Hans Hillen:

De kamer is zelf schuldig

Twee visies op het onderzoek naar Betuwelijn en hsl

Het parlementair onderzoek naar de Betuwelijn en de Hoge Snelheidslijn (HSL) levert nu al een kijkje op achter de schermen van de Haagse besluitvorming. Voor degenen die nog denken dat aan dit soort grote projecten goed doordacht wordt begonnen, moet dat inzicht onthutsend zijn: verkeerde berekeningen, machtige lobby’s, het negeren van tegengeluiden en alternatieven, Tweede-Kamerleden die zich verschuilen achter papiermassa’s en vele vergaderingen, en het machtswoord van een minister-president. Het is niet voor het eerst.

Maar wat betekent dit voor de relatie tussen burgers en politici? Zal de kiezer zich nog verder afwenden van de politiek? En is dat tanende vertrouwen in «Den Haag» wel op te lossen met maatregelen zoals bijvoorbeeld het districtenstelsel? Twee mensen laten, onafhankelijk van elkaar, hun licht schijnen.

Hans Hillen is een man uit de praktijk. Twaalf jaar lang zat hij in de Tweede Kamer voor het CDA. Daarvoor was hij hoofd persvoorlichting op het ministerie van Financiën en politiek redacteur bij het NOS-Journaal. Tannelie Blom bekijkt de politiek met een wetenschappelijke blik. Sinds begin dit jaar is hij hoogleraar European Studies aan de Universiteit van Maastricht. Op 24 september houdt hij daar zijn inaugurale rede. Onderwerp is de theorievorming over multilevel governance.

Hans Hillen: «Dit soort onderzoeken door de Tweede Kamer zijn schadelijk voor de politiek. Het beeld bij de mensen thuis is: wat een zootje. Stel je voor dat Albert Heijn zichzelf openlijk zo ging onderzoeken? Zelfbeschuldiging werkt altijd beschadigend.

Het is ook alleen maar show. De Tweede Kamer is er in de besluitvorming rondom de Betuwelijn bij elke stap bij geweest, ze is gewoon medeverantwoordelijk. Wat in het onderzoek helemaal niet meer naar voren komt, is de economische situatie. Er was toen een crisis, deze projecten waren een soort werkverschaffing. Ze moesten laten zien dat er in Nederland nog wel degelijk gebouwd werd. Om die redenen heb ik destijds vóór gestemd. Ik had er een goed gevoel over. Nu gaat het alleen over cijfers, maar de essentie toen was een bredere. Ik geef ook niks om die cijfers. Het Centraal Planbureau kan zich suf rekenen, die cijfers blijken later toch nooit te kloppen.

Bovendien heeft de Tweede Kamer een deel van de meerkosten aan zichzelf te danken. In de tijd dat ik in de Kamer zat, is er twee keer een stemronde geweest van een halve middag over die Betuwelijn, zo lang was de stemmingslijst. Het ene kamerlid wilde een stationnetje hier, een ander een spoorboompje daar, alleen maar omdat hij zelf langs die Betuwelijn woonde of er een tante had wonen. Twee keer heb ik achteraf gezegd: ik schaam me rot.

Die Betuwelijn en dit onderzoek, ik vind het echt weer zo’n incidentendossier. Bij de presentatie van het eindrapport zullen de politici wel weer nederig hun excuses aanbieden, de schatjes. Maar daarom gaat het niet. Het probleem in dit geval is dat we in Nederland nooit een gezond en evenwichtig debat hebben gevoerd op het terrein van verkeer en vervoer. Dat heeft tot gevolg dat er telkens ideetjes opkomen die ook weer mislukken. Kijk maar naar minister Maij-Weggen met haar dure filebaan op de A1 en minister Netelenbos met haar plannen voor het rekeningrijden.

