Quintus Ennius

De juiste snaar

De belangrijkste grondlegger van de Latijnse literatuur zoals wij die kennen is Quintus Ennius. Hij gebruikte de Griekse hexameter als vehikel voor een nieuwe literaire taal. Ennius is vooral bekend geworden om zijn historisch epos de Annalen, waarvan nog geen zeshonderd regels zijn overgeleverd.

tekening Dick Tuinder

Medium enniusk

Quintus Ennius
Annalen
Ingeleid, bezorgd en vertaald door Vincent Hunink
Voltaire, 204 blz., € 19,90

Twaalf heren van oude Romeinse adel dalen ieder jaar op 29 mei af uit de tempel van de obscure hemelgodin Dea Dia om hun vreemde dans te dansen en hun al sinds mensenheugenis onbegrijpelijke lied te zingen. De dans heeft een driekwartsmaat, de tekst, waarvan alle regels tweemaal herhaald worden, begint als volgt: ‘enos Lases iuvate/ neve luae rue Marma sins incurrere in pleores’. Dat in dit lied van de fratres Arvales, een prestigieus maar excentriek priestercollege, de hulp wordt ingeroepen van de god Mars is duidelijk, maar over de betekenis van de afzonderlijke woorden bestaat geen eenstemmigheid. Een mogelijke vertaling is deze: ‘Help ons, Laren,/ en, Mars, sta niet toe dat pest en verval op ons volk afstormen./ Wees tevreden, woeste Mars, spring op de drempel, blijf daar staan./ Roep op uw beurt al de Semonen te hulp.’ ‘Laren’ zijn beschermgeesten van huizen of straten, met de ‘drempel’ wordt vermoedelijk de grens van het oorspronkelijke Romeinse gebied bedoeld, en ‘Semonen’ zullen wel iets met zaad te maken hebben. De Arvalische broeders hadden zelf geen idee waarover ze het hadden, hetgeen hen er niet van weerhouden heeft het lied tot ver in christelijke tijden te blijven zingen.

Nog excentrieker waren de Salii, twee aristocratische colleges van twaalf priesters, die volgens de traditie door de legendarische koningen Numa Pompilius en Tullus Hostilius waren ingesteld ter ere van de goden Mars en Quirinus. Aan het begin en het einde van het oorlogsseizoen hielden de Saliërs een processie om de stad heen waarbij ze op gezette momenten een woeste wapendans uitvoerden. Tijdens dit zogenaamde tripudium sloegen ze op hun schilden en zongen ze het Carmen Saliare, waarvan enkele regels bewaard zijn gebleven. Van de ruim veertig woorden die ons zijn overgeleverd begrijpen ook wij nog geen kwart: ‘divum deo supplicate’ (smeekt de god der goden) is duidelijk, de god Janus komt erin voor, maar een woord als ‘cozeulodorieso’ heeft niets te maken met het Latijn dat wij kennen, en zo dachten de Saliërs er zelf ook over.

Deze teksten staan aan het begin van wat later de reusachtige Latijnse literatuur zou worden. Het is verleidelijk in dit ritueel gezang de kiemcel van de Romeinse poëzie te zoeken. Wat opvalt is in de eerste plaats de kracht van de traditie. Hoe vernieuwend sommige Latijnse schrijvers ook zijn geweest, ze hebben vrijwel allemaal de drang de aloude mos maiorum (de zeden der voorouders) te handhaven, ook tegen beter weten in. In de tweede plaats worden beide liederen, zoals in rituele teksten overigens te verwachten was, gekenmerkt door herhalingen en een sterke voorkeur voor alliteratie. En in de derde plaats lijkt er nog geen sprake te zijn van een vast metrum.

Deze drie kenmerken vinden we terug in alles wat we kennen uit de vroegste periode van de Latijnse literatuur, toen de Romeinen nog nauwelijks contact hadden met de Grieken uit het zuiden van Italië. Het beperkte corpus bestaat uit grafinscripties, latere citaten van spotliederen en rituele gezangen zoals de hierboven geciteerde, en wetsteksten. Adellijke families bewaarden zonder twijfel de redevoeringen die bij het overlijden van het familiehoofd werden uitgesproken, priesters hielden journalen bij, misschien waren er drinkliederen en balladen. Vrijwel niets daarvan is tot ons gekomen. Natuurlijk kunnen de meeste van deze teksten niet literair genoemd worden in de betekenis die moderne lezers aan dat woord hechten, dat neemt niet weg dat ze vaak allerlei kenmerken vertonen die wij met poëzie associëren.

De Latijnse literatuur in engere zin begint pas in de tijd van de Punische oorlogen. Hoewel er in Zuid-Italië al eeuwenlang Grieken woonden, die bovendien een intensief contact onderhielden met de Etrusken in Toscane, gaven eerst de politieke ontwikkelingen van de derde eeuw voor Christus de Romeinen een impuls om zich cultureel te ontwikkelen. Aan het begin van de Latijnse literatuur staan twee allochtonen, Livius Andronicus en Naevius, de een uit Tarente, de ander uit Campanië, die allebei nog vóór het jaar 200 hun epische en dramatische poëzie schreven. Livius vertaalde of bewerkte onder meer de Odyssee in het Latijn. Hij hanteerde daarvoor een versvorm, de zogeheten saturniër, waarvan de wetten ons ontgaan. Van deze Odusia resteren krap vijftig regels. Het bekendst is het openingsvers: ‘virum mihi, Camena, insece versutum’ (de man bezing mij, Muze-nimf, de wendingrijke). De man – Odysseus – en het bijvoeglijk naamwoord dat hem typeert staan aan de uiteinden van het vers, de Romeinse Muze in het midden. Naevius bezong de Eerste Punische Oorlog (264-241), eveneens in saturniërs. Van dit werk kennen we nog geen zeventig regels. Ook hier bleef de aanhef bewaard: ‘novem Iovis concordes filiae sorores’ (negen eensgezinde godendochters, zusters). Naevius kiest dus onomwonden voor de Griekse Muzen in plaats van Livius’ Camena aan te roepen. Livius en Naevius schreven ook toneel.

