Marcel Broersma over media en waarheid

‘De journalistiek is haar monopolie kwijt’

Volgens hoogleraar journalistieke cultuur en media Marcel Broersma behoeft de journalistiek een kritische zelfreflectie. Het publiek slikt wat de verslaggever zegt niet meer voor zoete koek en zoekt op internet zijn eigen waarheid bij elkaar.

Niemand zal ontkennen dat de journalistiek in een economische crisis verkeert. Kranten en tijdschriften verliezen lezers en redacteuren, en sommige zelfs hun bestaan, terwijl op de publieke omroep stevig wordt bezuinigd. Maar de journalistiek wordt door nóg een crisis belaagd die veel minder aandacht trekt, maar die net zo diep ingrijpt: de crisis in de legitimiteit. Het gezag van journalisten bladdert zienderogen af. De journalistiek boet in aan relevantie. Haar traditionele manier van werken is een sta-in-de-weg geworden. Het is hoog tijd dat journalisten dit onder ogen zien, zegt de Groningse hoogleraar journalistieke cultuur en media Marcel Broersma. Ze zouden zich de kritische vraag moeten stellen of hun methodes nog wel doel treffen, en zo ja, voor wie.

Marcel Broersma (1973) heeft zijn wortels in de journalistieke praktijk. Hij begon zijn loopbaan als verslaggever bij de Leeuwarder Courant en ontwikkelde zich tot een geziene academicus met een stevig internationaal netwerk. Dit najaar stelde hij de bundel Rethinking Journalism samen, waarin een gevarieerd internationaal gezelschap de hedendaagse westerse journalistiek de maat neemt. Het boek bevat een boodschap die veel betrokkenen liever niet horen: de journalistiek moet onder ogen zien dat de wereld waarin zij functioneert fundamenteel is veranderd. Aanpassing is noodzakelijk om relevant te blijven.

Die boodschap mag contrair zijn – want journalisten ontvangen niet graag kritiek en sluiten dan vaak de rijen – ‘maar het is niet provocerend bedoeld’, zegt Broersma bijna verontschuldigend. In een Gronings café legt hij uit dat de journalistiek hem zeer aan het hart gaat. Maar de opmars van digitalisering, het internet en de bijbehorende democratisering van informatie grijpen dieper in dan veel journalisten willen – of kunnen – toegeven. Dit vergt niet alleen economische aanpassing, maar ook een andere mentaliteit. Broersma: ‘Die twee hangen met elkaar samen, al vinden sommigen dat moeilijk om te zien.’

De journalistiek heeft last van twee crises die elkaar versterken?

‘De economische crisis krijgt ruim aandacht. Die is ook het meest zichtbaar. Media verliezen zowel oplage als adverteerders. Internet haalt mensen weg van traditionele media. Die economische crisis is heel reëel voor journalisten. De crisis bedreigt de kwaliteit, want je moet meer doen met minder middelen en minder mensen. Een spiraal naar beneden dreigt. Dan zegt de branche: als we nu maar een beter business­model vinden, of beter leren omgaan met internet of als we het financieringsprobleem nu maar oplossen, dan komt het wel goed.

Maar het probleem is fundamenteler dan vaak wordt aangenomen. Want er is een crisis aan gekoppeld die veel minder aandacht krijgt: een crisis van legitimiteit. Dat is onder journalisten een veel minder populair onderwerp. Je zag het aan de reacties op de publicaties van Nick Davies en Joris Luyendijk. Davies’ Flat Earth News laat zien dat de ruimte voor journalisten om eigen werk te doen steeds kleiner wordt. Hij wijst het grootkapitaal aan als oorzaak van de crisis en laakt de commercie en de pr, omdat zij slechte invloed hebben. Zijn argument doet het goed onder journalisten. Terwijl in zijn Het zijn net mensen, en ook in Je hebt het niet van mij, maar…, Luyendijk zegt: misschien moet er ook iets in de journalistiek veranderen. Daar valt van alles over te zeggen. Maar zijn verhaal is veel minder populair. Die tweede crisis krijgt gewoon veel minder aandacht.

Journalistiek en massamedia hebben heel lang een monopolie gehad op nieuws en informatie over wat er dagelijks om ons heen gebeurt. Als je daar iets over wilde weten moest je bij de krant, de radio of de tv terecht. Maar nu leven we in een informatiechaos, waarin heel veel spelers informatie versturen: de overheid, commerciële partijen maar ook burgers onderling. De journalistiek is haar monopolie kwijt. Dat leidt tot de prangende vraag: wat onderscheidt journalistiek nu van die andere spelers?’