Waarom hebben we in Nederland nooit principieel gekozen voor een hoofdwegennet en daarnaast regionale wegen, zoals in Frankrijk? Waarbij dan, net als daar, de hoofdwegen door particuliere bedrijven zijn aangelegd en er tol mag worden geheven? Omdat als een minister dat voorstelt, hij tegengewerkt zal worden door zijn eigen ambtelijke dienst. Die wil geen private tolwegen, omdat ze die niet zelf mag beheren. Ook zullen steden als Gouda of Haarlem meteen gaan piepen als er op de hoofdweg geen afslag naar hun stad komt.

Nederland is een land van meningenuiters. In andere landen is de invloed van de burger bij verkiezingen misschien groter, omdat hij bijvoorbeeld voor allerlei functies mag stemmen. Maar in Nederland is de feitelijke invloed van de burger op het beleid juist heel groot. Een voorbeeld. Voor de gemeente Hilversum, waar ik woon, heb ik een advies geschreven over de aanleg van een weg. Ik had zelfs gedaan gekregen dat er geld voor zou komen van het ministerie. Binnenskamers was iedereen enthousiast. Maar wat gebeurt er? Toen ik het presenteerde, liet niemand horen dat hij voor het plan was. Alle politici gingen achter de schutting zitten wachten: hoe gaat de samenleving reageren? Mijn eigen partij, het CDA, zei: ‹We moeten eerst een afdelingsvergadering houden.› Daar komen dan drie grijze mannen en een ingedutte vrouw op af. We zijn nu een jaar verder en het hele plan is weg.

Nederland lijdt aan volstrekte besluiteloosheid. Na Fortuyn roept iedereen maar dat de politicus naar de kiezer toe moet en naar hem moet luisteren, maar dat moet helemaal niet. Het heeft er juist toe geleid dat politici bijna niks meer durven. Ze wachten met besluiten tot ze weten wie de zegevierende partij wordt en daar sluiten ze zich dan bij aan. Dat vind ik getuigen van gebrek aan leiderschap.

Er zit iets paradoxaals in. Maar ik ben ervan overtuigd dat de kiezer harder roept dat hij over besluiten wil meepraten naarmate er minder wordt besloten door de politiek. Democratie is volgens mij laten zien wat je wilt en dan hoor je wel hoe dat valt. De mensen willen bestuurd worden. Een groenteboer wil echt niet meepraten over een weg. Daar heeft hij geen tijd voor. Hij wil gewoon ’s morgens via die weg zijn verse groente en fruit op tijd in zijn winkel krijgen.

Natuurlijk moet een politicus de dialoog met de samenleving aangaan. Kijk nu naar de discussie over de prepensioenen en allerlei andere maatregelen in de sociale zekerheid en de zorg. Het kabinet gaat daar niet echt over in gesprek met de mensen. Het praat alleen met elkaar en met belangenbehartigers. Daarom wordt de kiezer steeds bozer en de gekozene op zijn beurt weer onzekerder. Het is een vicieuze cirkel. Dat probleem los je niet op met een nieuw kiesstelsel of een gekozen burgemeester. Dat is gefrutsel.»

Tannelie Blom: «Ik denk dat door dit onderzoek een serieus probleem in de vertrouwensrelatie tussen burger en politiek naar boven komt. In de eerste plaats is het vertrouwen in de effectiviteit en de efficiency van de overheid in het geding. Tussen die twee, effectiviteit en efficiency, bestaat altijd een spanningsveld. Maar nu is echt de vraag of doel en middelen wel goed tegen elkaar zijn afgewogen.

Daarnaast voedt dit onderzoek het verlies aan vertrouwen in het geïnstitutionaliseerde wantrouwen dat democratie toch feitelijk is. Meestal kan dat verlies aan vertrouwen wel worden opgelost door een gang naar de stembus of een gang naar de rechter, omdat het over één concreet geval of over één persoon gaat. Maar de laatste tijd, en nu weer, zie je het normale vertrouwen in het geïnstitutionaliseerde wantrouwen omslaan in écht wantrouwen.

