jodendom dus met een tegenstrijdige boodschap: enerzijds beloofde het de opheffing van de juridische restricties en mogelijkheid tot emancipatie, anderzijds eiste het volledige aanpassing aan de nog altijd christelij ke samenleving. Dit veroorzaakte een tweedeling binnen de joodse gemeenschap. Voor de aanhangers van de Haskalah betekende de Verlichting in de eerste plaats de hoop op een betere en rechtvaardiger samenleving, terwijl het merendeel van het religieuze establishment deze moderne denkbeelden zag als een levensgevaarlijke bedreiging.

Feiner wijst erop dat deze kloof binnen Israël nog altijd bestaat, onoverbrugbaar blijft en de oorzaak is van enorme conflicten. Tegelijkertijd laat zijn boek zich ook lezen als een beschrijving van de problemen waarmee tegenwoordig veel moslims te kampen hebben. In de sterk door het Verlichtingsdenken getekende westerse landen moeten moslims immers voor zichzelf bepalen in hoeverre het onderschrijven van westerse waarden te combineren valt met de islamitische identiteit en het islamitische geloof. Sommigen, zoals een bekende VVD-politica, hebben resoluut gebroken met het geloof der vaderen, anderen proberen evenals de achttiende-eeuwse maskilim hun religieuze identiteit te combineren met een identiteit als burger en een door het Verlichtingsdenken beïnvloed mensbeeld. Ongetwijfeld hopen zij dat de islamitische geestelijkheid op den duur ontvankelijk zal zijn voor rationele kritiek, tolerantie en democratische waarden.

Hoewel de omstandigheden van de achttiende-eeuwse joden en de hedendaagse moslims sterk verschillen, en de geschiedenis zich nooit exact herhaalt, stemt het boek van Feiner somber. Het joodse religieuze establishment bleek nauwelijks vatbaar voor de Verlichtingsidealen, en in de loop van de achttiende eeuw werd de kloof tussen de Verlichte intelligentsia en de laagopgeleide joodse meerderheid alleen maar groter. Het optimisme waarmee de maskilim hadden getracht het joodse volk cultureel te verheffen, en een publiek domein te creëren dat niet volledig werd gedomineerd door de rabbijnen, was iets te voorbarig gebleken. Ondertussen was een groot deel van de joodse bourgeoisie wel in hoog tempo geseculariseerd. De materiële en culturele rijkdom van de dominante cultuur bleek zeer aantrekkelijk, en uit teleurstelling over de geringe vorderingen die in het emancipatieproces werden geboekt waren er velen die volledig braken met het jodendom. Gelovige joden keken vol afschuw toe hoe veel welgestelde joodse jongeren zich naar de laatste mode kleedden, parfum gebruikten, alcohol dronken, paard reden, duelleerden en met Goethe en Schiller dweepten.

Tegen het einde van de eeuw gooiden verschillende vertegenwoordigers van de Haskalah de handdoek in de ring. De meerderheid van hun geloofsgenoten bleek niet ontvankelijk voor de denkbeelden en idealen van de Verlichting, de rabbijnen hadden heel goed door dat hun machtspositie werd bedreigd en verzetten zich met hand en tand tegen de pogingen van de maskilim om hun ideeën ingang te doen vinden. Aangezien een doopbewijs nog al tijd gold als entreebiljet tot de westerse cultuur gingen verschillende maskilim over tot het christendom. Ook Salomon Maimon had een poging ondernomen toe te treden tot de lutherse kerk. De predikant die hij benaderde stelde echter enkele kritische vragen, en kwam tot de conclusie dat Maimon deze stap alleen overwoog om zijn «aardse omstandigheden te verbeteren». Maimon gaf dit volmondig toe, en verklaarde dat hij zonder gelijke rechten en kansen nooit in staat zou zijn zichzelf persoonlijk te vervolmaken. Hierop weigerde de predikant de bekeerling aan te nemen.

Maimon ging vervolgens zijn eigen weg, en probeerde ondanks zijn handicap van het jood-zijn een bestaan als Verlichtingsfilosoof op te bouwen. In het streven van de Haskalah geloofde hij al lang niet meer. Volgens Feiner is dat het grootste verlies geweest dat de joodse Verlichting in de achttiende eeuw heeft geleden. Maimon had de intellectuele en stilistische brille gehad om de «joodse Voltaire» te worden en op onafhankelijke wijze de strijd aan te binden met de rabbijnen. Van de andere maskilim ondervond hij weinig steun; zo lukte het hem niet zijn be langrijkste Hebreeuwse boek te laten publiceren. Op zijn beurt gaf hij vaak blijk van arrogantie en minachting.

De crisis die de Haskalah rond 1800 doormaakte betekende niet het einde van de Verlichte jood, de maskil. Hoewel deze geloofde in religieuze verdraagzaamheid, ervan overtuigd was dat de mens in staat is zijn lot in eigen hand te nemen en dat de geschiedenis der mensheid een onafgebroken vooruitgangsproces is, en hoewel hij een diepe minachting koesterde voor bijgeloof en zinloze gebruiken, weigerde hij volledig te breken met de godsdienstige levensstijl en het geloof. Het verschil met de overgrote meerderheid van de joden was dat de maskil zijn overtuigingen baseerde op zijn eigen analyses en redeneringen, en niet op het gezag der rabbijnen.

Dit was een kwetsbare positie, en velen zouden in de loop van de negentiende en twintigste eeuw alsnog afscheid nemen van het geloof, maar ondertussen hadden de maskilim wel iets tot stand gebracht dat vóór de achttiende eeuw niet bestond: een joodse «republiek der letteren», een publiek domein waar openhartig werd gedebatteerd over zaken die vroeger het monopolie van de rabbijnen waren. Door het oprichten van tijdschriften, organisaties en moderne scholen, waar naast de talmoed ook andere leerstof werd aangeboden, droeg de Haskalah in belangrijke mate bij aan de modernisering van de joodse gemeenschap. Het bleek allemaal veel langzamer te gaan dan men aanvankelijk had gedacht, en een flink deel van de joden wil nog altijd niets weten van welke Verlichting dan ook, maar uiteindelijk is het streven van die eerste maskilim, die zowel in eigen kring als daarbuiten bijzonder vijandig werden bejegend, niet voor niets geweest.