Hoofdcommentaar

De juiste keuzes

‘Een periode van crisis is niet alleen een tijd vol angst en zorgen. Zij geeft je de mogelijkheid om goede of slechte keuzes te maken.’ Deze uitspraak van de Zuid-Afrikaanse dominee Desmond Tutu sloeg niet op de huidige crises die over en door elkaar heen rollen. Maar zijn woorden zijn wel uiterst actueel. Want we maken ons zorgen over spaargelden, aandelen, huizenprijzen, banen, pensioenen, stijgende waterspiegels en krimpende olievoorraden.
Waar het de krediet- en economische crisis betreft, staat in Nederland deze dagen de vraag centraal of minister van Financiën Wouter Bos goed heeft gehandeld door garant te staan voor het pakket ‘giftige’ Amerikaanse hypotheken van ING. Daarnaast is de blik gericht op minister Piet Hein Donner van Sociale Zaken om te zien of hij de Pensioenfondsen extra tijd gaat geven om hun beleggingsgraad weer op peil te krijgen, zodat de pensioenen niet (te veel) omlaag of de premies (te veel) omhoog hoeven.
Diezelfde twee ministers en hun collega Maria van der Hoeven van Economische Zaken voelen vervolgens de hete adem van de werknemers- en werkgeversorganisaties in de nek als het gaat om de bestrijding van de dreigende massawerkloosheid. Afgelopen week kwamen de eerste concrete berichten over massaontslagen: van ING, Schiphol, Philips en Corus.
Bij elk nieuw, acuut probleem dat het gevolg is van de twee in elkaar grijpende crises wordt gekeken naar de politiek en de overheid, voor hulp, houvast en hoop. Dus krijgen politici, om het met Tutu’s woorden te zeggen, volop de mogelijkheid goede of slechte keuzes te maken.
Je zou kunnen denken dat daarbij op het Binnenhof de koppen tegen elkaar knallen. Het gaat tenslotte om nogal wat: om miljarden, om banken en bedrijven, en om mensen. Maar dat is vooralsnog niet zo, ook al wordt er in Den Haag urenlang gedebatteerd.
Bij de discussies over de crisis in de zogeheten reële economie valt op dat deze grosso modo verlopen langs de geijkte paden. Aan de rechterzijde pleiten de VVD, de Partij voor de Vrijheid van Geert Wilders, en Rita Verdonk – niet verrassend – voor lastenverlichting als aanjager van de economie. In het midden stelt het CDA zich traditiegetrouw op als de rentmeester die ervoor waarschuwt dat nu geen grove schulden gemaakt mogen worden die op de schouders gaan drukken van onze kinderen en kleinkinderen. Links in dat midden vraagt de PvdA aandacht voor de werknemer die werkloos wordt en nog linkser gaat de SP daarin een paar stappen verder.
Maar als Bos in de Tweede Kamer zegt dat de overheid er niet is ‘om te voorkomen dat bedrijven failliet gaan of last krijgen van economische neergang’, spreekt dat het overgrote deel van de Kamer aan. Zoals ook het overgrote deel zich kan vinden in zijn woorden dat het dan wél de verantwoordelijkheid is van de overheid om ervoor te zorgen dat de werknemers daar niet het slachtoffer van worden. De aandacht van wederom het overgrote deel gaat daarbij uit naar het toeleiden naar ander werk en niet naar de uitkering.
Ondanks al het tumult in de buitenwereld spitst de discussie zich binnen de regeringscoalitie daardoor toe op de vraag of en wanneer het begrotingstekort mag oplopen boven de afgesproken twee procent. Moet er bezuinigd worden nu het economisch slecht gaat, of moet er toch wat extra financiële ruimte komen voor investeringen zodat de economie een stimulans krijgt? Dat zou je kunnen zien als een ideologisch twistpunt, maar het heeft toch meer weg van een pragmatisch zoeken naar de juiste timing en maatvoering.
Zo doet zich de bijzondere situatie voor dat velen weliswaar roepen dat na het echec van het graailiberalisme de overheid weer helemaal terug is, maar dat de Nederlandse overheid zelf zich in deze economische crisis lijkt op te stellen zoals ze sinds begin jaren tachtig doet: op afstand en voorwaarden scheppend.
In de kredietcrisis daarentegen grijpt de overheid fors in. De verklaring daarvoor ligt in de onorthodoxheid van de situatie. De dreiging dat wereldwijd banken omvallen, omdat ‘toxic assets’ hun gif blijven spuiten, is ongekend. Niemand heeft er ervaring mee, maar over één ding is menigeen het blijkbaar eens: de banken mogen niet omvallen en moeten het bedrijfsleven kredieten blijven verstrekken.
De SP lijkt de discussie hierover het meest ideologisch aan te gaan: de ING had genationaliseerd moeten worden. De andere partijen zitten er vooral pragmatisch in met als hamvraag: zijn de risico’s goed ingeschat, zodat het niet ten koste gaat van de belastingbetaler? Maar de kernvraag moet zijn of nu door de kredietkranen te ‘steunen’ niet indirect dezelfde fout wordt gemaakt als in de jaren zeventig, toen het bedrijfsleven rechtstreeks van overheidsgeld werd voorzien. Oftewel: doet de linkerhand nu niet wat de rechterhand zich voornam niet meer te doen?
Zolang de orkaan nog over ons heen raast, is moeilijk te zien of de politiek de goede keuze maakt. Zoals vaak op belangrijke momenten in de geschiedenis zullen latere generaties daar pas over kunnen oordelen. Ook dan is pas vast te stellen of er door deze crises toch iets wezenlijks is veranderd in de verhouding tussen overheid en markt en in het denken van politieke partijen. Of de les zal zijn dat het om méér gaat dan alleen een scherper toezicht bij de banken.