Veel media zijn juist trots op hun impact: hun berichtgeving over de koopkrachtplaatjes dwong aanpassing van het regeerakkoord af. Een ingezonden-brievenschrijver in de Volkskrant schreef: de media hebben de rol van het parlement overgenomen.

‘Dat is niet zo raar. De journalist controleert de overheid in naam van de burger, dat heeft overeenkomsten met wat het parlement doet. En die koopkrachtplaatjes raken mensen daadwerkelijk. Dat is vaak niet het geval als het gaat om parlementaire journalistiek. Er is een groot verschil tussen wat mensen als nieuws ervaren en belangrijk vinden en wat de journalistiek belangrijk acht. Daar is veel onderzoek naar gedaan. In parlementair Den Haag concentreert de journalistiek zich vaak op spelletjes, op strategie en op conflicten. Het is de vraag of burgers dat zo interessant vinden, wie ruzie heeft met wie en dat dit mogelijk zou kunnen leiden tot zus en zo. Het maakt dat de journalistiek zich steeds meer overgeeft aan interpretaties. Die interpretaties worden de nieuwe feiten.

De vorm die de journalistiek kiest is erg belangrijk, los van de feitelijke juistheid. Nieuwsconsumenten zoals jij en ik weten niet precies hoe dat zit met die koopkrachtwolken, en journalisten weten dat ook niet echt; ze doen een poging. De overtuigingskracht die maakt dat ik bereid ben te geloven dat De Telegraaf of het NOS Journaal het bij het rechte eind heeft, zit in de vorm waarin je het presenteert. Je moet je als journalist meer dan ooit bewust zijn van de vorm waarin je dingen brengt.

Die vorm heeft zijn eigen impact op het nieuws. Wij hebben bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar de manier waarop rtl en nos verslag deden van de lokale verkiezingen in 2010. Je ziet dat die items eigenlijk draaien om de interpretatie van de journalist. Er is een vast stramien; de presentator kondigt iets aan, dit en dat is gezegd in Den Haag, dan krijgen we een klein stukje reportage waarin eigenlijk maar een enkel quootje en wat beelden worden getoond met amper feitelijke informatie, en dan komt de correspondent weer in beeld die ons nogmaals uitlegt wat er volgens hem of haar is gebeurd die dag in Den Haag. Hij of zij presenteert het dan als: zo zit het.’

De journalist vertelt niet wat er is gebeurd maar wat hij meent dat er gebeurt?

‘Ons onderzoekje laat zien dat de quote van de politicus heel instrumenteel wordt gebruikt. Hij wordt eigenlijk alleen maar ingezet om het betoog van de journalist te ondersteunen. De bewering van de politicus is niet het nieuws, maar de interpretatie van de journalist wordt eigenlijk nieuws.’

Rondom die koopkrachtplaatjes twijfelde ik lang of dit nu stemmingmakerij was of een echt probleem. Pas toen die berekeningen verschenen, bleek hoe het zat.

‘Dit is wel een punt. Je ziet het meer bij televisie dan bij kranten. Tv kan de koopkracht­plaatjes lastig visualiseren en koopkracht­plaatjes praten niet. Dan gaat het niet meer in de eerste plaats om het feitelijke effect voor de burger, maar om Pechtold die zegt dat het kabinet misschien maar beter weer kan opstappen. Dat wordt dan het nieuws.’

En dan denk je als kijker: ach, laat maar.

‘Ik denk dat veel burgers dat gevoel hebben. Het onderwerp is wel relevant, alhoewel lastig te doorgronden en moeilijk uit te leggen. Maar hoe het dan wordt opgepakt door de journalistiek, tja.

De politicoloog Hans Daalder beklaagde zich ooit bij mij over de parlementaire verslaggeving. Hij zei dat hij met weemoed terugdacht aan het echte, oude parlementaire verslag, waarin de journalist vertelde wat er gezegd was in het debat. Aan de hand daarvan kon je lezen wat er was gebeurd. Die vorm van journalistiek heeft plaatsgemaakt voor wat je in sporttermen kleedkamerjournalistiek kunt noemen. Het gaat niet meer om het wedstrijdverslag maar om alles wat daaromheen gebeurt. De interpretatie van de journalist staat op de voorgrond, het verslaan van de feiten verschuift naar de achtergrond.

