elf theorieën over geld en macht

De kakofonie der economen

Keynes zei ooit: «Zolang economen leven worden ze genegeerd, en als ze dood zijn richten ze grote schade aan.» Dat is wellicht de reden dat steeds meer economen boeken schrijven voor een breed publiek. Om het lezersvolk te overtuigen van analyses en diagnoses. Een selectie uit de belangrijkste populariserende economieboeken van de afgelopen twee jaar.

Toen Paul Krugman vijf jaar geleden als columnist in dienst trad van The New York Times markeerde dat een opvallende ommezwaai in zijn carrière. Een van ’s werelds meest gerespecteerde economen werd stukjesschrijver.
Een selectie van de columns van Krugman verscheen in boekvorm onder de titel The Great Unraveling: Losing Our Way in the New Century. Het boek be vestigt opnieuw Krugmans gave om complexe theorie uit te leggen in lekentaal. Maar het boek maakt ook duidelijk waarom Krugman inmiddels een reputatie heeft verworven als partijdig commentator. Hoewel de krant hem had aangenomen om te schrijven over economische mondialisering, ontwikkelingen in het bedrijfsleven en het economisch beleid in andere landen ontpopte hij zich allengs tot een fel criticus van het beleid van de Amerikaanse regering. Naar eigen zeggen uit woede over de «schandelijke leugens van de regering-Bush». Daardoor raakt de economie soms uit zicht. Gelukkig niet in het begin van de bundel, die hij opent met nuchtere economische analyses. Krugman laakt de onhoudbare stijging van de beurskoersen in de jaren negentig, waarna de zeepbel van de new economy uit elkaar spatte. Hij heeft het vooral gemunt op Alan Greenspan, de zojuist teruggetreden voorzitter van de Federal Reserve Board, het stelsel van centrale banken in de Verenigde Staten. Greenspan, aldus Krugman, was medeverantwoordelijk voor de zeepbel door openlijk het paradigma van de nieuwe economie te omarmen. De IT-revolutie zou zorgen voor voortdurende productiviteitsstijgingen en een permanent hogere economische groei, wat onjuist is gebleken.
Krugman suggereert ook dat Greenspan de stijging van de beurskoersen had moeten voorkomen, overigens zonder concrete suggesties te doen hoe. Begrijpelijk, want Krugman vraagt vrijwel het onmogelijke: Greenspan moet midden in economische expansie, zonder wijsheid achteraf, nagaan of er sprake is van een kunstmatig opgeblazen groei, een normale conjuncturele bloeiperiode, of een structurele versnelling van de productiviteitsgroei. Als de diagnose had geluid: opgeblazen groei, dan was het de plicht van de baas van de Amerikaanse centrale banken geweest, aldus Krugman, om de economie af te remmen door de rente in precies de juiste mate en met exact het juiste tempo te verhogen, zodat de zeepbel langzaam was leeggelopen, in plaats van uit elkaar te spatten.
Krugman is op zijn best als hij zijn licht laat schijnen over internationaal economische onderwerpen. Niet voor niets heeft hij zijn naam als wetenschapper gemaakt met publicaties over speculatieve valuta-aanvallen. Net als Joseph Stiglitz, een andere briljante Amerikaanse econoom die zijn vizier op een groot publiek heeft gericht, is Krugman kritisch over de ten dele politiek gemotiveerde leningen die het IMF in de late jaren negentig aan Rusland gaf. Hij deelt Stiglitz’ standpunt dat landen ongereguleerde internationale kapitaalstromen pas mogen toestaan nadat de binnenlandse bankensector is gestabiliseerd en gereguleerd en pas nadat een einde is gemaakt aan belangen verstrengeling tussen politici, bedrijven en financiële instellingen. Deze kritiek wordt inmiddels in brede kring ge deeld; het IMF paste het advies over kapitaalmarktliberalisering al jaren geleden aan.
Maar waar Stiglitz met zijn kritiek op de populistische toer ging, blijft Krugman trouw aan zijn academische achtergrond. Zo verdedigt hij gepassioneerd het idee dat vrijhandel tussen arme en rijke landen voor beide partijen voordelen oplevert. In diezelfde geest van vrijhandel en marktwerking kritiseert hij de Amerikaanse vakbonden. Met hun lobby voor protectionistische maatregelen benadelen zij de derdewereldlanden, vaak met het argument dat de arbeidsomstandigheden in derdewereldlanden eerst op het Amerikaanse niveau moeten worden getild. Krugman neemt zelfs het onpopulaire standpunt in dat mondialisering waarschijnlijk bijdraagt aan een beter milieu, omdat het landen blootstelt aan internationale kritiek, waar door milieumisstanden eerder aan het licht komen.
Een stokpaardje van Krugman zijn de belastingverlagingen van de regering-Bush. Die leiden volgens hem tot een onhoudbare financiële last, met de vergrijzing en de groeiende subsidies voor een steeds duurder wordende gezondheidszorg als belangrijkste argumenten. Vooral de lange-termijnverlagingen van de inkomstenbelas ting en de verlaging (en zelfs afschaf fing) van de belasting op geërfd vermogen zijn volgens hem oerstom. In de Verenigde Staten worden die immers, anders dan de loonbelasting, vooral door gezinnen met hoge inkomens (boven tweehonderdduizend dollar) opgebracht. Bovendien hebben toekomstige belastingverlagingen volgens hem weinig nut voor het stimuleren van de economie nu. Volgens het Witte Huis daarentegen kunnen belastingverlagingen op lange termijn wel degelijk van invloed zijn op consumptie en economische groei op korte termijn. Zo wordt er wat afgeruzied tussen economen. Want met de sociale werkelijkheid kun je alle kanten op: was de waar te nemen consumptiegroei of -daling nu het gevolg van de belastingpolitiek, van een algeheel gevoel van welbehagen, of van een incidentele ramp als orkaan Katrina of 11 september 2001? Krugman had zich in dit debat groter kunnen tonen door op z’n minst te erkennen dat de directe belastingteruggave die Bush drie jaar geleden aan gezinnen deed, hoe rechtvaardig of onrechtvaardig ook, waarschijnlijk wel heeft bijgedragen aan de hoge economische groei, waardoor zelfs het begrotingstekort – door hogere belastingopbrengsten in een grotere economie – de afgelopen maanden (tot Katrina) weer enigszins terugliep. Dan was zijn eigen claim geloofwaardiger geweest dat de groei in Amerika te danken is aan hogere consumptie gepaard aan lagere besparingen, met een kunstmatig laag gehouden rente, wat op den duur gevaarlijk is voor de economie.
Natuurlijk is het boek bij vlagen geestig, met titels als Waarom president Bush altijd ongelijk heeft – zelfs als hij gelijk heeft. Bovendien geeft Krugman een schier onuitputtelijke lijst met originele en inzichtelijke voorbeelden. De meeste economen zouden, bijvoorbeeld, het principe van een niet-optimaal evenwicht verwoorden als een situatie waarin er geen vraag is naar nuttige goederen omdat ze nooit zijn aangeboden en dat die goederen nooit zullen worden aangeboden omdat er onvoldoende vraag naar is. Dit schrijft Krugman ook, maar hij doet meer. Hij brengt deze abstracte theorie tot leven met een voorbeeld over de geschiedenis van de notoir slechte Britse keuken: door de snelle urbanisatie gedurende de Victoriaanse tijd hadden grote delen van de stedelijke bevolking na verloop van tijd geen toegang meer tot traditionele, verse ingrediënten, en moesten miljoenen Britten zich behelpen met voedsel dat ongekoeld bewaard kon worden. Honderd jaar later, toen goed voedsel in principe voor iedereen binnen handbereik was, was er geen vraag naar omdat de Britten, na een eeuw lang gewenning aan pork pie en andere Britse «delicatessen», simpelweg niet meer wisten wat goed en vers voedsel was. Dit zou Krugman meer moeten doen. Wat minder Bush-bashing en wat meer _pork pie-_voorbeelden.

