De kaasboer

Begin jaren tachtig speelde hij met zijn befaamde ‘hardop nadenken’ een belangrijke rol in het nucleaire debat. Tegenwoordig lijkt zijn eindeloze gefilosofeer meer een kwestie van gebrek aan visie. Wie is de echte Hans van Mierlo? ‘Een oude heer die vooral geen ruzie wil.’
EINDELIJK BEKLEEDT hij de post die hij zo lang ambieerde. Maar wat maakt Van Mierlo van zijn ministerschap van Buitenlandse Zaken? Iedere oorspronkelijkheid ontbreekt. Van Mierlo sust, hobbelt mee met zijn Europese collega’s en lijkt zich nergens bovenmatig over op te winden.

In het internationale diplomatieke circuit opereert hij met een behoedzaamheid die riekt naar angst en onkunde. Oosttimorese demonstranten opgepakt? Wie weet hebben de Indonesische autoriteiten daar wel een goede reden voor, zegt Van Mierlo. Nog steeds strafkampen in Rusland? Van Mierlo: ‘Laten we blij zijn dat daar tegenwoordig camera’s bij kunnen komen.’ Turkije martelt Koerden? Onze minister van Buitenlandse Zaken vindt dat het al een stuk beter gaat in Turkije. En heeft de minister ooit iets indrukwekkends gedebiteerd over de oorlog in voormalig Joegoslavie, over de integratie van Oost-Europa?
Misschien hebben de reacties op zijn voorstel voor een mobiele brigade onder auspicien van de Verenigde Naties hem kopschuw gemaakt. Dit idee, dat Van Mierlo kort na zijn aantreden lanceerde op een Algemene Vergadering van de VN, werd in Nederland met de grond gelijk gemaakt. Niet omdat het een slecht idee was, maar omdat de minister het lanceerde zonder met de Kamer te overleggen en zonder internationale lobby vooraf.
Toeval of niet, sindsdien lijkt Van Mierlo weinig meer te doen dan op de winkel passen. Zeker, hij verstrekte Poncke Princen een visum en weerstond daarbij een hoos van protest. Maar daar had Van Mierlo’s voorganger Kooijmans al toe besloten, zij het dat het door eigenhandig optreden van een ambtenaar niet was doorgegaan. Met enige goede wil is ook zijn bezoek, tegen de wens van de Kamer in, aan het Palestijnse Orient House te beschouwen als deel van het visitekaartje van de minister. Maar daarmee hebben we het ongeveer gehad.
'IK MEEN WEL een visie waar te nemen’, zegt Bob van den Bos, buitenlandwoordvoerder van D66. Van Mierlo probeert namelijk 'Nederland opnieuw op de kaart te krijgen’, nu de verhoudingen in de wereld zo drastisch anders zijn dan voor 1989. En Van Mierlo 'verschuift het accent naar het continent, terwijl we onder Van den Broek een echt Atlantisch land waren’. Van Mierlo probeert de samenwerking met de Benelux nieuw leven in te blazen en tegelijkertijd de contacten met Duitsland en Frankrijk te versterken. Toegegeven, zegt Van den Bos, 'dat laatste lukt nog niet erg, maar er is in ieder geval weer contact’. En dat is wel degelijk aan van Mierlo te danken. 'Hans heeft affectie met Frankrijk. Hij heeft er in z'n jeugd een jaar rondgezworven en spreekt goed Frans.’ Trouwens, alle landen zijn toch zoekende in hun buitenlandse beleid? Logisch dat Nederland dat ook is, vindt Van den Bos.
Onder Van Mierlo lijkt 'buitenlandse zaken’ inderdaad louter te bestaan uit het zo goed mogelijk meedoen in het machtsspel der topdiplomaten. Het hoogste ideaal lijkt het om in Europees verband serieus genomen te worden. Niet door het ventileren van een eigen geluid, maar juist door zo min mogelijk af te wijken. De angst om gidsland te zijn zit diep, en Van Mierlo’s gebrek aan ervaring en daarmee aan zelfvertrouwen in de internationale diplomatie doen de rest.
Sam Rozemond, ex-hoogleraar buitenlandse politiek en nu als onderzoeker aan Clingendael verbonden, verweet Van Mierlo onlangs in de Volkskrant geen enkele keuze te maken. Hij laat zijn agenda vollopen met topontmoetingen en hobbelt achter ieder incident aan. Van den Bos over het stuk van Rozemond in de Volkskrant: 'Een minister moet tegenwoordig in de eerste plaats manager zijn. En alle incidenten heeft hij toch goed opgelost? Nou, dan is hij een goede manager en dus een goede minister.’
