De kanker van egoïsme

Vroeger was alles beter. Politici waren nog integer, boeren, arbeiders en barbaren kenden hun plaats, en de eeuwige strijd tegen de natuur hield de mensen alert en bescheiden. Maar toen de welvaart steeg, gaf men zich allengs over aan twee tegengestelde kwaden: spilzucht en hebzucht. Op macht beluste politici kenden al gauw geen scrupules meer en sloegen uit pure inhaligheid munt uit de inhaligheid van het volk. Zo vestigde zich de kanker van egoïsme in de samenleving. Sindsdien is iedereen nog uitsluitend geïnteresseerd in macht, geld en seks.

Aldus de analyse van Gaius Sallustius Crispus (86-35 v. Chr.), en hij kon het weten. Als dertiger speelde hij een niet al te fraaie rol in het roerige politieke leven van Rome, totdat een seksschandaal hem tijdelijk in de marge drong: hij was zo onverstandig geweest de vrouw van een politieke rivaal te verleiden. Door Julius Caesar teruggehaald in de senaat verwierf hij, als dank voor zijn loyaliteit, een gouverneurschap in Noord-Afrika. Daar zoog hij de inheemse bevolking op een dermate schandalige wijze uit dat zelfs Caesar begreep dat Sallustius zo gauw mogelijk van het politieke toneel moest verdwijnen. Sallustius stortte een aanzienlijk bedrag op Caesars rekening, maar hield voldoende over om aan de rand van Rome een reusachtig landgoed te kunnen aanleggen. Daar wijdde hij zich de laatste negen jaar van zijn leven aan het schrijven van streng moralistisch proza.
Twee van Sallustius’ boeken zijn integraal bewaard gebleven en nu vertaald door Vincent Hunink, die ook werk van Cicero, Caesar en Apuleius toegankelijk maakte. De samenzwering van Catilina gaat over een ternauwernood verijdelde revolutie in 63 voor Christus, De oor log tegen Jugurtha behandelt een conflict van de Romeinse kolonisator met een Noord-Afrikaanse vazal, een halve eeuw eerder.
De voornaamste reden om Sallustius te lezen is niet het historisch belang van zijn verhalen. De oorlog tegen Jugurtha is binnen de Romeinse geschiedenis niet meer dan een irritant incident, en voor de samenzwering van Catilina kunnen we ook terecht bij de legendarische redevoeringen van Cicero. Sallustius wordt geroemd om zijn beknopte, bijna oubollig archaïserende stijl en om de psychologische scherpte van zijn politieke analysen. Nu is Sallustius’ stijl voor fijnproevers inderdaad om te watertanden, maar op dat briljante inzicht valt wel wat af te dingen.
Dat blijkt al in de inleidende hoofdstukken van Catilina. Sallustius begint met een pleidooi voor het genre dat hij beoefent: ‘het is fraai om het vaderland te dienen met daden, maar het is ook niet gering om dat met woorden te doen.’ Even later merkt hij echter op dat de Romeinen het in de wereld nooit zo ver hadden gebracht als zij zich, net als de Grieken, op de literatuur hadden toegelegd. Ze hadden daar ook geen tijd voor, want 'de verstandigsten hadden het ook het drukst en niemand oefende zijn geest zonder zijn lichaam. De allerbesten wilden liever dóen dan beschrijven, liever de eigen daden door anderen laten prijzen dan die van anderen navertellen.’ Dat lijkt me geen reclame voor geschiedschrijving.
Twijfelachtig is ook hoe Sallustius de verwording van de Romeinse samenleving ontleedt. 'De Republiek kwam dankzij inspanningen en rechtvaardigheid tot bloei.’ Die rechtvaardigheid blijkt uit de gewelddadige onderwerping van wilde stammen en volkeren. Toen al dat tuig geknecht, gedeporteerd of uitgeroeid was, bleven de Romeinen zitten met een overmaat aan geld en vrije tijd. 'Eerst kwam de zucht naar geld opzetten, daarna die naar macht, en dit was als het ware de voedingsbodem van alle kwaad. Want hebzucht ondergroef alle trouw, fatsoen en andere goede eigenschappen en leidde tot arrogantie, hardheid, verwaarlozing van de goden en het idee dat alles te koop is.’