II
Het blijft lekker om te lezen dat de eigen economie deugt, vooral als buitenlanders het zeggen. Dat verklaart het succes van The European Dream: How Europe’s Vision of the Future is Quietly Eclipsing the American Dream. Dit boek van Jeremy Rifkin, directeur van zijn eigen Foundation on Economic Trends, is een bestseller onder Europeanen, ook in Amerika. Europese diplomaten geven het elkaar cadeau op borrels en partijen.
Rifkin legt in Jip en Janneke-taal uit dat Europa niet hopeloos vastzit in het verleden, zoals Amerikanen graag beweren, maar dat ze de weg tonen naar de toekomst. Hij schrijft zelfs dat wij «een universeel gevoel van verantwoordelijkheid voor milieu, klimaat, mensenrechten en vredeshandhaving» koesteren. Europa is niet het continent waarin de vakbond regeert en maandenlange vakanties en een hoog minimumloon de ondernemer gek maken. Europeanen creëren een kapitalisme met een menselijk gezicht. Geen geringe prestatie. Tegelijk bevuilt Rifkin het eigen nest: de Amerikaanse droom wordt bij hem een nachtmerrie.
Rifkins betoog is te accepteren als je welvaart in zeer brede zin opvat. Het gaat bij hem om «toegang tot fatsoenlijk onderwijs, gezondheidszorg, kinderopvang, veilige buurten». En ook de hoeveelheid vrije tijd is bij hem een belangrijke indicator van welbevinden. Rifkin: «Op deze gebieden is de EU Amerika al lang gepasseerd.» Het gemiddelde inkomen, dat in Amerika zo’n 35 procent hoger ligt, doet er bij Rifkin weinig toe. Tegelijk benadrukt hij dat de EU «groter» is dan de VS en de EU meer exporteert. Dat zou onder meer aantonen dat Europa economisch indrukwekkender opereert dan Amerika. Maar je kunt natuurlijk net zo goed concluderen dat dit het inkomens verschil tussen Amerika en Europa alleen nog maar zorgelijker maakt: meer Europeanen en meer export en toch een aanzienlijk lager gemiddeld inkomen. Zou dat verschil allemaal worden uitgeleend aan Amerikanen, om die in staat te stellen hun luxe leventje te leiden? Rifkin geeft hier geen antwoord op. Zo is het ook met banken: Rifkin schrijft opgewonden dat Europa meer grote banken telt dan Amerika. Hij vermeldt niet dat die banken aanzienlijk minder winst maken.
In een vorig leven als milieudeskundige, twintig jaar geleden, vond de econoom Rifkin groot en veel juist slecht. Maar de bescherming van het milieu is enigszins verdrongen van de publieke radar en dus ook van Rifkins telraam. Voor zijn Amerikaanse publiek, dat hem al decennialang in praatprogramma’s voorbij ziet komen, heeft hij daardoor een geloofwaardigheids probleem. Dat heeft wellicht ook met de kwantiteit te maken: Rifkin schrijft sneller dan zijn schaduw. Hij en zijn onderzoeksinstituut produceren het ene na het andere boek met vergaande conclusies en vaak gezwollen doem scenario’s of ongeloofwaardige uto pieën. Zo schreef hij enkele jaren terug, voordat de internethype werd doorgeprikt, het boek Beyond Work, waarin hij voorspelt dat computers en robots al het werk zullen overnemen, behalve dat van de allerrijksten. En in de jaren zeventig prees hij het landbouwbeleid van Mao, om tegelijk te beweren dat in China niemand van de honger stierf.

