Hoe Sarkozy zichzelf verloochende

De kameleon

Ségolène Royal nam contactlenzen en onderging een gebitscorrectie. Nicolas Sarkozy ging veel verder dan dat. Zijn make-over was totaal én politiek.

PARIJS – Zelfs het decor is in de afgelopen maanden onderworpen aan de totale transformatie die Nicolas Sarkozy onderging. Het mythische plattelandstafereel met daarvoor het portret van de leider veranderde in het enkele woord ‘Ensemble’. De laatste week van de campagne was er zelfs alleen nog de Franse vlag. Sarkozy’s make-over van liberaal naar sociaal-gaullist was toen al maanden afgerond. Niemand in het Parijse theater die ervan opkeek toen hij zich daar na de overwinning in de eerste ronde van 22 april richtte tot de zwakkeren en uitgestotenen. Niemand ook die het zijne dacht van het gedweep met een République fraternelle en de verkettering van ondermijnend groepsdenken. En niemand die twijfelde aan zijn patriottisme toen hij riep dat hij zijn landgenoten wilde voorgaan in een nieuwe Franse Droom. Er zijn uiteenlopende redenen aan te dragen voor de overwinning van Sarkozy afgelopen zondag. Zijn tomeloze verlangen president te worden in de eerste plaats. Zijn redenaarstalent. Of zijn dossierkennis en de precisie waarmee hij zijn ideeën formuleert. En de ideologische herschikking van rechts waardoor hij zowel extreem rechts als het centrum wist aan te spreken. Of de verdeeldheid bij de Parti Socialiste, die zich maar niet tot een eigentijdse sociaal-democratische partij weet om te vormen. Maar waar zou Sarkozy geweest zijn zonder Henri Guaino? Als speechschrijver stond deze gefnuikte topambtenaar aan de basis van een gewaagde make-over. En daarbij ging hij verder dan de gebitscorrectie die Royal vorig jaar liet uitvoeren.

Ooit was er namelijk een heel andere Nicolas Sarkozy. Zo was er een tijd dat hij vooral bekend stond om zijn vriendschappen met de machtigen van Frankrijk. Ook gold Sarkozy als liberaal. Niet als een laissez-faire-_fetisjist, maar toch zeker als pleitbezorger van een breuk met eeuwen van staatsinterventionisme. Maar liberalen worden in Frankrijk niet alleen bij links gewantrouwd. Chirac noemde het liberalisme onlangs nog een ‘perversiteit van het menselijk denken’. Het wil zoveel zeggen als een hobbesiaanse jungle waar de sterksten de zwaksten genadeloos uitbuiten. Met zijn dikke adresboek liet Sarkozy er geen misverstand over bestaan tot welke groep hij hoorde: niet tot de zwaksten. Als minister van Binnenlandse Zaken zat hij bovendien veel minder strak vastgesnoerd in het korset van republikeinse waarden waar hij de afgelopen tijd juist weer zo hoog van opgaf. Tegen het principe der _laïcité pleitte hij voor overheidsfinanciering van moskeeën, voor positieve discriminatie én voor het opnemen van data over de etnisch-religieuze achtergrond van delinquenten in politiedossiers. Sarkozy vloekte stevig in de republikeinse tempel. Hij kreeg de reputatie een communautariste (groepsdenker) te zijn en dus een ondermijner van het republikeinse gelijkheidsideaal. Verder stond hij bekend als een Amerikanenvriend. Toen Dominique de Villepin in 2003 in de Veiligheidsraad tekeerging tegen de voorgenomen invasie van Irak hield Sarkozy zich opvallend stil. Een jaar later reisde hij zelfs naar New York om daar hoog op te geven van de Amerikaanse film en popmuziek. In bijna foutloos Engels. Geen pré in een land dat zich altijd verzette tegen de culturele hegemonie van de VS.

Natuurlijk, ook in Frankrijk vind je liberalen en atlantici. Het probleem van Sarkozy was echter dat hij president wilde worden. Zijn hele leven stelde hij in dienst van die droom. Zoals toen hij op 28-jarige leeftijd de machtige partijbaron Charles Pasqua uitschakelde in de strijd om het burgermeesterschap van de miljonairsgemeente Neuilly-sur-Seine. Sarkozy heeft killerinstinct.