'Van Mierlo is wel degelijk bevlogen, hij is een overtuigd Europeaan’, zegt Doeke Eisma, tot 1994 buitenlandwoordvoerder van D66 en nu Europarlementarier. En inderdaad zou Van Mierlo de man zijn om in Europees verband hard te maken voor een democratischer Europa. Het valt waarschijnlijk niet mee om minister te zijn naast de uitgesproken, bevlogen en kundige buitenlandministers Pronk en Voorhoeve, maar juist op Europees gebied zou Van Mierlo zich wel degelijk kunnen profileren. D66 heeft immers bij uitstek op het gebied van democratisering en staatsinrichting een naam hoog te houden.
Maar nee. 'Hij stelt eigenlijk geen enkele democratische voorwaarde aan de Europese samenwerking’, zegt Jan Geert Siccama, bijzonder hoogleraar en werkzaam bij Clingendael. Wie democratie serieus neemt, accepteert alleen een supranationaal Europa als het Europarlement een serieus parlement wordt; zoniet, dan is een intergouvernementeel Europa de enige andere acceptabele optie. Maar juist Van Mierlo marchandeert, vindt Siccama. Hij wil zo graag een sterk Europa dat ook hij het gebrek aan democratie voor lief neemt. 'En een debat over Europa wil hij al helemaal niet. De elite is het erover eens en is veel te bang dat ze teruggefloten wordt als mensen zich er echt in gaan verdiepen.’ Niet echt verheffend voor een D66-minister.
Binnenkort gaat het circus ter verdere vormgeving van Europa van start: de intergouvernementele conferentie begint in april en wordt afgesloten met een verdrag, analoog aan het verdrag van Maastricht. 'Nederland’ hoopt dat die afronding in de eerste helft van volgend jaar plaatsvindt, omdat Nederland dan voorzitter is van de EU en het verdrag dan opnieuw naar een Nederlandse plaats vernoemd wordt. Voor Van Mierlo de manier om zich Europees te profileren.
In de vier nota’s die de minister liet opstellen ter voorbereiding van deze conferentie is het echter conservatisme troef, vindt Siccama. Er wordt nauwelijks aangedrongen op meer bevoegdheden voor het Europarlement en Van Mierlo kiest voor 'verdieping’ in plaats van 'verbreding’. Ofte wel: geen uitbreiding met nieuwe lidstaten, eerst de huidige samenwerking versterken. Als die verdieping niet bestaat uit verdere democratisering, riekt die keuze erg naar eigenbelang: de rijke Europese landen verder versterken.
VAN MIERLO was eerder minister, begin jaren tachtig in het tweede en derde kabinet-Van Agt, toen de kernwapens het Nederlandse politieke debat domineerden. In zijn hoedanigheid als minister van Defensie vervulden de openbare twijfel en de paradoxen van Van Mierlo toen een belangrijke rol. Hij was voor, maar wist dank zij zijn eigen 'hardop nadenken’ de polarisatie iets te verzachten. Hij werd niet voor niets 'de psychiater van het nucleaire tijdperk’ genoemd.
Anno 1996 valt er meer hardop na te denken dan ooit, nu alle verhoudingen in de wereld door elkaar zijn geschud. Hier wreekt zich misschien toch het gebrek aan visionair gedachtengoed van D66 als partij. Juist Van Mierlo lijkt nog altijd te teren op het vraagstuk dat de Adviesraad voor Vrede en Veiligheid al dertig jaar bezighoudt, maar waar verder geen enkele Nederlander wakker van ligt: de vraag of Nederland 'continentaal’ dan wel 'Atlantisch’ georienteerd is.
In een door Clingendael in 1986 gepubliceerd interview over zijn visie op de buitenlandse politiek zette Van Mierlo zich vooral af tegen het koesteren van idealen, tegen een ideologisch buitenlands beleid. Vooral de sociaal-democraten moesten het wat dat betreft ontgelden. 'De derde wereld is ideologisch gezien een godsgeschenk’, zo stelde Van Mierlo cynisch. En: 'Het buitenlands beleid van D66 wordt niet beperkt door een ideologisch raamwerk. Wij worden minder belast door een buitenlands-politiek verle den, waardoor wij gemakkelijker verschuivingen in internationale verhoudingen kunnen aanvaarden en daaruit onze conclusies trekken.’
Dit zou men kunnen lezen als een pleidooi voor een frisse visie op de verhoudingen tussen Noord en Zuid, op duurzame ontwikkeling, op een ander denken over veiligheid. Maar wat Van Mierlo bedoelde was eenvoudig dat Nederland zich erbij neer moet leggen een klein landje zonder noemenswaardige invloed te zijn.