III
Aardig is dat juist een Duitser Rifkin tegenspreekt. De jonge econoom Olaf Gersemann is VS-correspondent van het weekblad Wirtschaftwoche en hij stoort zich in Cowboy Capitalism: European Myths, American Reality enorm aan de «vooroordelen» in zijn land over de Amerikaanse economie. Die zijn volgens hem samen te vatten in de opmerking van Schröder over «de wetten van de jungle» die in Amerika zouden regeren. De toenmalige bondskanselier zei tegen een journalist: «Ik wil geen Amerikaanse toestanden op de arbeidsmarkt. Sociaal-democraten zijn ervan overtuigd dat het voor mensen mogelijk moet zijn om een fatsoenlijk en waardig leven te leiden, zonder drie banen op één dag en met bescherming tegen ontslag.» Gersemann zocht het eens uit en vond dat vijf procent van de Amerikanen meer dan één baan heeft, tegen 2,5 procent van de Duitsers. En minder dan 1,6 procent van de Amerikanen houdt er drie banen op na. Schröder overdrijft. Dat ergert Gersemann net zo als het gebrek aan dynamiek en vernieuwing in Europa. Van de twintig grootste Amerikaanse bedrijven in 1967, beweert hij, zijn er in 2004 nog maar elf terug te vinden in de top-zestig. De rest is vervangen door nieuwe ondernemingen. De twintig grootste Europese bedrijven in 1967 staan daarentegen in 2004 allemaal nog in de top-zestig. Vijftien staan zelfs na al die jaren nog altijd in de top-twintig. Waar is het Europese Microsoft of Wal-Mart? Waar is de dynamiek?

IV
In tegenstelling tot het pro-Europese boek van Rifkin kreeg Gersemann geen enkele aandacht in de Nederlandse dagbladen. Ook werd er geen letter gewijd aan het Europa-kritische boek Transforming the European Economy van Martin Neal Baily en Jacob Funk Kirkegaard. Hun boek is droger dan dat van Gersemann, maar overtuigender. Gersemann is uiteindelijk een econoom die zich in het dagelijks leven onledig houdt met eenvoudige verslaggeving, Baily en Kirkegaard daarentegen zijn serieuze wetenschappers. Baily, een voormalig economiehoogleraar aan de prestigieuze Yale-universiteit, was zelfs enige jaren voorzitter van de raad van economisch adviseurs van Clinton.
Een groot deel van het boek vertelt het bekende verhaal: als Europa hetzelfde welvaartspeil wil behouden, is de ruimhartige verzorgingsstaat niet vol te houden. Vooral de vergrijzing is schuldig. En er staan volgens Baily en Kirkegaard ook een paar nare littekens in het menselijke gezicht van Europa’s kapitalisme. Neem de inactieven, die door goedbedoelde sociale wetgeving geen serieuze herkansing meer krijgen op de arbeidsmarkt. De hoge loonkosten, ja, eigenlijk het hele economische stelsel in Europa vormt een rem op de arbeidsparticipatie en concurrentiekracht van Europese bedrijven.
Maar Baily en Kirkegaard laten het niet bij de bekende riedel. Ze doen ook een aanval op de bewondering voor de grote hoeveelheid vrije tijd in Europa. Het welvaartssysteem creëert al die vrije tijd, niet de liefde van Europeanen voor het goede leven, is hun redenering. De economen nemen Nederland als voorbeeld. «De zeer genereuze ziektewet in dat land zorgde voor de hoogste arbeidsongeschiktheidscijfers ter wereld.» Nederlanders zijn natuurlijk niet echt zieker dan werknemers in andere landen, ze hebben niet «gevraagd» om extra vrije tijd, maar hebben die gekregen als onbedoelde consequentie van regelgeving. Exemplarisch, volgens Baily en Kirkegaard. «Europa’s vrijetijdsregelingen zijn ontstaan in een omgeving waarin werkprikkels substantieel zijn veranderd door beleid dat niet bevorderlijk is voor de samenleving in haar geheel.» Door de hoge belastingen en goede sociale voorzieningen is vrije tijd relatief goedkoop in Europa. Daardoor is er meer belangstelling voor.
Maar beide economen zijn niet pessimistisch over de Europese economie, juist omdat er nog zo veel valt te verbeteren. Als Europa nu eens begint met het afschaffen van allerlei protectionistische maatregelen, dan volgen technologische innovaties vanzelf – daarvoor is in Europa nog genoeg vernuft en opleiding over. «Belangrijk is wel dat de uitbreiding van de Europese Unie naar Oost-Europa bij de oudere EU-leden niet leidt tot een protectionistische reflex.» Het moet dus snel afgelopen zijn met de irrationele angst voor loodgieters uit Polen. Of gemekker over Bulgaren in de bouw.