Begin 2006 lijft Sarkozy Henri Guaino als tekstschrijver in bij zijn campagneteam. Die keuze wekt onmiddellijk argwaan in zijn entourage. De econoom Guaino staat niet bekend om zijn liberale sympathieën. Hij maakte in de jaren tachtig carrière bij het ministerie van Financiën en nog altijd geven zijn lijzige stem en onberispelijke maatpakken hem het voorkomen van de haut fonctionnaire die hij ooit was. Zijn sociaal-gaullisme drijft hem begin jaren negentig naar het kamp van Jacques Chirac. Hij voorziet diens kwakkelende campagne zelfs van een beslissende impuls met het advies campagne te voeren rond het thema van de ‘sociale tweedeling’. Guaino wordt beloond met het directeurschap van het Centraal Planbureau, maar als de beloofde hervormingen uitblijven distantieert hij zich van zijn oude meester.

‘Chirac gelooft niet meer dat de politiek de wereld kan veranderen’, zei hij onlangs in een interview. In die zin draagt Guaino’s overstap ook een element van wraak in zich. Want wat je ook van Sarkozy kunt zeggen, niet dat hij de zaken op zijn beloop laat. ‘Luister Nicolas’, zegt hij begin 2006, ‘als jij je voordoet als liberaal, communautariste en atlanticus, dan word je niet gekozen als president van de Republiek. Punt.’ Guaino houdt hem voor hoeveel de Fransen verwachten van de staat. Hij wijst zijn nieuwe baas op de nationale obsessie met eenheid en zegt dat de republikeinse waarden de sleutel tot de overwinning zijn. Ook zegt hij dat het bij presidentsverkiezingen zaak is het land te incarneren. Politieke transcendentie, daar gaat het om: ‘Naar de oppervlakte brengen van het diepste wezen van de natie.’

De metamorfose voltrekt zich stap voor stap. Op een partijbijeenkomst in de Zuid-Franse stad Agen heeft Sarkozy het over de patrons voyous – de schurkerige bazen die hun fabrieken ‘als dieven in de nacht’ naar Oost-Europa en Azië verplaatsen. En met ongekende felheid veroordeelt hij ‘uitwassen van het kapitalisme’ zoals de praktijk van gouden handdrukken. In Douai wil hij voor alles een ‘rechtvaardiger Frankrijk’; hij zegt dat ingrijpende hervormingen noodzakelijk zijn, maar ook dat de staat daarbij een cruciale rol moet spelen. In Perigueux strooit hij met ‘afdwingbare rechten’ op wonen en kinderopvang. In Charleville-Mezières maakt hij zich tot spreekbuis van ‘iedereen om wie de Republiek zich niet langer meer bekommert’ en fulmineert hij tegen de ‘religie van de vrijhandel’.

In de Franse pers verbazen economen zich over de ingeslagen koers. ‘Een jaar geleden zag ik nog een zekere coherentie in Sarkozy’s programma’, verklaart Christian Saint-Etienne, lid van het Conseil d’analyse économique in het dagblad Le Monde. ‘Nu begrijp ik er niets meer van: wil hij minder overheid? Of juist meer?’

Ook intern klinkt gemopper. ‘Pas op voor Guaino!’ zegt een medewerker tegenover journalisten. ‘Voor hem is de campagne één lange egotrip.’ Wanneer Guaino een toespraak over globalisering rondstuurt schrappen medewerkers de meest étatistische passages. Guaino dreigt met ontslag en krijgt alsnog zijn zin. Emmanuelle Mignon, de liberale directrice van het wetenschappelijke bureau van de ump, verdwijnt een paar maanden later geruisloos uit het campagneteam. ‘Te programmatisch’, luidt het oordeel. Vanaf dat moment heeft alleen Sarkozy zelf nog inzage in de teksten die Guaino aanlevert.

Met de metamorfose van liberale kapitalistenvriend naar compassionele étatist op koers schakelt Guaino door naar de volgende fase van de transformatie: Sarkozy neerzetten als een onberispelijke republikein. In Perigueux nam hij daar al een voorschot op. Sarkozy spreekt er over de rechts republikeinse waarden als gezin, autoriteit, werk en respect. Een reeks helden van de Republiek trekt voorbij: Mirabeau, Hugo, De Gaulle. Sarkozy is niet langer de man van een clan of een deelbelang. ‘Waar komt de verleiding tot groepsdenken toch vandaan die zich zo verzet tegen het idee van de natie dat ik koester?’ vraagt hij zich af in Nîmes.