Maar, beste Sallustius, als hebzucht en machtswellust pas ontstonden na de verovering van de halve wereld, wat waren dan de drijfveren voor die schaamteloze expansie? Ik zou daarover graag eens de mening van de Carthagers en de Eburonen horen, maar van die volkeren ontbreekt sinds het rechtvaardig optreden van Scipio Africanus Minor en Gaius Julius Caesar ieder spoor. Ook waar het karaktertekening betreft maakt Sallustius zijn reputatie niet waar. De voornaamste personages uit beide monografieën lijken als druppels water op elkaar omdat ze door dezelfde hartstochten worden gedreven. Het scherpst is Catilina getekend: 'Vanaf zijn jonge jaren putte hij alleen genoegen uit binnenlandse oorlog, moord, roof en conflicten tussen burgers, en daarmee hield hij zich zijn hele jeugd onledig. Fysiek kon hij goed tegen honger, kou en slaapgebrek, tot in het ongelooflijke toe. Mentaal deinsde hij nergens voor terug (…). Hij was altijd uit op andermans bezit, verspilde het zijne en was ongeremd in zijn passies; aan welsprekendheid ontbrak het hem niet, wel aan wijsheid.’
Wanneer zo'n man een samenzwering begint, rekruteert hij zijn medestanders niet onder de deugdzame adel: 'Want iedere hoerenloper, echtbreker of kroegganger die met eigen hand, maag of orgaan zijn erfdeel had verbrast, iedereen die een grote schuld had opgebouwd om een schandaal of vergrijp af te kopen, alsook alle mogelijke soorten wurgers, heiligschenners, gerechtelijk veroordeelden en misdadigers die hun straf vreesden, en daarbij nog allen die leefden van hun hand of tong dankzij meineed of moord op medeburgers en ten slotte iedereen die achtervolgd werd door schandalen, armoede of een slecht geweten - dát waren Catilina’s naasten en getrouwen.’
Of Sallustius hier overdrijft of niet, dit is natuurlijk proza om van te smullen. Interessant is de suggestie als zou Catilina’s rusteloosheid pathologisch geworden zijn nadat hij op instigatie van zijn vriendin zijn inmiddels volwassen zoon had gedood.
De diepe crisis waarin Catilina de Romeinse staat stort wordt met bijna sardonisch genoegen beschreven - de lezer kan zich nauwelijks aan de indruk onttrekken dat Sallustius grote bewondering voor de schurk koesterde. Ook de wijze waarop hij beschrijft hoe de Numidische vos Jugurtha de Romeinen keer op keer in de val lokt, doet vermoeden dat enige zelfhaat de auteur niet vreemd was. Toen Jugurtha na een diplomatieke missie Rome verliet, 'keek hij herhaaldelijk in stilte om en zei ten slotte: “Stad te koop, klaar voor de ondergang! Alleen nog een koper!”(’
Tijdens de lectuur werd ik voortdurend aan de actualiteit herinnerd. De inhaligheid onder hedendaagse Europese politici verschilt weinig van het gedrag van de Romeinse adel. Een merkwaardig incident tijdens de oorlog met Jugurtha is de instelling van een commissie die grootscheepse corruptie moet onderzoeken en die geleid wordt door Scaurus, die juist een van de ergste gluiperds is. En als Metellus er niet in slaagt Jugurtha te verslaan, besluit hij gewoon het hele land kapot te maken: wat er in Irak en Servië is aangericht kan kennelijk bogen op een eerbiedwaardige traditie.
Ook daarom is het van belang dat de sombere traktaten van Sallustius weer verkrijgbaar zijn.