V
Angst is sowieso niet bevorderlijk voor economische groei, is te lezen in The Mystery of Economic Growth. In dit boek probeert Elhanan Helpman, hoogleraar aan Harvard, systematisch de bronnen van economische groei te achterhalen. Maar hoe onthutsend of juist geruststellend ook, uit het vele onderzoek dat Helpman op een rijtje zet blijkt dat economen nagenoeg volledig in het duister tasten. Oké, angst en handelsbelemmeringen zijn nooit bevorderlijk voor economische groei, maar daarmee is nog weinig gezegd. Neem economische ongelijkheid. Heeft zij een positief effect op de groei? Nee, zeggen sommige economen. Als grote groepen in de samenleving al vanaf de geboorte vastzitten in armoede zal hun arbeids potentieel nooit worden aangesproken. Bovendien durven burgers in zo’n samenleving niks te ondernemen, omdat een faillissement zonder sociaal vangnet fataal is. Ja, zeggen anderen, ongelijkheid heeft een positief effect op de groei, want ze zorgt voor dynamiek en een vurig verlangen erop vooruit te gaan, en dan maakt het niet uit of de rijken hun twee buitenhuizen aanvullen met vijf of vijftien Ferrari’s. China en India blijken de grootste groeiers van de laatste decennia, terwijl de ongelijkheid daar schrijnend was en in India nu, juist als resultaat van de groei, aan het verminderen is.
Helpman bestudeert de argumenten en concludeert: we weten het niet. Economen verschillen zelfs van mening over de vraag of democratie goed of slecht is voor economische groei. Onderzoek zou de politiek incorrecte conclusie onderbouwen dat «politieke rechten» een remmende invloed hebben, om maar eens iets te noemen. Of denk aan Bolivia, waar de meerderheid van de bevolking nog niet zo lang geleden van mening was dat de gigantische gasbel in de grond door niemand mocht worden aangeboord, zelfs niet door een genationaliseerd bedrijf. Want het gas was van het land, van het volk. Daar moest je meer dan zuinig op zijn.
Zelfs maatschappelijke stabiliteit blijkt groei niet altijd te stimuleren, omdat vakbonden «en andere groeionderdrukkende instellingen» daarin goed gedijen. Met dit argument valt onder meer te verklaren dat de econo mieën van Duitsland en Japan direct na de Tweede Wereldoorlog razendsnel groeiden, in tegenstelling tot de economie van, bijvoorbeeld, het Verenigd Koninkrijk. Irak is een dramatisch tegenvoorbeeld.
En zo gaat het verder. Helpman komt uiteindelijk toch tot een voorzichtige conclusie: politieke instituties – zoals gewoontes, bescherming van eigendom en andere rechten – zijn uiteindelijk belangrijker dan handelsbelemmeringen, geografische factoren (havens, vruchtbaarheid van de grond, klimaat) of zelfs onderwijsniveau. Helpman: «Toch is het mysterie van de economische groei nog altijd niet opgelost.»

VI
Helpmans boek is geen eenvoudige kost. Evenmin eenvoudig is The Power of Productivity: Wealth, Poverty and the Threat to Global Instability van William Lewis. Deze gepensioneerde onderzoeksdirecteur van adviesbureau McKin sey is tegenwoordig als econoom verbonden aan de University of Chicago. Zijn centrale stelling is dat welvaart eigenlijk alleen om productiviteit draait. Dat klinkt wellicht als een open deur, en was al bekend sinds Nobelprijswinnaar Robert Solow er in de jaren vijftig onderzoek naar deed, maar bij Lewis leidt het inzicht tot enkele bijzondere deelconclusies. Dat bijvoorbeeld de spaarzucht van een land er weinig toe doet in het bereiken van een hogere welvaart. En dat zelfs een hoog niveau van formeel onderwijs geen garantie is voor hoge productiviteit. Wat mensen op school leren, blijken ze meestal ook in de praktijk te kunnen leren en vaak nog sneller ook. Daar zullen politici nog van opkijken, gezien het eeuwige gejeremieer over het onderwijsbudget en het begrip kenniseconomie.
Lewis’ ideeën zijn niet voor niets omstreden. Hij doet weinig met de groeiende inkomensverschillen tussen hoger en lager opgeleiden in de westerse wereld, wat aantoont dat de productiviteit van hoger opgeleiden sneller groeit. Voor hem is het duidelijk: het komt vanzelf goed met de economie als de overheid gewoon zorgt voor voldoende concurrentie (weg met het polder model), voor de juiste prikkels (dus weg met hoge belastingen), en voor een dynamische omgeving. Dus ook weg met die veelal doorgeschoten Europese en nationale regelgeving als arbo-richtlijnen voor glazenwassers en tomaten telers.

