De kaarten liegen nooit

Het hoeft geen verbazing te wekken dat de lengte van de gemiddelde opera vooral theatermakers een doorn in het oog is. Koorscenes, liefdesduetten en aria’s - zeg maar alle vocale hoogtepunten - eisen in de praktijk een hoge tol van de dramatische voortgang van het stuk. Tijd en handeling worden voortdurend stil gezet; nog afgezien van het feit dat de meest ongeloofwaardige verwikkelingen of voorgeschiedenissen voor zoete koek worden geslikt.

Zo heeft regisseur Peter Brook rucksichtslos het mes gezet in Bizets Carmen. Terwijl Marius Constant de muziek bewerkte, heeft Brook op basis van het libretto en de oorspronkelijk novelle van Prosper Merimee (1845) de ingredienten van Carmen opnieuw gerangschikt en geinterpreteerd. En vooral heeft hij rigoureus gesnoeid: het koor is verdwenen (zodat in de nu opgevoerde enscenering door De Amsterdamse Kameropera de tabaksfabriek is gereduceerd tot een sigaretje her en der), de gesproken dialogen zijn goeddeels geschrapt en van instrumentale tussenspelen is nauwelijks nog sprake.
Als invalshoek voor deze femme fatale-vertelling heeft Peter Brook het noodlotsmotief genomen. Zijn stuk heet dan ook La tragedie de Carmen. De ouverture opent met het motief van de kaartscene uit het laatste bedrijf, waar Carmen zingt: ‘Les cartes sont sinceres et ne mentiront pas.’ Hoe vaak ze de kaarten ook schudt en uitlegt, ze voorspellen haar telkens opnieuw la mort.
Niet alleen wordt in Brooks versie bij het begin en slot aan deze sleutelscene gerefereerd, in zijn Carmen vallen ook veel meer doden. De doorgaans wat sullige Don Jose is hier zijn jaloezie niet de baas en gaat met elke mannelijke tegenspeler op de vuist. Steeds met fatale afloop. In vijf kwartier tijd ziet Carmen een stoet doden aan zich voorbijtrekken en ten slotte laat ze zich, murw van ellende als haar geliefde Escamillo tijdens het stierengevecht gedood blijkt te zijn, door Don Jose als een lam naar de slachtbank leiden.
Het is een mooie, coherente en inderdaad erg tragische Carmen die Brook zo construeert. Maar toch wilde de uitvoering die De Amsterdamse Kameropera op de planken van het Theater Zuider Amstel Kanaal bracht niet echt ontroeren. Daar zijn verschillende redenen voor: door deze aaneenschakeling van highlights ontbreekt een zeker relief. In Bizets Carmen bestaat een groot contrast tussen de massascenes en de intieme momenten. De zinderende sfeer die het orkest oproept, is hier totaal afwezig. De partituur is teruggebracht tot een enkelvoudig bezet ensemble en dat klinkt wel erg karig - bovendien was de muzikale uitvoering niet veel soeps.
Met een uitstekende cast aan zangers was La tragedie de Carmen echter vooral een vocaal evenement. Xenia Meijer zette een broeierige, dweepzieke Carmen neer; Frank van Aken is met zijn ietwat gezette postuur de ideale Don Jose; Marcel Boone verbeeldt de toreador Escamillo als een wat naieve bink; Irene Maessen is geknipt voor de rol van de brave maar scherpe Micaela. Maar niet alleen zet dit kwartet een geloofwaardig spel neer, de zangprestaties van alle vier zijn van hoog niveau. In dat opzicht is het initiatief van De Amsterdamse Kameropera volledig geslaagd: jong Nederlands talent een kans geven zich te profileren in kleinschalige produkties (in november volgen produkties van Cinderella en The Lighthouse van Peter Maxwell Davies).
Dat het op papier eenvoudiger is dan in de praktijk om opera-initiatieven te ontwikkelen, blijkt wel uit de perikelen rond de Parkopera in het Vondelpark en het jammerlijk faillissement van de Italiaanse Opera Amsterdam op het Westergasterrein. Ook deze produktie van Carmen was, met name door het contrast tussen het niveau van de zangers en de muzikale begeleiding, problematisch te noemen. Maar wel maakte deze voorstelling duidelijk dat in Nederland jong ambitieus talent rondloopt, dat op een sympathieke, onpretentieuze manier de kans grijpt zich te ontwikkelen.