De kamelenmarkt van arafat

Arafat kan er maar niet aan wennen, maar toch is het zo ver: verkiezingsstrijd op de Westelijke Jordaanoever. Hamas en ander radicale groepen willen een boycot, maar ex-vliegtuigkapers zinnen op een derde, democratische weg
IN KHAN YOUNIS, met 120.000 inwoners de tweede stad van de Gaza-strook, werden enkele weken geleden voorverkiezingen gehouden om de Fatah-lijst van het kiesdistrict te bepalen. Op 20 januari worden de eerste nationale verkiezingen gehouden voor de Palestijnse Wetgevende Raad. De twee belangrijkste kandidaten en Arafat- getrouwen, de econoom Nabil Sha'ath en de arts Zakaria Al-Agha, die in de Palestijnse Autoriteit respectievelijk minister van Planning en Internationale Samenwerking en minister van Huisvesting en Publieke Werken zijn, werden niet gekozen. Op de kandidatenlijst werden naast lokale Fatah- notabelen voornamelijk populaire intifada- activisten gekozen. Niet van zins deze blamage te aanvaarden, gaf Arafat opdracht de meeste namen op de kieslijst te schrappen en te vervangen door die van betrouwbare aanhangers.

De ingreep is typerend voor de autocratische bestuursstijl van Arafat. Hij beschouwt het verkiezingsproces als een ‘kamelenmarkt’, waar veel wordt gepraat, maar pas aan het eind van de dag met handjeklap echt zaken worden gedaan. Nabil Sha'at, het boegbeeld van het Palestijns bestuur in de autonome gebieden, en Zakaria Al- Agha hebben zich nu als onafhankelijke kandidaten in Khan Younis verkiesbaar gesteld.
'Arafat moet nog leren van een leider van een Palestijnse guerrillabeweging via de PA uit te groeien tot president van een toekomstige Palestijnse staat’, zo luidt de veel gehoorde kritiek. Het uiterlijk vertoon, de arrogantie, het nepotisme en de willekeur hebben een kloof geschapen tussen de Palestijnen 'van binnen’ en 'van buiten’. Onder verwijzing naar het PLO-hoofdkwartier in Tunis spreken de Palestijnen in de Bezette Gebieden vaak verachtelijk over 'die Tunesiers’, die met hun spiksplinternieuwe BMW’s en Mercedessen en hun hoge salarissen scheve ogen wekken. In de Fatah-gelederen is zoveel onenigheid en onvrede over de ondemocratische gang van zaken ontstaan, dat sommige Fatah-aanhangers hebben besloten eigen lijsten te vormen. Het centraal comite van Fatah heeft daarop alle Fatah-leden 'opgeroepen’ die als onafhankelijke kandidaten aan de verkiezingen willen deelnemen, hun kandidatuur in te trekken. Bij overtreding zijn disciplinaire maatregelen in het vooruitzicht gesteld. Deze oekaze van Arafat stelt menig Fatah-politicus voor problemen, want een groot aantal van de 550 onafhankelijke kandidaten is Fatah-lid of aanhanger.
'IK HEB MET Nabil te doen’, zegt dr. Haider Abdel Shafi, de leider van de Palestijnse delegatie bij de vredesonderhandelingen met Israel in Washington. 'Nabil heeft de mensen van alles beloofd, maar was daarbij niet erg nauwkeurig. De mensen waren erg sceptisch en kritisch.’
In een luxueus hotel in de Jordaanse hoofdstad Amman neemt de 77-jarige grand old man van de Palestijnse politiek alle tijd de verkiezingsstemming aan het thuisfront in Gaza te analyseren. Abdel Shafi heeft de oppositionele krachten gebundeld in de door hem opgerichte Beweging voor de Opbouw van Democratie in de Palestijnse Maatschappij. Hij heeft Palestijnse politici van uiteenlopende richtingen aangemoedigd gezamenlijk als 'coalitie van nationalistische democraten’ de verkiezingen in te gaan voor de zevenentachtig leden tellende Palestijnse Raad. De kandidatenlijst van deze coalitie telt zo'n zestig namen van Palestijnen, die volgens Abdel Shafi zijn uitgekozen op grond van hun persoonlijke verdiensten, karakter en nationale geloofwaardigheid. De kandidaten van de fundamentalistische Hamas-beweging hebben het laten afweten; op de coalitielijst zijn zowel aanhangers te vinden van Fatah als van de PFLP, het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, dat officieel ook niet aan de verkiezingen deelneemt.