VII
Opnieuw lijkt het niet toevallig dat de schrijver uit Amerika komt, nog wel van de universiteit van Chicago, het thuisfront van neoliberale economen met Milton Friedman als beroemd boegbeeld. Maar Amerika is groot en het debat is er levendig. Ook John Perkins is Amerikaan, de man die het felste en meest fascinerende boek schreef dat de tegenstanders van de moderne mondiale economie recent hebben geproduceerd: The Confessions of an Economic Hit Man. In dit tegendraadse boek «bekent» Perkins jarenlang de «corporatocracy» te hebben gediend, een amalgaam van banken, multinationals en regeringen die volgens hem de arme landen opzadelen met torenhoge schulden opdat die landen tot in lengte van jaren aan hen zijn gebonden.
Perkins is een verre afstammeling van de radicale, maar tegenwoordig ook door Frits Bolkestein geprezen Verlichtingsdenker Tom Paine. Perkins meent dat hij als «EHM», «economic hitman», de erfenis van Paine verkwanselde. De EHM is volgens hem «de goed betaalde kracht die landen overal in de wereld van miljarden dollars berooft». De meesten, voegt Perkins er dreigend aan toe, denken nog dat ze weldoeners zijn ook. Maar hitmen worden aangesteld, net als Perkins in 1971, om kapitaal van de Wereldbank, het Amerikaanse ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking en andere «hulporganisaties» uit eigen land en uit «zusterlanden van het Amerikaanse rijk» over te hevelen naar gigantische multinationals. Met dat geld houden ze controle over ’s werelds grondstoffen. «De voorwaarde van de meeste leningen is dat bedrijven uit ons eigen land al die projecten moeten bouwen. In essentie verlaat het meeste geld nooit de VS: het wordt simpelweg van banken in Washington overgemaakt naar ingenieursbureaus en constructiebedrijven in New York.» Terwijl de opbrengsten van de projecten ook weer naar de multinationals gaan en naar een paar rijke families ter plaatse, die het in het buitenland op de bank zetten. Vervolgens moet het geld nog door de bevolking worden terug betaald ook.
Perkins beweert dat zijn rol er vooral in bestond de vooruitzichten voor economische groei enorm op te blazen, waardoor de lening «logisch» werd voor alle partijen. Hij voorspelde ooit dat de vraag naar energie in Indonesië twaalf jaar lang met negentien procent zou stijgen, daarna acht jaar lang met zeventien procent en dan nog eens 25 jaar met vijftien procent. Dat soort voorspellingen wilde de Wereldbank in die tijd graag horen. «In werkelijkheid», schrijft Perkins, «is een land als Ecuador er vandaag aanzienlijk slechter aan toe dan voordat wij het kennis lieten maken met de wonderen van de moderne economie.» Als het overdrijven van de economische prognoses erop zat, bestond Perkins’ werk naar eigen schrijven eruit «te zorgen dat de landen die deze leningen ontvingen failliet raakten opdat zij voor altijd waren vastgeklonken aan hun schuld eisers, waardoor die gemakkelijker gunsten van ze konden krijgen, als VN-stemmen, militaire bases en toegang tot olie en andere natuurlijk hulpbronnen».
Als je ondanks de onjuistheden en contradicties in alleen al dit citaat bereid bent de wereld door Perkins’ bril te bekijken, kun je nog plezier aan zijn boek beleven. Want de voormalige werknemer en partner van het internationale consultancybedrijf Main (hoofdkantoor in Boston) kan spannend schrijven. Vooral over zijn belevenissen in Ecuador, maar ook over zijn tijd in Indonesië, Venezuela en Panama. Zijn verslag van de «geheime» afspraak die hij maakte met Omar Torijos, voormalig president van Panama, staat in de schaduw van De gesprekken met de generaal dat Graham Greene schreef over zijn vriendschap met Torijos. Toch laat het iets zien van de moedeloosheid die Zuid- en Midden-Amerikaanse leiders in de laatste decennia van de twintigste eeuw moeten hebben gevoeld in hun pogingen enige onafhankelijkheid te verkrijgen in de relatie met de imperialistische en destijds paranoïde moloch uit het noorden.
Maar zoals de titel al doet vermoeden, is Perkins’ boek ook eindeloos ijdel, vol met niet ter zake doende persoonlijke prietpraat, zoals zo vaak in de verslagen van klokkenluiders en zelfverklaarde spijtoptanten. Hij verbaast zich er nogal eens over «de moed» te hebben gevonden dit boek te schrijven, dat wel eens «het begin van de verlossing» kan zijn. Let wel: de verlossing van de ganse wereld. En overal ziet Perkins zijn these bevestigd, zelfs in de afwijzing van een uitgever («onderdeel van een internationale corporatie»). Tegenargumenten moet de lezer zelf bedenken. Zoals de recente inspanningen van Blair om de schulden van de allerarmste landen kwijt te schelden. En de pogingen van Bush om de Wereldbank minder leningen, maar juist meer giften te laten verstrekken. Als de centrale these van je boek eruit bestaat dat het creëren van een grote nationale schuld het voornaamste doel is van de westerse corporatocracy moet je toch ten minste een antwoord op beide ontwikkelingen hebben. En het was ook niet kwaad geweest als Perkins had opgemerkt dat hoewel de ongelijkheid in de wereld in veel opzichten is ge groeid, het aantal armen de afgelopen decennia spectaculair is gedaald. In 1970 leefden 1,3 miljard mensen van minder dan twee dollar per dag, in 1998 is dat aantal gedaald met 350 miljoen. Het aantal mensen dat in 1970 van minder dan één dollar per dag leefde, was 554 miljoen. Dat aantal was in 1998 met 201 miljoen gedaald. En dat in een tijd waarin de wereldbevolking explosief is gegroeid. Ondanks de rooftocht van Perkins en zijn vrienden deden ontwikkelings landen het in het afgelopen jaar helemaal niet zo slecht. Hun economieën groeiden met ruim zes procent, en dat is het hoogste percentage in de afgelopen dertig jaar.

VIII
Dat zal James Wolfensohn, de scheidende president van de Wereldbank, als een mooi afscheidscadeau hebben gezien. Zijn vertrek was voor de econoom en Washington Post-_columnist Sebastian Mallaby aanleiding om een biografie te schrijven over deze alleskunner.
Wolfensohn werd in 1933 geboren in Sydney, als kind van arme joodse immigranten, om zestig jaar later, via Harvard en Wall Street (waar hij miljoenen verdiende als bankier), directeur te worden van de grootste ontwikkelingsbank ter wereld. Ook heeft hij alle denkbare culturele nevenfuncties bekleed die er in de _upper circles
van New York en Washington te vinden zijn. En passant bouwde hij een netwerk op waarin de naam van koningin Beatrix wegvalt naast die van Bill Clinton, Colin Powell en Bono. Toen Bono twee jaar geleden door president Bush gebeld werd met de vraag of hij naast hem op het podium wilde zitten bij het aankondigen van vijf miljard dollar extra steun aan ontwikkelingslanden belde hij eerst Wolfensohn om te vragen of vijf miljard wel een redelijk bedrag was. «Bono», zei Wolfensohn, «voor vijf miljard kun je best naast Bush op een podium zitten.» Mallaby heeft niet zomaar een biografie geschreven over een man met te veel energie. Aan de hand van Wolfensohns leven beschrijft hij hoe de Wereldbank in de afgelopen twintig jaar geprobeerd heeft gestalte te geven aan «een wereld zonder armoede».
The World’s Banker is een geslaagde combinatie van biografie, institutionele geschiedschrijving en economische analyse. Vanaf het begin van zijn aantreden heeft Wolfensohn de Wereldbank opgeschud. Mede door zijn toedoen zijn de rijke aandeelhoudende landen van de Wereldbank nu bereid om schulden van arme landen kwijt te schelden. En onder zijn leiding heeft de Wereldbank haar nauwe economische blik verruimd. Volgens het nieuwe denken kunnen arme landen alleen groeien als het onderwijs, de gezondheidszorg, de in frastructuur, de overheidsfinanciën, de financiële sector, de gelijkheid van man nen en vrouwen, het milieu en zelfs de bescherming van cultureel erfgoed allemaal tegelijkertijd verbeteren. Te recht wijst Mallaby erop dat dit een mooie theorie is voor economische ontwikkeling op mondiale schaal, maar dat er in de praktijk gekozen moet worden door de individuele landen zelf. En zij kunnen niet alles tegelijk doen.
Natuurlijk hoeft dat ook niet, want niet ieder probleem is in elk land even groot. Is er in het ene land beter en toegankelijker onderwijs nodig, zo is het andere land meer gebaat bij investeringen in wegen en energiecentrales. En niemand is natuurlijk tegen het kwijtschelden van schulden, zeker niet als je Bono tegen over je vindt en het bovendien andermans geld is. Maar het is geen panacee voor de ontwikkeling van een land – het biedt zelfs vooral de mogelijkheid nieuwe schulden in versneld tempo op te bouwen. En juist landen die alles tegelijk willen doen, zoals Wolfensohn wil, lopen het risico in die val te trappen.