De afnemende macht van Nederland is, daar heeft de D66-leider gelijk in, deels een objectief gegeven. In de Europese Unie is Nederland een van de vijftien, en niet meer een van de zes. Engeland, Frankrijk en Duitsland zijn zich veel meer gaan manifesteren op het Europese toneel en mondiaal gezien zijn er veel meer invloedrijke landen dan twintig, dertig jaar geleden. Dat noopt tot enige bescheidenheid. Maar dat betekent nog niet dat je iedere visie maar moet laten varen. Jan Geert Siccama: 'Je moet prioriteiten stellen, een paar dingen bedenken die je echt belangrijk vindt, en daar dan aan gaan werken. Van Mierlo is ook iemand die zich laat ondersneeuwen door zijn apparaat. Of het over de Europese integratie gaat, over het veiligheidsbeleid of over ontwikkelingspolitiek - er zit op het moment geen enkele lijn in het beleid.’
En de herijking dan? Heeft Van Mierlo daarmee niet bij uitstek zijn stempel gedrukt op het buitenlands beleid? Nee, de herijking is, zoals Van Mierlo trouwens ook altijd heeft gezegd, vooral een organisatorische operatie. 'In de praktijk brengt het vooral het apparaat in het ongerede’, zegt Siccama. Er gaat veel tijd in zitten, maar inhoudelijk biedt het geen enkel nieuw inzicht. Het prioriteit geven aan het Nederlandse eigenbelang zegt immers op zichzelf ook niks, want dat eigenbelang kun je zo breed of smal definieren als je zelf wilt.
IN HET BEGIN van zijn ministerschap werd Van Mierlo vooral bekritiseerd omdat hij het vak niet leek te beheersen. Hij was vaak moe, leek niet opgewassen tegen de vele reizen en las in de Tweede Kamer urenlang ambtelijke epistels voor. Waar was de energieke, flamboyante Van Mierlo? Familiepers en roddelbladen wisten te melden dat hij persoonlijke tegenslagen had. Inmiddels gaat alles weer goed, vernemen we uit diezelfde bladen.
Over de allerergste kinderziekten is de minister inmiddels heen, maar nog steeds klagen kamerleden over zijn gebrek aan dossierkennis en zijn lange, veel te lange praten. Leonie Sipkes (GroenLinks): 'Soms denk ik bij debatten en overleggen: ik hou maar op, want de minister weet gewoon niet waar hij het over heeft. Het blijft de oude Van Mierlo die wat filosofeert. Ik heb het idee dat de wereld steeds groter wordt, sinds Van Mierlo minister is: alles blijkt met alles samen te hangen, maar erg concreet wordt het niet.’ Ze heeft heimwee naar Kooijmans 'en soms zelfs naar Van den Broek. Inhoudelijk was ik het vrijwel nooit met hem eens, maar hij wist wel waar hij het over had.’
Dank zij de 'herijking’ zijn tegenwoordig vaak meerdere ministers uit de 'buitenlanddriehoek’ aanwezig bij het overleg met de Kamer. Sipkes: 'Als Van Mierlo aan het woord is, zit ik vaak echt met kromme tenen. Dan denk ik: schiet nou op, want dan mag Pronk of Voorhoeve wat zeggen, en die weten tenminste waar ze het over hebben.’ Een paar keer had ze wel degelijk bewondering voor Van Mierlo. 'Met sommige onderwerpen heeft hij echt affiniteit, en dan is hij opeens heel anders: Poncke Princen, het Orient House, Suriname. Maar is die persoonlijke betrokkenheid er niet, dan blijft er niets over.’
'VAN MIERLO MIST iedere stuwende bezieling als het gaat om internationaal duurzaamheidsbeleid. Ik ben daar erg teleurgesteld over’, zegt Wout Nijland, directeur van de Evert Vermeerstichting, de PvdA- club die zich bezig houdt met ontwikkelingsbeleid en internationale verhoudingen. 'Van een D66'er zou je toch iets mogen verwachten op dat gebied.’
'In het debat over het non-proliferatieverdrag heeft Van Mierlo geen enkele kritische rol gespeeld’, vindt B. Van der Sijde, fysicus en betrokken bij het IKV. Nederland stemde eenvoudig mee met het hele Noorden, voor onvoorwaardelijke verlenging van het verdrag. Het Zuiden had graag gezien dat de kernwapenstaten zich in het verdrag aan voorwaarden bonden. Van der Sijde: 'Van Mierlo is een oude gemoedelijke heer die vooral geen ruzie wil. Op nucleair gebied toont Nederland geen enkel eigen gezicht.’