Dat is aan de ene kant een uiting van professio­nalisering, maar aan de andere kant knaagt het aan de legitimiteit van de journalistiek. Naarmate er meer informatie beschikbaar is, en nu je zelf die brief van het kabinet kunt lezen want die staat online, wordt het lastiger om de interpretaties te blijven verkondigen als de waarheid. De claim die de journalistiek heeft op dé waarheid wordt opeens een van de mogelijke waarheden.’

Het idee dat de journalistiek de waarheid meldt, is cruciaal voor het vak. De journalistiek hanteert vaste gebruiken, zoals hoor en wederhoor, om die waarheid zo dicht mogelijk te benaderen. Maar de claim op de waarheid komt steeds meer onder druk, betoogt Broersma. Journalisten mogen zich vaker aan interpretaties overgeven, maar de feiten waarop ze zich baseren kloppen lang niet altijd. Dat beperkt zich niet tot een Friso-affaire van NRC Handelsblad of de onjuiste aantijgingen van bbc’s Newsnight inzake pedofiele contacten. De bundel Rethinking Journalism beschrijft hoe het aantal fouten in de journalistiek alleen maar lijkt toe te nemen. In de VS werd in 2005 vastgesteld dat in bijna de helft van alle verhalen in de Amerikaanse regionale pers ten minste één feitelijke onjuistheid stond. Zoiets komt de geloofwaardigheid van de journalistiek niet ten goede. In de bundel vergelijkt Broersma het vak met een patiënt die aan botontkalking lijdt. Ze is al broos, en iedere keer als ze valt, wordt het genezingsproces moeilijker, tot op een gegeven moment het bot gewoonweg niet meer heelt.

‘Journalisten kunnen hun claim op de waarheid steeds moeilijker volhouden’, zegt Broersma. ‘Soms blijkt dat op geruchtmakende wijze, zoals de canards die de Daily Mirror en de Volkskrant hebben begaan inzake het martelen van gevangenen in Afghanistan en Irak. Maar op kleinere schaal gebeurt dat natuurlijk veel vaker. En dat is misschien nog wel ernstiger voor de journalistiek. Want mensen denken uit eigen ervaring: ja, het zit toch net een beetje anders. Als dat maar vaak genoeg gebeurt, wordt het vertrouwen in de journalistiek uitgehold. Vandaar die vergelijking met botontkalking.

Ik zie het aan onze studenten. Die zijn op de middelbare school al zo mediawijs geworden dat ze een soort postmodernistische houding innemen tegenover de journalistiek. Die geloven helemaal niet in een absolute waarheid en objectiviteit, die zien de hele dag van alles voorbij komen en vinden hun weg daarin. Wat twintig jaar geleden als waarheid werd gepercipieerd, is nu veel moeilijker hard te maken. Terecht of onterecht, maar dit is wel wat er gebeurt.’

Ook de rechterlijke macht, de wetenschap en de politiek lijden aan verlies van autoriteit. Ook daar komen vanzelfsprekende mores ter discussie. Maar de journalistiek vindt dat moeilijk, extreem moeilijk zelfs.

‘Dat komt door de industriële logica in de journalistiek. Die loopt door alle lagen heen. Het businessmodel is helemaal gebaseerd op schaalgrootte, in druk en distributie, en op het verkopen van massa aan adverteerders. Ook haar democratische legitimiteit hangt samen met het bereik van de massa; wij vertegenwoordigen een grote massa lezers of nieuwsconsumenten. Dat zit in de productie, allemaal gerationaliseerd, in het drukken van kranten maar ook in het maken en uitzenden van televisie, niet in de manier waarop de redactie is georganiseerd.

Journalistiek lijkt een heel vrij vak, en dat is het ook nog wel, maar het is aan veel routines gebonden. Die zijn er enerzijds om de kwaliteit te bewaken, dus hoor en wederhoor toe te passen, maar ook om in een bepaald tijdsbestek te komen tot een acceptabel product. Het is moeilijk om los te komen van die manier van denken, maar de industriële logica botst steeds meer met de moderne ontwikkelingen. De wens om nieuws te kunnen raadplegen wanneer je maar wilt botst met vaste uitzendschema’s of sluitings­tijden. Journalistiek, en mediabedrijven in het algemeen, zijn slecht toegerust om individuele mensen te bedienen. Omdat ze eigenlijk nog steeds een massaproduct maken. De adverteerder is daar al een stuk verder in, die zoekt een specifiek publiek voor zijn boodschap. En mede omdat de krant dat niet kan bieden, is hij overgestapt naar andere media, zoals internet.’