IX
Een aanhanger van Wolfensohns alles-moet-anders-denken is de Amerikaanse econoom Jeffrey Sachs, die End of Poverty schreef. Ook zijn cv leest als een hitlijst. Op 22-jarige leeftijd studeerde hij summa cum laude af aan Harvard en op zijn dertigste werd hij daar de jongste hoogleraar. Een paar jaar geleden kocht Columbia University hem weg voor meer dan tien miljoen dollar. Internationaal maakte hij naam door als dertiger Bolivia te redden van een combinatie van lage groei en een ab surd hoge inflatie van veertig duizend procent. Daarna wees hij vol zelf vertrouwen in enkele dagen tijd de Poolse regering de weg naar het kapitalisme. Vervolgens werd hij de architect van de «shocktherapie» in Rusland, om de door hem verfoeide perestrojka de nek om te draaien. In geleidelijke hervormingen gelooft Sachs niet.
Na de pijnlijke hyperinflatie in Rusland (shock zonder therapie) werd er even niets meer van Sachs vernomen, tot Kofi Annan hem in 2001 aanwees als leider van de millenniumdoelstellingen, het ambitieuze VN-programma om ’s werelds armoede de komende jaren te halveren. Nu is Sachs helemaal terug, dit keer aan de zijde van Bono, die zich enkele jaren geleden als zijn student meldde en die het voorwoord voor End of Poverty schreef. De econoom, open hemd, volle bos haar en hippe bril, heeft inmiddels bijna de allure van een rockster (Bono draagt juist steeds vaker dure pakken).
Voor Sachs is de wereld onmodieus maakbaar, zoals al blijkt uit de hoogmoedige titel. En Sachs blijkt consistent. Ook nu roept hij voor de wereldwijde opheffing van armoede om radicale maatregelen, vergezeld van een forse financiële injectie uit het Westen. De mislukking in Rusland is volgens hem te wijten aan westerse lethargie. Er had meer geld naar Rusland gemoeten. En ja, dat geeft Sachs ook wel toe, de overheid verkocht de bedrijven aan «mensen met een ander idee van recht en orde dan ikzelf».
De armoedebestrijding vereist nu, volgens Sachs, maar liefst twee keer een verdubbeling van de internationale hulp: in 2006 en nog eens in 2015. In 2025 zal de armoede dan voorgoed verleden tijd zijn. Omdat alles met alles samenhangt heeft Sachs een pakket aan maatregelen bedacht die tegelijk moeten worden geïmplementeerd. Niks stapvoets, of land voor land: de methode die de Amerikaanse regering mo men teel voorstaat.
Sachs’ Grote Sprong Voorwaarts spreekt natuurlijk tot de verbeelding van rocksterren en de talloze Afrikaanse presidenten wier vriendschap Sachs in zijn boek niet onvermeld laat. En het moet gezegd: Sachs’ verontwaardiging en optimisme zijn aanstekelijk. Hij tekent de ellende met verve, vooral in sub-Sahara-Afrika. En hij bombardeert de lezer in de eerste hoofdstukken met cijfers over de urgentie van het probleem.
Miljoenen Afrikanen en Aziaten zitten vast in extreme armoede, door aids, malaria, droogte en mislukte oogsten, door kilometers per dag te moeten lopen om water te halen, door gebrek aan scholing, de onmogelijkheid tot sparen, enzovoort. Sachs schuwt daarbij de vergelijking niet. Het kost vijftien dollar per jaar om het leven van een malariapatiënt te redden; het kost 58.000 dollar aan chemotherapie om het leven te redden van iemand die lijdt aan borstkanker. Elke dag sterven er dertienduizend Afrikanen aan malaria, aids of tbc.
Maar nederig erkennen dat niemand precies weet wat de mechanismen achter deze armoedeval zijn, dat is Sachs wezensvreemd, net als aandacht voor de ongewilde neveneffecten van goedbedoelde initiatieven tot hulp. Klachten over corruptie vindt Sachs overschat. Corruptie bestaat wel, maar ook met oneigenlijke, onwettige transacties kan een land groeien. Het Westen geeft volgens hem gewoon de verkeerde adviezen. «Wij vragen van de Afrikanen dat ze hun broekriem aanhalen. Wel, ik heb onlangs nog eens heel goed gekeken: Afrikanen hebben geen broekriem.»
Daarin heeft Sachs een punt. Toch is nog niet gezegd of zijn oplossing, hoewel moreel aantrekkelijker, meer soelaas biedt. Geloof is hier cruciaal. De lezer moet er in ruime hoeveelheid over beschikken om zich achter Sachs’ pleidooien te scharen. Hij moet immers geloven dat ook de allerarmsten zich, net als ieder ander mens, als rationele, naar het welbegrepen eigenbelang handelende wezens gedragen als zij ten minste op de eerste trede van de ladder worden gezet.
De gedachte is: als Afrikanen nu maar niet meer ziek zijn (miljoenen lijden aan malaria en aids), net genoeg eten voor zichzelf hebben om een klein beetje te kunnen sparen (en dus investeren) en in ieder geval een geringe mate van opleiding genieten, dan komt de economische groei vanzelf. Alle andere obstakels – waarvoor de critici van ontwikkelingshulp volgens Sachs momenteel te veel aandacht vragen – vallen dan op den duur weg, zelfs de grootste corruptie, of de diepste etnische haat.
Helaas levert de geschiedenis van de ontwikkelingshulp dat vertrouwen niet. Geschiedenis is sowieso niet erg aan Sachs besteed. Hij verzwijgt dat zijn plannen verdomd veel lijken op die uit de jaren vijftig en zestig. Ook probeert hij nooit te verklaren waarom de vorige 2300 miljard dollar aan ontwikkelingshulp de armen kennelijk niet de beoogde economische voorspoed heeft gebracht. Want na decennia van ontwikkelingshulp kan iedere leek de topeconoom Sachs in ieder geval op één punt nadrukkelijk tegenspreken: hoe urgent en van groot belang de problemen ook zijn, het is niet makkelijk om een wereldwijd einde aan armoede te maken.
Ook was het aardig geweest als Sachs op één van de bijna vierhonderd pagina’s gewag had gemaakt van het opvallende gegeven dat de recente economische groei in China en India werd bewerkstelligd zonder grote Big Bang-blauwdrukken van westerse economen. Of de groei van de Asian Tigers kort daarvoor. Langs een lange, pijnlijke weg van proberen, mislukken en slagen komen die landen met horten en stoten tot een hogere welvaart. En waardoor precies? Wellicht spelen in Azië culturele argumenten een rol, maar die gedachte is Sachs onwelgevallig. Hij ergert zich zelfs enorm aan de nadruk in de huidige ontwikkelingseconomie op culturele omstandigheden. Bij voortduring ontkent hij het sociale karakter van de economie. Het gaat hem om wet matigheden, overal geldend en altijd effectief. En het gaat hem om vindingrijke, technische oplossingen voor ogenschijnlijk hopeloze problemen. Zijn universalistische principes staan niet de vraag toe, om eens iets te noemen, naar de funeste werking van het primaat van de familie in, bijvoorbeeld, West-Afrika. Of naar de rol van religie als motor of rem op economische activiteiten, om de oude socioloog Weber er maar weer eens bij te halen.