De waardering van D66'ers is echter onverminderd hoog. Van den Bos, gevraagd naar wat de minister nog zou kunnen verbeteren: 'Er schiet me even niks te binnen. Echt, hij doet het erg goed.’ En Bob de Ruiter, vroeger werkzaam bij de Tweede- Kamerfractie en nu op het ministerie van Buitenlandse Zaken: 'Media zien het liefst een minister die uit z'n hart spreekt en autoriteiten aanklaagt, maar Van Mierlo gaat het om de effectiviteit.’ Eisma: 'Iedereen weet toch wat er met Pronk en Indonesie is gebeurd?’
Dit voorbeeld ligt overigens alle D66'ers voor in de mond. Maar, is dan de volgende vraag, was die ruzie slecht voor de mensenrechten in Indonesie of slecht voor de Nederlandse handelsbelangen? Volgens alle geinterviewde D66'ers is het publiekelijk ijveren voor mensenrechten slechts een spel voor de Nederlandse buhne, met per definitie een averechts effect op de zaak waar het om gaat. Logisch toch dat iemand als Van Mierlo zich daar niet schuldig aan maakt? Van den Bos wil wel toegeven dat het 'voor de beeldvorming niet erg verstandig is’ om het in de herijkingsnota nauwelijks over mensenrechten te hebben: 'Door een halve pagina te wijden aan mensenrechten en tien aan het versterken van het eigenbelang, wek je toch een ietwat verkeerde indruk.’
COEN STORK, voormalig ambassadeur in Roemenie en betrokken bij verschillende mensenrechtenorganisaties: 'Van Mierlo heeft, als het om mensenrechten gaat, mij te veel een houding van: “Laat dat nou maar aan mij over.” Het is natuurlijk ook geen leuk onderwerp voor een minister, want het komt de sfeer niet ten goede, of het nou om buitenlandse collega-ministers gaat of om Nederlandse zakenmensen, zoals Shell.’ Maar juist de laatste maanden is Stork positiever geworden. Zo komt er bijvoorbeeld een aparte directie 'mensenrechten, goed bestuur en democratisering’ op het ministerie. Van Mierlo heeft al eens bekend bij iedere reis naar landen als China of Indonesie twee keer 'peentjes te zweten’: een keer als hij het heikele onderwerp ter sprake moest brengen bij zijn buitenlandse collega’s, en een keer als hij zich moet verantwoorden in de Kamer over de vraag of hij zich wel genoeg met de mensenrechten heeft bezig gehouden.
Stork hekelt Van Mierlo’s voornemen om de mensenrechten vooral als Europese Unie aan de orde te stellen. 'Als dat kan is het natuurlijk mooi, maar ook door mijn tijd in Roemenie ben ik daar sceptisch over. De Grieken, Spanjaarden en Italianen hadden er geen enkele belangstelling voor, en de Duitsers lagen dwars omdat ze bang waren dat ze de Duitse gemenschap in Roemenie in gevaar zouden brengen.’ Inderdaad, over de beste wijze van diplomatie - stil of juist publiek - valt te twisten, erkent Stork. 'Maar aan stille diplomatie zitten twee nadelen die Van Mierlo onvoldoende ziet. Ten eerste kun je het effect van je werk binnenskamers al te makkelijk overschatten, ten tweede is het niet controleerbaar. En je bent ook minder makkelijk aanspreekbaar voor bijvoorbeeld dissidenten en mensenrechtenorganisaties.’
Maar bovenal vindt Stork dat Van Mierlo te weinig durft te kiezen. 'Wat is dat eigenlijk, het Nederlands belang? Dat we gewoon nog rijker worden? Vaak moet je een keuze maken tussen het Nederlands belang in engere zin, dus het handelsbelang, en het opkomen voor mensenrechten, waar we toch ook zo trots op zijn en ons op laten voorstaan. Ik mis een bredere visie.’
'Hij had gewoon geen minister van Buitenlandse Zaken moeten worden’, vindt een vriend van Van Mierlo die niet met name genoemd wil worden. 'Ik heb het hem echt afgeraden. Je kunt daar nooit de verwachtingen waarmaken, omdat het per definitie een ministerie is dat in de eerste plaats de belangen van het koninkrijk moet behartigen. Bovendien heb je van daaruit nauwelijks invloed op het kabinetsbeleid - daarvoor moet je premier, minister van Financien of van Binnenlandse Zaken zijn.’
'Ach’, zegt Siccama, 'de tijdgeest wil dat we de kaas een beetje goed verkopen, en dat doet Van Mierlo.’