Het politieke programma van de Nationaal Democratische Coalitie is opzettelijk vaag gehouden om de verschillende politieke stromingen onder een noemer te kunnen brengen. Naast politieke zaken en sociaal- economische problemen wordt de nadruk gelegd op de rol van de te kiezen Palestijnse Raad. Tal van zaken die de Palestijnen nog moeten ontberen onder het paramilitaire bewind van de Palestijnse Autoriteit van Arafat zouden na de verkiezing van de Raad, en van een president, beter geregeld moeten worden. De Raad zou een impuls aan de Palestijnse democratie moeten geven, pluralisme moeten bevorderen, voor een scheiding van de uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende machten moeten zorgen, en de mensenrechten moeten garanderen.
Abdel Shafi zit boordevol kritiek op de gang van zaken bij het verkiezingsproces. 'Slecht georganiseerd, er zijn tal van schendingen van de verkiezingswet. Het is een bende.’ Zo stelde Arafat, met zijn bekende vertraginstactiek, het officiele begin van de verkiezingscampagne - die op Fatah-dag, 1 januari, van start had moeten gaan - uit, terwijl Fatah-kandidaten met steun van de Autoriteit via radio, tv en pers al volop campagne konden voeren.
Ook over de verdeling van de zendtijd voor de ruim zevenhonderd kandidaten is twee weken voor de verkiezingen nog niets bekend. De illegale benoeming van Arafat- getrouwen in de centrale verkiezingscommissie werd pas eind vorige maand bekend gemaakt, nadat deze politieke commissie aan het hooggerechtshof in Gaza was voorgelegd. Tot een gerechtelijke uitspraak is het tot nu toe nog niet gekomen.
Haast tegen beter weten in heeft Abdel Shafi zich in Gaza-stad, met tien zetels en meer dan honderdduizend stemgerechtigden het grootste kiesdistrict, kandidaat gesteld voor de Raad. In Gaza heeft men veel vertrouwen in hem: hij is eerlijk, niet corrupt, en in staat de Palestijnse Uitvoerende Raad te leiden. Toch stelt hij zich niet tegenover Arafat kandidaat voor het presidentschap. 'Ik ben bang om te winnen’, verklaart hij gekscherend. 'Nee, ik kan mijn energie beter aan de Raad geven, die de normen en waarden voor het democratisch proces moet vaststellen.’
Als leider van de nationaal-democratische oppositie staat hem hoe dan ook een zware taak te wachten. De vraag blijft natuurlijk of Arafat naar onafhankelijke Palestijnse politici als Abdel Shafi zal luisteren. 'Meneer Arafat is een dictator. Hij is de enige die besluiten neemt. Uit mijn veelvuldige gesprekken met hem is mij gebleken dat hij alleen op zijn eigen oordeel afgaat. Ik eis voortdurend dat Arafat de basis van de besluitvorming verbreedt en andere partijen erbij betrekt.’
Een duidelijk voorbeeld van Arafats stijl was toen hij tijdens de vredesonderhandelingen in Washington de adviezen van de Palestijnse delegatie in de wind sloeg. 'Arafat zal niet uit zichzelf veranderen. We zullen verkiezingen houden, dan komt er een Palestijnse Raad die Arafat aan banden zal leggen. We zullen een scheiding van machten eisen, zodat de voorzitter en de uitvoerende raad verantwoording aan de Raad moeten afleggen.’
DE ENIGE SERIEUZE tegenkandidaat van Arafat voor het presidentschap is de 73-jarige Samicha Kharif, die jarenlang werkzaam was in het maatschappelijk werk op de Westelijke Jordaanoever. 'Het is mijn overtuiging dat met de Oslo-akkoorden niet de minimale doeleinden voor ons volk werden bereikt om in vrijheid en in onafhankelijkheid te leven’, zegt ze.