Weggepoetst wordt ook de Sarkozy van de Amerikaanse films en popmuziek. Daaraan heeft Guaino nog een hele kluif. Zeker als zijn meester in september naar Washington reist om George Bush een hand te geven. Maar de speech van 14 januari 2007 maakt veel goed. Sarkozy, die zojuist officieel kandidaat namens de ump is geworden, glorieert die dag voor zeventigduizend mensen in Parijs met een liefdesverklaring aan Frankrijk waarvoor Guaino alle registers van zijn lyriek heeft aangesproken. Het Frankrijk dat Sarkozy zegt te willen leiden is het Frankrijk van alle Fransen: dat van Pascal én Voltaire; van kathedralen én Encyclopedie; van Ancien Régime én Revolutie. Filosofen, schrijvers, politici – de hele geschiedenis wordt ingelijfd. Inclusief Jean-Jaurès en Léon Blum. Maakte Sarkozy zich eerst meester van de Republiek, nu berooft hij de Parti Socialiste ook nog van haar eigen helden!

De speech bij Porte Versailles slaat aan. Kranten spreken de volgende dag van le Sacre de Sarko. Had Guaino het niet over politieke transcendentie gehad? Het incarneren van de natie? Zijn strategie begint vruchten af te werpen.

Maar Sarkozy heeft nog een heel ander probleem: zijn karakter. Zo lijkt hij er niet voor terug te deinzen zijn politieke macht te gebruiken voor persoonlijke doelen. Wanneer zijn vrouw in New York met een minnaar wordt gesignaleerd, laat hij haar volgen door de geheime dienst. Zijn competentie en zijn wilskracht trekt niemand in twijfel. Maar het is de agressieve stijl die zorgen baart. Bijvoorbeeld als Sarkozy het in de banlieue heeft over het ‘criminele uitschot’ dat hij wil verdelgen. Met een hogedrukspuit van Kärchner als het moet. ‘Is dit de man aan wie we het Franse kernarsenaal moeten toevertrouwen?’ vragen commentatoren zich af. Sarkozy wekt niet de indruk dat hij in staat is de verzoenende rol te spelen die de Fransen van hun president verwachten. ‘Ik ben veranderd’, spreekt Sarkozy op 14 januari vol pathos. Maar nog dezelfde dag blijkt uit een peiling dat 55 procent van de Fransen hem ‘verontrustend’ vindt.

Met nog vier maanden te gaan breekt daarmee de moeilijkste fase van zijn metamorfose aan. Sarkozy moet de harten van de Fransen zien te veroveren, maar zonder het imago van _law-and-order-_politicus te verliezen waaraan hij veel van zijn populariteit te danken heeft. Hier kunnen tekstschrijvers moeilijk helpen. Op televisie houdt Sarkozy zich vanaf nu zichtbaar in als hij wordt geprovoceerd, maar even zo makkelijk tuimelt hij weer van het koord. Zoals wanneer hij tegenover de filosoof Michel Onfray het Franse taboe op erfelijkheid doorbreekt met de suggestie dat pedofilie een genetische basis heeft.

En dat terwijl het Tout Sauf Sarko-_front (Alles Behalve Sarkozy) zich steeds luidruchtiger gaat manifesteren. In de kiosken zetten weekbladen als _Marianne en Charlie Hebdo de jacht in. Op een YouTube-_filmpje komt Edwy Plénel, oud-hoofdredacteur van _Le Monde, uitleggen dat Sarkozy een gevaar vormt voor de democratie.

Het wonderlijkste is eigenlijk dat ook de Parti Socialiste uiteindelijk bezwijkt voor de verleiding tot demoniseren. Misschien was het inderdaad niet altijd eenvoudig het eigen programma over te brengen, met een wazige Royal en een alom aanwezig Sarkozy, maar het is onbegrijpelijk dat Royal heeft toegestaan dat haar tegenstander voor Frankrijk zulke cruciale thema’s als de republiek en de natie heeft kunnen monopoliseren. Op de laatste officiële campagnedag noemde Royal hem nog ‘een gevaar’ en waarschuwde voor het risico van een burgeroorlog indien Sarkozy werd gekozen. Wat een verschil met de Zonnekoningin van een jaar geleden! Soeverein en gracieus debuteerde ze bij het grote publiek terwijl haar rivalen op links als onooglijke padden onder haar aanblik verschrompelden. Vreemd blijft het. Royal heeft van nature wat Sarkozy juist mist: het vermogen om boven haar eigen strijd uit te stijgen, het vermogen iets te incarneren dat groter is dan zijzelf, het vermogen tot politieke transcendentie.

Maar Sarkozy had Henri Guaino.