Vaste patronen voor de massa bestaan niet meer?

‘Er is natuurlijk een tijd geweest dat een krant stond voor een bepaald cultuurideaal. Maar die ligt achter ons. Je had toen ook geen alternatief, je móest de krant wel lezen, het geld dat je eraan betaalde was goed besteed, want je kon het nergens anders krijgen. Dat is nu ook niet meer het geval. Iets vergelijkbaars geldt voor het achtuurjournaal. Dat is niet meer het ijkpunt dat het was. Je kunt te allen tijde op de website video’s bekijken. Ik moet eerlijk toegeven: dat doe ik ook vaak. Ik maak mijn eigen selectie.’

U zegt dat de journalistiek zich moet aanpassen. Wat bedoelt u daarmee?

‘Dan gaat het om de vraag: wat is de functie van journalistiek nog in dit veranderend informatieveld? Vroeger ging het om: wie is de eerste? Daarom kijken media ook zo veel naar elkaar. Maar als nieuws en informatie zo snel bekend zijn en online staan, verandert dat. Dat effect vertaalt zich al bij kranten. Misschien moet je meer een soort gids zijn voor nieuws­consumenten. Zet dingen naast elkaar, verwijs naar andere bronnen, laat wat meer onzekerheid toe in je berichtgeving. Schrijf: dit en dit is er aan de hand, en wij denken dat het zo zit. Dan houd je de berichtgeving opener voor nieuwsconsumenten om hun eigen interpretatie te geven. Kijk naar wat Joris Luyendijk in Londen doet, dat is een interessant project (Luyendijk houdt een bankingblog bij voor The Guardian – yz). Als je inzichtelijk maakt dat je gebruik maakt van kennis om je heen, en als je laat zien dat er misschien ook verschillende interpretaties van de werkelijkheid zijn, dan bedrijf je een heel andere manier van journalistiek, een die misschien veel meer aansluit bij wat nieuws­consumenten en burgers nu van je verwachten. Maar die haaks staat op het traditionele journalistieke verhaal dat zegt: wij verkondigen de waarheid en niets dan de waarheid.

Ik zeg niet dat journalistiek overbodig is of dat er geen behoefte meer aan is, integendeel. Maar wel dat je je uitgangspunten serieus moet aanpassen aan veranderende omstandigheden, wil je je relevantie behouden. De journalistiek zou misschien een stapje terug kunnen doen en zich afvragen: wat doen wij nu eigenlijk? Om dan een andere weg of een andere aanpak te vinden.’

Jullie bundel klinkt als het geluid van een jonge, pragmatische generatie. Er roeren zich ook critici als Geert Mak die al die modernisering nu juist lijken te verafschuwen.

‘Mijn proefschrift over 250 jaar geschiedenis van de Leeuwarder Courant heeft mij geleerd dat iedere generatie denkt dat zij van alle generaties de grootste verandering doormaakt. Mensen ervaren hun eigen tijd altijd zo. Er is altijd een gevoel van verlies. Maar de auteurs van deze bundel zijn van verschillende leeftijd en verschillende achtergrond. Ze proberen wel allemaal nuchter te kijken: wat gebeurt er, en niet normatief te zijn. Wel met de opvatting dat journalistiek ertoe doet en dat de functie van de journalistiek in stand zou moeten blijven. Maar dat dit een andere invulling vergt.

Dan gaat het om mores, maar ook om economische modellen. Alles is nu nog gebaseerd op schaal; word je kleiner, dan verlies je ook mensen en inkomsten. Kan dat anders? Misschien wil ik wel betalen voor bepaalde delen van het nieuws, of voor het werk van bepaalde journalisten. Ik denk dat in de huidige informatiechaos juist meer dan ooit behoefte is aan mensen die voor ons informatie kunnen schiften, selecteren en duiden. Internet, en ook apps, bieden wél de kans om nieuwsconsumenten individueel te bedienen.’

Schaal neemt af, zegt u, maar een partij als de NOS moet toch een groot, algemeen publiek bedienen. Daar krijgt ze belastinggeld voor.

‘De verschillende journaals van de nos zetten nu al verschillende accenten. Acht uur is anders dan tien uur, en op 3 is het weer heel anders. Op die weg moeten ze voort. Misschien moeten ze van één item wel verschillende versies gaan maken voor verschillende publieken, zodat je het verhaal op verschillende manieren vertelt.’

Chris Peters en Marcel Broersma, Rethinking Journalism: Trust and Participation in a Transformed News Landscape, Routledge