Een project als de Betuwelijn is heel complex: dat gaat over vervoersstromen, over milieu, over infrastructuur. Daar komt veel deskundigheid en expertise bij kijken. De Tweede Kamer beschikt daar niet over. Dat is niet erg. Ze moet kunnen leunen op ambtenaren, deskundigen van universiteiten en bedrijven en belangengroepen. Maar je ziet steeds vaker gebeuren, en zeker bij de Betuwelijn, dat de beleidsvorming wordt gegijzeld door een klein clubje belanghebbenden.

Bovendien is hier sprake van wat ik noem expertocratie: een clubje experts heeft zich niet alleen gebogen over de middelen, maar heeft ook nog de noodzakelijke doelen en zelfs de enige uitweg uit het probleem geformuleerd. Dat haalt alle zuurstof uit de politiek. Politiek moet het juist hebben van de alternatieven.

De eerste oplossing voor het terugwinnen van het vertrouwen is dan ook: nooit accepteren dat er voor een probleem maar één enkele oplossing voorligt en je laten wijsmaken dat alle andere oplossingen tot calamiteiten leiden. De politiek moet altijd alternatieven eisen. Dat lijkt mij eigenlijk een fundamentele politieke wijsheid.

De relatieve ondeskundigheid van Tweede-Kamerleden kun je niet oplossen, nooit, daar is de maatschappij te ingewikkeld voor geworden. Maar de Kamer zou wel haar klassieke rol kunnen bijstellen door niet alleen het beleid te controleren maar ook de netwerken waar dat beleid wordt voorgekookt. Wie heeft er toegang toe? Krijgt een bepaalde groep te veel macht? In de Europese Unie bestaan codes voor lobbyisten. Dat zou in Nederland ook kunnen. Betrokkenheid van belangennetwerken is niet slecht, maar de overheid moet erop toezien dat niet een klein groepje er met de oplossing vandoor gaat. Dat is gevaarlijk en niet goed voor het vertrouwen in de politiek.

Bij de invoering van een districtenstelsel zie ik dat gevaar nog groter worden. De kans is groot dat je dan dilettanten in de Kamer krijgt. Zijn die in staat ingewikkelde belangennetwerken te controleren? Kijk wat er in Amsterdam in de deelraden gebeurt. Jan en alleman kan zich daar ineens politicus noemen, maar politiek bedrijven is een vak dat je moet leren. Een districtenstelsel wekt bovendien de suggestie dat ik mijn belang beter vertegenwoordigd zie in de Kamer. Maar een politicus moet zijn oren niet laten hangen naar mijn deelbelangetje, maar kijken naar het algemeen belang. Met een districtenstelsel geef je dus geen stem aan direct betrokkenen van een besluit, het vergroot juist niet wat, in de theorie, functionele democratie heet. Dat doe je wél door belangennetwerken bij een besluit te betrekken, maar die netwerken moet je dan als Tweede Kamer goed controleren. De Kamer zal zich daarbij moeten realiseren dat het nu de ambtenaren zijn die in de beginfase van het beleid de inbreng van derden regisseren.

Het zou ook goed zijn voor het vertrouwen in de politiek als de Tweede Kamer meer toeziet op de consistentie van het beleid. Dat is waarschijnlijk makkelijker dan inhoudelijk alles te willen weten over complexe vraagstukken. Dat laatste is voor de experts, maar het is de expliciete taak van de overheid om het geheel te overzien.

De huidige roep om politiek leiderschap kan een vlucht naar voren zijn. Het lijkt mooi, een groot leider, maar dat hoeft niet te leiden tot goed beleid. Het is ook naïef om te denken dat politiek leiderschap de tegenbeweging kan doorbreken. Want die tegenbeweging is er al, die begint bij de ambtenaren zelf. Die zijn veel deskundiger dan politici en bereiden beleid voor waarmee ze de regering confronteren, die op haar beurt de Kamer voor een voldongen feit zet, waarop belangengroepen invloed gaan uitoefenen op ambtenaren, enzovoorts. Voor het vertrouwen in de politiek is het daarom veel beter om als politicus een sterk regisseur te zijn.»