De kans dat afrika ontspoort, groeit

Sinds vijf maanden verschijnt in Parijs een weekblad met de titel L'Autre Afrique, ‘Het Andere Afrika’. De makers zijn Franstalige, zich pan-Afrikaans noemende intellectuelen die oproepen tot een politieke en ideologische verbroedering van het hele continent. Ze leken het tij aanvankelijk mee te hebben: hun eerste nummer viel praktisch samen met de machtsovername van Laurent-Désiré Kabila in Zaïre.

De verdrijving van dictator Moboetoe, in combinatie met de recente val van het apartheidsregime in Zuid-Afrika, opende de weg naar een grootscheepse wederopbouw en verregaande democratisering van grote delen van Afrika - niet in opdracht van westerse interventiemachten en donoren, maar op eigen gezag en onder authentieke Afrikaanse leiding, belichaamd door mannen als Kabila, Mandela, president Yoweri Moeseveni van Oeganda en Paul Kagame, de vice-president en de facto leider van Rwanda. Het continent leek aan de vooravond te staan van een ‘wedergeboorte’, zoals de verzamelde staatshoofden een maand later op de Afrikaanse top in Harare vaststelden.
Afrika is inderdaad in korte tijd onherkenbaar veranderd. De politieke wind waait niet langer uit het noordwesten, dat wil zeggen uit relatief rijke landen als Nigeria en Ghana, maar uit het zuidoosten. De échte onafhankelijkheid van Afrika lijkt ten langen leste gestalte te krijgen in een brede strook van jonge of zich verjongende staten die zich uitstrekt van Ethiopië tot Zuid-Afrika. Al deze landen zijn openlijke of stilzwijgende bondgenoten van de Verenigde Staten, ze werken samen met de Wereldbank en het IMF en beschouwen de westerse vorm van democratie als achterhaald of niet van toepassing op hun samenlevingen. In wezen volgen ze het Aziatische 'succesmodel’ van exportgeleide groei en marktgerichte hervormingen onder een autoritair bewind.
Deze coalitie heeft bovendien de traditionele grens tussen de Franse en Angelsaksische invloedsgebieden uitgewist. Meer dan ooit tevoren regeert het primaat van de economie. De politieke en militaire strijd op het continent draait voortaan om de minerale grondstoffen. Voor de Afrikaanse leiders is dat een kwestie van overleven: de export van mineralen vervangt de export van landbouwproducten, waarvan de prijzen op de wereldmarkt de laatste twintig jaar gekelderd zijn. Voor de rijke landen worden grondstoffen als kobalt en uranium van steeds groter strategisch belang; ze zijn een onmisbaar bestanddeel van hoogwaardige producten in de vliegtuigbouw en communicatietechnologie. Landen die in de mondiale technologierace overeind willen blijven, zijn dus steeds afhankelijker van de opbrengst van de Afrikaanse mijnen. Dat Zuid-Afrika de rol van het 'geweten’ van Afrika heeft overgenomen van Nigeria heeft niet alleen politieke oorzaken; het weerspiegelt ook een reële machtsverschuiving van het 'olieland’ Nigeria naar het 'mijnbouwland’ Zuid-Afrika.
Maar zullen deze veranderingen resulteren in de verbroedering en democratisering waarop de Parijse pan-Afrikanen hopen? Het jongste hoofdartikel van L'Autre Afrique is uitgesproken pessimistisch: de aanstormende leiders van dit moment, Kabila, Moeseveni en Kagame, zouden niet de moed hebben om af te wijken van 'het systeem’ en afstand te doen van hun materiële belangen en de aloude politiek van tribale bevoordeling.
Bij nader inzien rust er een zware hypotheek op hun coalitie. De reeds eerder geuite verdenking van volkenmoord tegen Kabila en Kagame werd vorige week bevestigd door twee mensenrechtenorganisaties, Human Rights Watch en de Internationale Federatie van Mensenrechtenliga’s (FIDH). Het rapport Wat Kabila te verbergen heeft beschrijft het optreden van Kabila’s troepen en zijn Rwandese bondgenoten tegen Hutu-vluchtelingen en andere minderheden. Het stelt niet alleen dat tijdens en na Kabila’s opmars naar schatting tweehonderdduizend Hutu’s zijn afgeslacht, het schetst ook hoe en waarom deze moordpartij heeft kunnen plaatsvinden.
Uit het rapport komt Kabila naar voren als een stroman van Kagame en Moeseveni. Zijn geslaagde campagne tegen Moboetoe was grotendeels te danken aan de steun van Rwandese troepen en hun bondgenoten, de Rwandees sprekende Banyamulenge in Oost-Zaïre. Tijdens die campagne heeft Kagame zijn troepen zoveel mogelijk Hutu’s laten uitroeien om te voorkomen dat ze ooit nog een bedreiging konden vormen voor zijn Tutsi-bewind. Hij kreeg daarbij de diplomatieke en militaire steun van de Verenigde Staten; het rapport citeert Amerikaanse bronnen die beweren dat Kagames troepen werden opgeleid door Amerikaanse instructeurs. De nieuwe coalitie is misschien niet zo onafhankelijk als zij doet voorkomen en een wedergeboorte onder autoritaire heersers, belast door een volkenmoord met Amerikaanse steun, is een weinig aanlokkelijk perspectief. Kabila heeft, naar het voorbeeld van Moeseveni en Kagame, besloten om alle politieke partijen voor onbepaalde tijd te verbieden. Helaas, zo constateert L'Autre Afrique, heeft de autoritaire verleiding ook onder Afrikaanse intellectuelen toegeslagen. In het voetspoor van Kagame en Kabila verkondigen ze dat westerse vormen van democratie niet van toepassing zijn op Afrika omdat partijvorming en een vrije pers de etnische tegenstellingen aanwakkeren en nieuwe genocides uitlokken. Alleen een sterk leiderschap kan een einde maken aan de 'Afrikaanse ziekte’. Het is niet te hopen dat ontwikkelingshulpdonoren dit schijnbaar realistische standpunt gaan overnemen. Het verschijnsel genocide wordt door historici en sociale wetenschappers diepgaand onderzocht, en steeds komt één dwingende conclusie naar voren: volkenmoord wordt waarschijnlijker naarmate leiders over meer macht beschikken. Hoe meer oppositie, politieke diversiteit en persvrijheid zijn toegestaan, des te geringer is de kans op ontsporing. Juist in Oost- en Midden-Afrika - waar angst, etnische haat en wraakgevoelens momenteel vlak onder het oppervlak van het dagelijks leven liggen - blijft een beleid van democratisering en spreiding van de politieke macht dringend gewenst. Ngo’s en donoren moeten hierop blijven aandringen, desnoods tegen de wil van de nieuwe coalitie in.