X
Gek genoeg voert Sachs in zijn eerste hoofdstukken culturele omstandigheden wel aan als reden voor de enorme economische groei van West-Europa aan het begin van de negentiende eeuw. Die inconsistentie volgt op zijn bewering – populair in a-historische hoeken van de economische wetenschap – dat iedereen in de wereld rond 1820 even arm was. Voordien bestonden er geen noemenswaardige economische verschillen. In een voormalige koloniale macht als Nederland is die overtuiging moeilijk te verkopen. De Britse econoom Angus Maddison deed in Groningen onderzoek naar de historische ontwikkeling van rijkdom sinds het jaar 1000, meer dan achthonderd jaar voordat de geschiedenis van de economie volgens Sachs begint. Maddison komt daarin wel degelijk tot noemenswaardige verschillen tussen landen en mensen in die pre-economische tijd, recent in Growth and Interaction in the World Economy: The Roots of Modernity en eerder al in The World Economy: Historical Statistics.
In 1500 waren Nederland en Groot-Brittannië nagenoeg even rijk. Nederland telde bijna één miljoen inwoners en had een BNP van 723 miljoen zogenoemde «Geary-Khamis dollars», terwijl Groot-Brittannië met bijna vier miljoen inwoners een BNP bij elkaar verdiende van 2,8 miljard. In 1700 was Nederland daarentegen aanzienlijk rijker, met 1,9 miljoen inwoners en een BNP van vier miljard, terwijl Engeland met 8,6 miljoen inwoners niet verder kwam dan een BNP van tien miljard. In 1870 was het Verenigd Koninkrijk ingelopen met een nationaal inkomen van honderd miljard en een bevolking van 31,5 miljoen, tegen Nederlands 3,5 miljoen inwoners en een economie van tien miljard. De boeken van Maddison staan vol statistieken die de cijferfreaks een goed uurtje geven. Maar ook niet veel langer, want Maddison doet niet veel met die data.