Kharif maakt nauwelijks kans, maar zal wel veel proteststemmen trekken. De Palestijnse kiezers zien met lede ogen aan hoe het Israelische leger nog vierhonderd Palestijnse dorpen op de Westelijke Jordaanoever in zijn greep houdt, hoe zo'n vijfduizend Palestijnen nog altijd gevangen zitten, en hoe Arafat zich er bij voorbaat van heeft verzekerd dat hij ook na 20 januari de touwtjes in handen blijft houden. Niettemin wil de overgrote meerderheid dat deze eerste nationale verkiezingen gewoon doorgang vinden. De boycot door de fundamentalistische en radicale organisaties zien velen als een teken van zwakte van de oppositie. 'De mensen zijn blij met hun betrekkelijke vrijheid. Hamas krijgt ze niet zo ver dat ze ervan afzien ’s avonds uit te gaan, buitenshuis te eten en naar het strand te gaan. De Palestijnen zijn het meest werelds van alle Arabieren. En de steun voor Hamas is tanende’, zegt de enige Groene- abonnee in de Gaza-strook.
DE CAMPAGNES worden luister bijgezet met verkiezingspamfletten, posters, spandoeken met nationalistische leuzen, een opblaaspop met de potsierlijke beeltenis van Arafat, en zelfs een parfum met het opschrift: I love PA.
De belangrijkste Palestijnse oppositiegroeperingen, de islamitische fundamentalisten van Hamas en de radicale nationalisten van het Volksfront en het Democratisch Front voor de Bevrijding van Palestina, PFLP en DFLP, hebben besloten deze verkiezingen te boycotten. Eind december voerden Hamas en Fatah in Cairo nog onderhandelingen over het verkiezingsproces; Hamas bleef bij haar weigering, maar beloofde de verkiezingen niet te verstoren en de kiezers niet openlijk tot een boycot op te roepen.
Met hun verkiezingsboycot lopen Hamas, het PFLP en DFLP het risico zich de komende jaren politiek buitenspel te zetten. Maar het komt de oppositiebewegingen waarschijnlijk ook wel uit om de krachtmeting via de stembus uit de weg te gaan. Na de bevrijding van de grote steden op de Westelijke Jordaanoever hebben Arafat en zijn Fatah-organisatie aan populariteit gewonnen; Hamas heeft vooral in de Gaza-strook een flinke achterban opgebouwd via hun activiteiten op sociaal, cultureel en medisch terrein. De aanhang van het PFLP en het DFLP, die hun bases vooral op de Westelijke Jordaanoever hebben, is de laatste jaren gestaag afgenomen. Hoewel ze als organisatie buiten spel blijven, hebben zowel Hamas als PFLP en DFLP een aantal leden toestemming gegeven als onafhankelijke kandidaten aan de verkiezingen deel te nemen, zodat fundamentalistische en radicale stemmen in de Raad toch gehoord zullen worden.
Een uitzonderlijke verschijning aan het Palestijnse verkiezingsfront is Rauia Shawa. Ze heeft letterkunde en politieke wetenschappen gestudeerd in Cairo en Beiroet, ze is de lokale Opel-dealer en tevens eigenaar van een boetiek en een handelsonderneming. Shawa, moeder van vier dochters, is actief in vele maatschappelijke en culturele organisaties en schrijft wekelijks een veel gelezen rubriek 'Het begin van het gesprek’ met pittige kritiek op de Palestijnse Autoriteit in El Quds, het grootste Palestijnse dagblad. Maar bovenal is de 56-jarige Rauia Shawa de vertegenwoordigster van de vijftienhonderd leden tellende Shawa- clan, die in Gaza van oudsher een belangrijk deel van het politieke en economische leven bestiert. Haar vader was onder Egyptisch en Israelisch bestuur jarenlang de machtigste burgemeester van Gaza, een functie die nu - op verzoek van Yasser Arafat - door haar echtgenoot Aoun Shawa wordt vervuld. Haar oudste broer en ambitieuze troonpretendent, Mansour Shawa, die ooit te kennen had gegeven voor een veel hoger ambt dan het burgemeesterschap van Gaza te zijn voorbestemd, moet inmiddels een toontje lager zingen. Na grote gokschulden, het faillissement van zijn zakenimperium, de zelfmoord van zijn zeventienjarige dochter, de verkoop van zijn riante villa, en de val van een trap die hij met twee gebroken benen moest bekopen, zit Mansour zowel politiek, zakelijk, fysiek als prive volledig aan de grond.
Zijn zuster Rauia voert daarentegen in de voetsporen van haar charismatische vader een heel persoonlijke verkiezingscampagne. Ze presenteert zich nadrukkelijk als een onafhankelijke kandidaat, met een Palestijnse staat naar westers model voor ogen.