De grootste dichter uit de vroege Latijnse literatuur is echter Quintus Ennius, die in 239 werd geboren in het Zuid-Italische Rudiae, waar hij niet alleen de streektaal Oscisch leerde, maar ook Grieks en Latijn. In de Tweede Punische Oorlog (218-201) vocht hij aan Romeinse zijde tegen Hannibal, waarna hij zich in Rome vestigde. Hij bouwde er een enorm oeuvre op van tragedies, komedies, satiren, een wetenschappelijk traktaat over de oorsprong van mythen en een leerdicht over lekker eten, maar hij is vooral bekend geworden om een historisch epos in achttien boeken, de Annalen, waarvan nog geen zeshonderd regels zijn overgeleverd. Het bestrijkt de duizendjarige periode tussen de Trojaanse Oorlog, traditioneel gedateerd in 1184 voor Christus, en Ennius’ eigen tijd.

Ennius’ meest revolutionaire innovatie was de introductie van de Griekse hexameter. Hoewel deze versvorm van nature ongeschikt leek voor het Latijn wist Ennius zijn zinnen zo te kneden dat het Griekse metrum een prachtig vehikel werd voor een nieuwe literaire taal. Daarmee is hij de belangrijkste grondlegger van de Latijnse literatuur zoals wij die kennen. Terecht heeft Vincent Hunink gemeend dat Ennius’ Annalen een groter publiek verdienden. Zijn vertaling maakt deel uit van een ambitieus project bij uitgeverij Voltaire, de Bibliotheca Latina Archaica. Eerder vertaalde Hunink in deze reeks al Livius Andronicus en Naevius. Tragediefragmenten, satiren van Lucilius en het complete proza van de oude Cato zijn in aantocht.

Ook van de Annalen is het eerste vers bekend: ‘Musae quae pedibus magnum pulsatis Olympum’ (Muzen, u die met uw voeten de grote Olympus bestampt). Fraai is de alliteratie van de p die de dans van de dames oproept, terwijl het simpele maar indrukwekkende woord ‘magnum’ in het midden staat. Ennius beschouwde zichzelf als een reïncarnatie van Homerus, met wie hij aan het begin van het gedicht ook een gesprek heeft.

Helaas bestaan de overgeleverde fragmenten zelden uit meer dan één regel. Slechts een enkele keer zijn latere auteurs zo beleefd geweest wat langere passages te citeren – want het is vooral aan taalgeleerden uit de Late Oudheid te danken dat we nog iets van Ennius kunnen lezen, en zulke auteurs zijn gewoonlijk alleen geïnteresseerd in obscure grammaticale verschijnselen en rare oude woorden. Maar Ennius’ verzen zijn vaak zo pakkend dat we ook aan één regel plezier kunnen beleven. Berucht is deze regel: ‘o Tite, tute, Tati, tibi tanta, tyranne, tulisti!’, door Hunink passend weergegeven als: ‘ach Titus Tatius, tiran! dat is je tol!’ Uitermate sterk is deze, door Augustinus geciteerde regel: ‘moribus antiquis res stat Romana virisque’ (aloude zeden, en ook mannen, schragen Rome).

In het langste fragment lezen we hoe consul Servilius op het slagveld een goede vriend raadpleegt. In die vriend herkennen sommige lezers de dichter zelf: ‘hij is geleerd en trouw,/ een prettig en plezierig mens, geheel tevree/ met wat hij heeft; hij raakt de juiste snaar, attent,/ met weinig woorden, wetend wat verzonken ligt/ in dagen van weleer, wat vroeger gold, wat thans,/ de wetten veler oude goden alsook mensen,/ ja een man die spreekt als zilver, zwijgt als goud’.

Toen de Aeneis van Vergilius kort voor het begin van onze jaartelling gepubliceerd werd en vrijwel direct als hét Romeinse epos te boek kwam te staan, raakten Livius Andronicus, Naevius en Ennius spoedig in de vergetelheid. Hun gedichten werden niet meer overgeschreven, alleen nog incidenteel aangehaald. Aangezien alle Europese bibliotheken in de afgelopen vijfhonderd jaar binnenstebuiten zijn gekeerd, staat het vast dat er nooit meer een perkamenten codex te voorschijn zal komen met een complete versie van de Annalen.

Maar wonderen zijn niet uitgesloten. In Herculaneum, dat in het jaar 79 onder de lava van de Vesuvius bedolven werd, zijn verkoolde boekrollen gevonden; op de tentoonstelling in museum Het Valkhof in Nijmegen zijn er een paar te zien. Moderne technieken maken het mogelijk ze snipper voor snipper te ontcijferen. Tot nu toe zijn er vooral Griekstalige filosofische fragmenten gevonden, maar ook een paar regels Ennius. Hunink heeft ze in zijn boek opgenomen. Veel is het niet, toch is voor liefhebbers dit fragment, over een veldheer die zichzelf ritueel opofferde, niet minder dan een sensatie: ‘hart…en Decius…sterven…ik was…bid’. Moge Herculaneum nog meer schatten prijsgeven.