De journalistiek blieft geen beerputten meer

Het is alsof zo'n beetje de gehele politieke pers de laatste dagen aan het solliciteren is naar een goudgerande departementale voorlichtersfunctie - zo algemeen is de hoon die opklonk over de streek die Ed. van Thijn zijn medeministers in het laatste kabinet-Lubbers heeft geleverd met de publikatie van zijn Retour Den Haag: Dagboek van een minister. Waar in de vermaledijde jaren vijftig nog tenminste de straffe hand van de Rijksvoorlichtingsdienst nodig was om het journaille de vereiste nationale kadaverdiscipline bij te brengen, komt het nu allemaal gratis en voor niets, geheel zelfgereguleerd aandrijven.

En ziehier het resultaat: een ex-minister die vers na een fatale uitglijer in zijn carriere rondloopt met een forse hoeveelheid rancunes aan het adres van collega-politici en zowaar besluit om van zijn hart geen moordkuil te maken, wordt in het publiciteitsoffensief dat volgt op zijn coming out geconfronteerd met een pers die eigenllijk alleen maar verontwaardigd is over zoveel gebrek aan respect voor de politieke etiquette. In plaats van zich als hongerige wolven te storten op de hen voorgehouden, exclusieve waren uit een keuken die normaal gesproken potdicht zit, ontstaat er een afwerende reactie. Van alle kanten wordt de ex-bewindsman streng toegesproken over zijn onverantwoordelijke gedrag. Hij is de dief in de tempel, de schenner van het heilige graf, de streaker op koningin Victoria’s begrafenis. De journalistiek blijkt in de jaren negentig opeens niet meer te bestaan uit nieuwsgierige individuen, maar uit formalistische staatsrechtsgeleerden die zich totaal hebben vereenzelvigd met de conservering van het broze bouwwerk van de staat.
Voorbij zijn de echo’s van het Watergate- tijdperk, toen iedere journalist - tot aan de gemeenteraadsverslaggever van Velp toe - droomde van het onttronen der macht. De parlementaire journalist van de jaren negentig heeft de anti-autoritaire rebellenclub definitief vaarwel gezegd en zichzelf benoemd tot ere-procesbewaker van de Haagse logistiek. Het is alsof de monomane preoccupatie met de juiste procedure - een afwijking die ooit tot het monopolie behoorde van types als J. L. Heldring - nu tot het basispakket van de parlementaire journalistiek behoort.
Met dergelijke journalisten heb je geen voorlichters meer nodig, moet Frits Bolkestein - terecht - hebben gedacht, gegeven zijn jongste voorstel om de uitgaven voor overheidsinformatie met een procent of vijftig te beknotten. Indien zich morgen een persoon in perscentrum Nieuwspoort aandient met alle notulen van de besloten kabinetsberaden in de aanbieding, zal hij door de door-en-door verantwoordelijke pers ongetwijfeld gelijk in de boeien worden geslagen en onder het uitroepen van het ‘Ik zal handhaven’ worden afgevoerd naar de catacomben van de BVD.
Arme Ed. van Thijn. Wat heeft hij zich vergist in de geest van deze tijd. Hij moet hebben gedacht - in zijn nieuwste dagboek zegt hij het ook met zoveel woorden - dat een zo rucksichtslos mogelijk toegepaste strategie van openbaarmaking nog het enige middel was dat hem als zestigjarige overbleef, wilde hij de rest van zijn werkzame leven niet slijten aan het bureau van het Algemeen Verbond van Nederlandse Reisorganisaties.
Vanzelfsprekend gingen zijn gedachten uit naar het succes van zijn fameuze Dagboek van een onderhandelaar uit 1977, waarin hij een recente catastrofe op het formatieslagveld uiteindelijk ook met behulp van het onderste uit de publicitaire kan wist om te buigen in tenminste een morele overwinning in de ogen van het nageslacht. Ditmaal was het effect echter precies tegengesteld. In het kielzog van het rapport van de commissie- Van Traa kwam er een steeds gunstiger licht te vallen op de rol van Van Thijn en Eric Nordholt in het slag om het IRT-Utrecht/ Noord-Holland. De publikatie van Retour Den Haag had voor Van Thijn het sluitstuk moeten zijn van een succesvolle campagne voor eerherstel. In plaats daarvan wordt Van Thijn nu vooral beticht van larmoyante eigenliefde, dolkstoten in de rug van collega’s als Wim Kok en Ernst Hirsch Ballin en algeheel politiek vandalisme.
In NRC Handelsblad vergeleek PvdA- ideoloog Paul Scheffer, die zich nadrukkelijk presenteerde als een gedesillusioneerde Van Thijn-fan, Retour Den Haag zelfs met Alleen op de wereld: 'Een mooi voorbeeld van hoe gekwetste eigendunk de zorg voor de publieke zaak kan overwoekeren.’ Scheffers vurige verdediging van de aangeschoten Hirsch Ballin in dezelfde verhandeling (hij noemt hem een 'onontbeerlijk politicus’) maakt het beeld van een omgekeerde wereld compleet.
Scheffers column is een van de tekenen van een plotseling in PvdA-kringen opwaaiende liefde voor Van Thijns grootste opponent in de IRT-affaire. Het verschijnsel komt waarschijnlijk voort uit de indringende wijze waarop Van Thijn in zijn dagboek het narrige schrikbewind van Wim Kok over de sociaal-democratische gelederen schildert. Ook hier speelt de beschuldiging van hoogverraad een zware rol.
Maar laten we toch in vredesnaam goed bij de les blijven. In de titanenslag rond de IRT nam Van Thijn de enige juiste positie in, ook al kwam hij daar rijkelijk laat en wellicht geheel op opportunistische gronden voor uit: als burgemeester nam Van Thijn het tenminste op tegen die glibberige kongsi’s van inlichtingendiensten en infiltratiebenden, die steeds meer een staat in de staat gaan vormen. Als minister wenste hij die eenmaal ingeslagen koers te verdedigen. Los van enige grondwettelijke haarkloverijen kan er moreel weinig tegen die wens worden ingebracht.
Met de stortvloed van perscommentaren op Van Thijns dagboekvendetta wordt nu opeens de schijn gewekt als zou de 'dubbelrol’ van de ex-burgemeester/minister een staatsrechtelijke monstruositeit zijn - alsof alle betrokkenen deze ongemakkelijke spagaat niet al van kilometers afstand zagen aankomen. Het had Van Thijn dan ook helemaal niet zijn demissionaire ministerszetel hoeven te kosten als daar niet de hysterische Ernst Hirsch Ballin had gestaan, brandend van verlangen om zijn hedonistisch- liberale opponent in zijn onvermijdelijke val mee te slepen.
Dat Ed. van Thijn met zijn dagboek allereerst zijn eigen belang wilde dienen, zoals zijn criticasters nu stellen, maakt daarbij dan helemaal niet zo veel meer uit. Altruisme is in deze echelons van de politiek nu eenmaal spaarzaam gezaaid. Sterker nog: zonder een sterk ontwikkeld ego houd je het geen jaar uit als burgemeester van Amsterdam. Kortom: dat Van Thijn heeft gekozen voor het publicitaire moddergevecht is niet iets wat hem te verwijten valt. In deze tijden van hermetisch gesloten overheidsbunkers is het eerder een verademing. Wie volgt?