In een sober vertrek boven de Opel- showroom in Gaza bespreekt ze met een paar medewerkers haar campagnestrategie. In de Palestijnse samenleving is persoonlijk contact van doorslaggevend belang. Naar de schamele uitzendingen van de Arafat- getrouwe Palestijnse tv wordt nauwelijks gekeken, en ook de radio is in handen van de Autoriteit. De Palestijnse kranten worden te slecht gelezen om in de campagne een rol van betekenis te kunnen spelen. Rauia Shawa moet dus de straat op om haar denkbeelden op markten en pleinen, bij verenigingen en op huisbezoek te verkondigen.
Tot haar prioriteiten behoren de verwezenlijking van het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen en het Palestijnse recht op zelfbeschikking, evenals de oprichting van een onafhankelijke Palestijnse staat met Jeruzalem als hoofdstad. Naast de versterking van de eenheid van het Palestijnse volk in Palestina en in de diaspora roept ze met het juiste gevoel voor verkiezingsretoriek op om strijd te voeren tegen de Israelische kolonisaties en de plannen om Jeruzalem te judaiseren. In haar met fikse kritiek op Arafat vervlochten verkiezingsprogramma keert ze zich tegen de verkwanseling van Palestijnse hulpbronnen en van het nationale kapitaal, die moeten worden gebruikt voor de bouw van fabrieken en de schepping van werkgelegenheid. In een andere paragraaf werpt ze zich op voor de verdediging van de mensenrechten.
EEN PALESTIJNSE politicus die de verkiezingsstrijd noodgedwongen vanaf de zijlijn met meer dan gewone belangstelling volgt, is Bassam Abu Sharif. Deze voormalige terroristenleider en woordvoerder van de PFLP was in 1970 verantwoordelijk voor de kaping van drie passagierstoestellen naar Jordanie. Dat moest hij in 1972 bekopen met een boekbom van de Mossad, de Israelische geheime dienst: het ding ontplofte in zijn handen en kostte hem een oog, een duim en enkele vingers. Als topadviseur van Arafat zette hij zich in de jaren tachtig in voor een Palestijns-Israelische vrede in het kader van een tweestatenoplossing, maar na de ondertekening van de Oslo-akkoorden was zijn rol uitgespeeld. Als internationaal handelaar in wapens en andere zaken bereidt Abu Sharif zich nu in Amman voor op een politieke toekomst.
In zijn kantoor in een chique wijk van de Jordaanse hoofdstad vertelt hij opgewekt over zijn plannen, nadat hij drie dagen eerder van de Israelische regering toestemming had gekregen naar Palestina terug te keren. Eind januari zal hij zijn ballingschap opgeven en Arafat bezoeken.
'Arafat zal mij verwelkomen, omhelzen en op beide wangen kussen. Politiek is iets anders. Hij leidt de Palestijnse Autoriteit nog steeds alsof hij de PLO leidt. Arafat moet nu leiding geven aan het Palestijnse volk en de Palestijnse instellingen. Hij moet rekening en verantwoording afleggen en opening van zaken geven.’
Nee, hij is niet van zins een of andere functie bij de Autoriteit te aanvaarden. 'Ik kan niet betrokken zijn bij door mafiosi geleide mensen. Ik heb dertig jaar lang gevochten. Ik ben een Palestijnse held met onderscheidingen, en zal me dan niet met het elektriciteitsnet of het waterleidingbedrijf gaan belasten. Als Arafat niet naar mij wil luisteren, zal ik mij in Ramallah vestigen en een nieuwe politieke partij oprichten. Als een derde keuze tussen Fatah en Hamas. Arafat moet veranderen van een revolutionair in een staatsman. En als Arafat niet verandert, dan zal ik mijn democratische weg bewandelen’, zegt Abu Sharif breeduit lachend.
Hij kan geen namen noemen, maar beweert dat zijn politieke geestverwanten zich al voor de komende verkiezingen kandidaat hebben gesteld, zodat hij ook in de Palestijnse Raad over een spreekbuis kan beschikken.
Een van zijn geestverwanten is de bekende Palestijnse psychiater Dr. Eyad Saraj, in Gaza bestuurslid van een Palestijnse organisatie voor burgerrechten en onafhankelijk kandidaat bij de verkiezingen. Saraj heeft sinds de komst van Arafat al vierhonderd klachtenbrieven aan de Palestijnse Autoriteit gestuurd. Een Palestijnse veiligheidsdienst pakte hem op, om hem tien uur lang over zijn kennelijk irritatie opwekkende brieven en z'n politieke activiteiten te ondervragen.