XI
Dat is anders in Freakonomics: A Rogue Economist Explores the Hidden Side of Everything. In dit verrukkelijke boek laten de topeconoom Steven D. Levitt (University of Chicago) en de journalist Stephen J. Dubner (The New York Times) zien wat voor prachtig onderzoek er is te doen met ogenschijnlijk oninteressante data. Het boek geeft met dat onderzoek geloofwaardige antwoorden op interessante, maar zelden gestelde vragen. Om er een paar te noemen: wat is de relatie is tussen makelaars en de Ku Klux Klan? Beide gedijen slechts onder strikte geheimhouding van de dikwijls infantiele codes die ze gebruiken. Waarom wonen crack dealers nog altijd bij hun moeder? Handelen in crack is een «glamour job», het arbeidsaanbod is daardoor te groot om er iets noemenswaardigs mee te verdienen. Waardoor daalde halverwege de jaren negentig de criminaliteit in de VS dramatisch? Door de legalisering van abortus in 1973 – echt waar. Heeft het slaan van ouders een noemenswaardig effect op de sociaal-economische toekomst van hun kroost? Nee. Bestaat er een correlatie tussen maatschappelijk succes en het aantal keren dat kinderen in hun jeugd naar het museum zijn gesleept? Nee. Doet hun lichaamsgewicht er bij geboorte toe? Ja. De opleiding van hun ouders? Ja. En of hun ouders bij elkaar blijven? Nee.
Dit lijken geen typische vragen voor een econoom. Maar dat zijn ze wel als je, zoals Levitt en Dubner, de economische wetenschap opvat als in essentie de studie van prikkels. Hoe verkrijg je wat je wilt hebben? En vooral, hoe verkrijg je wat anderen ook willen hebben? En tot welke gewenste of ongewenste consequenties leidt je handelen daarbij? Als je de deur niet op slot draait, krijg je op je lazer van je echtgenote of wordt je televisie gestolen. Als de overheid de resultaten van leerlingen centraal stelt in de beoordeling van docenten, zullen die docenten vals spelen en hun leerlingen stiekem corrigeren en voorzeggen.
Toen een Amerikaanse crèche besloot iedere ouder drie dollars boete op te leggen voor te laat komen, steeg het aantal telaatkomers – die konden immers voor minder dan het gangbare uurtarief en nu ook zonder schuld gevoel hun kinderen op het dagverblijf laten. Pas toen de boete naar honderd dollar ging, daalde het aantal te laat komende ouders.
Levitt en Dubner scheppen een aanstekelijk genoegen in het kapotschieten van geldende overtuigingen. Je hoort ze grinniken als ze de vergelijking trekken tussen verkiezingscampagnes en kauwgom. In het verkiezingsjaar 2004 besteedden Amerikanen meer geld aan kauwgom dan aan politici, inclusief de twee geldverslindende presidentskandidaten.
Natuurlijk, dit soort vergelijkingen zijn dikwijls volstrekt zinledig, maar lang niet altijd. De prachtigste vondsten blijken voort te komen uit op het eerste gezicht onzinnig gecombineerde data. Neem de vergelijking tussen het aantal keizersneden en de groei van de bevolking. In gebieden waar het geboortecijfer stijgt, neemt het percentage keizersneden af. En andersom, bij een dalend aantal geboortes, neemt het aantal keizerssneden toe. Een onzinnige correlatie?
Nee, want het een heeft met het ander te maken. Doktoren calculeren er rationeel op los. In slappe tijden corrigeren ze zichzelf door vaker de diagnose te stellen dat een keizersnede onvermijdelijk is. Als het werk ze boven de pet groeit, bij «oververhitting van de markt», laten ze menig twijfelgeval passeren.
Kijk, dit zijn dingen waar je als lezer wat aan hebt. Zulke opmerkelijke, verrassende en vaak buitengewoon geestige verbanden en correlaties verklaren voor een deel de enorme verkoopcijfers van het boek van Levitt en Dubner, waar de andere hierboven besproken boeken – wellicht met uitzondering van Sachs’ End of Poverty – niet bij in de buurt komen.

Slot
Dat is terecht, hoewel de leek die inmiddels geïnteresseerd is geraakt in resultaten van macro-economisch onderzoek toch ook het moeilijkere boek van Helpman zou moeten aanschaffen. Sachs’ tromgeroffel kan daarna met een gerust hart worden ingeruild voor de scherpe analyses van Mallaby, terwijl Gersemann en Rifkin het de lezer zo gemakkelijk maken dat die zich wantrouwig tot Lewis en Baily & Kirkegaard zal moeten wenden.
Mochten de genuanceerde en soms wat taaie diagnoses dan gaan tegenstaan – en leiden tot heimwee naar de oude woede jegens de grootimperialist «corporation America» – dan kunnen Perkins en Rifkin altijd uitkomst bieden. Weet dan wel: zij leggen het als economen ver af bij Krugman, wiens soms overtrokken woede jegens George Bush tenminste nog grond probeert te vinden in een solide economische theorie.

_______________________

Paul Krugman
The Great Unraveling: Losing Our Way in the New Century W.W. Norton & Company (2004), 462 blz., e 13,95

Jeremy Rifkin
The European Dream: How Europe’s Vision of the Future Is Quietly Eclipsing the American Dream
Polity Press (2005), 435 blz., e 22,35

Olaf Gersemann
Cowboy Capitalism: European Myths, American Reality
Cato Institute (2004), 320 blz., e 13,50

Martin Neal Baily
& Jacob Funk
Kirkegaard
Transforming the European Economy
Institute for International Economics (2004), 340 blz.,
e 29,90

Elhanan Helpman
The Mystery of Economic Growth
Belknap Press (2004), 224 blz.,
e 24,50

William Lewis
The Power of Productivity: Wealth, Poverty and the Threat to Global Instability
University of Chicago Press (2004), 339 blz., e 26,50

John Perkins
The Confessions of an Economic Hit Man
Berrett-Koehler (2004), 250 blz.,
e 22,95

Sebastian Mallaby
The World’s Banker
Yale University Press (2004), 462 blz.,
e 33,50

Jeffrey Sachs
End of Poverty
Penguin (2005),
396 blz., e 14,50

Angus Maddison
Growth and Inter action in the World Economy: The Roots of Modernity
American Enterprise Institute Press (2005), 100 blz.,
e 14,50

Angus Maddison
The World Economy: Historical Statistics
OECD (2003), 273 blz., e 25,50

Steven D. Levitt & Stephen J. Dubner
Freakonomics: A Rogue Economist Explores the Hidden Side of Everything
HarperCollins (2005), 242 blz.,
e 23,90