De kat achterna

Indrukwekkend is de manier waarop de vorige week overleden Doeschka Meijsing in de bladen is herdacht. Lof was er vooral voor haar latere werk. Maar al vroeg wist Meijsing het tragisch levensbesef lichtvoetig neer te zetten.

Medium hh 03536200

Hella S. Haasse wist wat nieuwsgierige lezers graag willen lezen. Toen ze bij ons op de middelbare school, het St Michaël-College in Zaandam, te gast was op uitnodiging van onze culturele commissie, bestaande uit een paar leerlingen uit de hogere klassen, hingen we weliswaar vol ontzag aan haar lippen, maar viel haar ook de eerbied ten deel die iets licht beledigends heeft. Haasse’s werk was ‘altijd’ goed, en niet het allerspannendst voor ons zeventienjarigen die net Hoe ik mijn verjaardag vierde van Remco Campert hadden ontdekt, en de verhalen van J.M.A. Biesheuvel. Nadat ze had voorgelezen en onze vragen had beantwoord, zei ze met de collegialiteit die maar weinig schrijvers gegeven is: 'Weet je wat jullie eens zouden moeten lezen? Robinson van Doeschka Meijsing.’
Deze novelle was nog maar net verschenen, we schrijven 1976, twee jaar nadat Doeschka Meijsing op 27-jarige leeftijd was gedebuteerd met de verhalenbundel De hanen en andere verhalen. In vergelijking met die verhalen, binnen de kortste keren gerubriceerd onder de noemer 'academisme’ dankzij een coverstory van De Haagse Post, was Robinson een stuk nabijer. Het boekje ligt nu weer naast me, en het klinkt misschien hoogdravend, maar als ik het omslag zie, de combinatie van de strakke belettering en de eenvoudige afbeelding, lijkt het niet alleen een relict uit vervlogen tijden maar ook exemplarisch voor een tijdvak waarin literatuur nog een geheim leek te kunnen herbergen. Nu was Robinson ook met recht een geheimzinnig boek waarin alles en niks tegelijkertijd gebeurde. Het coming-of-age-verhaal van een zeventienjarige, zonder dat er echt iets bereikt of opgehelderd wordt. Aan het begin van de novelle treffen we de zeventienjarige Robinson ontheemd en alleen, net na de verhuizing naar de provinciestad aan zee. 'En plotseling was alles anders dan vroeger’, luidt de openingszin. Alles is nieuw, het huis, de school, de omgeving. Haar moeder, alom tegenwoordig met thee, vraagt iedere dag of ze al nieuwe vrienden heeft gemaakt. Terwijl Robinson vooral grote dromen koestert, ooit een ruimte vol mensen hoopt te betreden en dan feilloos in die menigte diegene hoopt te ontdekken die alle verdere ontmoetingen overbodig zal maken. Klasgenoot Daniël Bierwolf, onverschrokken en niet te handhaven, lijkt aanvankelijk een goeie kandidaat, tot er een derde im Bunde bij komt, lerares Duits Johanna Freida voor wie zowel Robinson als Daniël een grote fascinatie ontwikkelt.
Beiden hebben echter het nakijken als Robinsons vader, die zeeman is, weer eens voet aan wal zet. In luttele pagina’s, en zonder heel veel woorden, voltrekt zich een klein drama van terloops verraad. Inmiddels vind ik het ontroerend, zoals de schrijfster de typische gemoedstoestand van de adolescent neerzet, die zich beweegt tussen almacht en verlamming. Toen vond ik het vast alleen maar treffend of precies, een staaltje van benijdenswaardig schrijverschap. In het diepst van haar gedachten is Robinson een avonturier, haar naam waardig, maar in de praktijk verzet ze liever geen voet en wil ze alles bij het oude houden. Sterker nog: door niet te verroeren houdt ze alle mogelijkheden voor altijd open. De mooiste passage wat dat betreft is die waarin Robinson door haar vader wordt uitgenodigd aan boord van zijn boot te komen, waar zich ook Daniël en Johanna Freida bevinden.
'Robinson knikte maar bleef in dezelfde houding over het muurtje hangen. Ze voelde zich uiterst tevreden, ze had geen enkele behoefte om iets aan haar toestand te veranderen. Ze stond daar in de zon en in de wind, achter haar rug maakte men er een kraakhelder stadje van, aan haar voeten deinde het schip. Als ze zou bewegen, aan boord zou gaan, dan kon de tocht beginnen, de zee op al heette die dan IJsselmeer. Maar ze wilde helemaal niet dat de tocht begon. Ze wilde dit ogenblik vasthouden, op het punt om uit te varen, in de vaste overtuiging dát men uit zou varen, zonder er ooit werkelijk aan te beginnen. Je zult alles wat je op het land bedrukt en benauwt achter je laten, maar nóg sta je op dezelfde grond als je ouderlijk huis.’
Het is een passage die extra kleur krijgt in het licht van haar latere werk, waarin de thema’s loyaliteit en verraad, onbeweeglijkheid en verandering, almaar pregnanter uitdrukking kregen.
In de roman De kat achterna die een jaar ná Robinson verscheen, in 1977 dus, is opnieuw sprake van een intens verlangen naar vriendschap. Het verlangen ook iets teweeg te brengen bij een ander, iets wat met lachen te maken heeft, plezier. Na een verblijf in Canada, inclusief een mislukt huwelijk met een 'indiaan’, keert de ik-vertelster terug in Amsterdam. Een toevallige ontmoeting op straat met oude bekende Eefje zet een heel proces aan herinneren in gang. Net als deze Eefje was de ik-figuur ooit voorbestemd balletdanseres te worden, maar in tegenstelling tot háár ontbeerde ze talent en ambitie in die richting. Op de middelbare school kruisen hun wegen elkaar opnieuw. Behalve tot Eefje voelt de vertelster zich ook heel erg aangetrokken door haar hele entourage, haar ouderlijke apothekershuis, haar broer, diens vriend Menno. Zoveel jaar na dato wordt iets van de magie van toen geconsumeerd, middels een affaire van de ik-vertelster met Menno, maar het raadsel Eefje wordt niet opgelost. Op de laatste pagina’s van de roman zoekt de ik-vertelster haar eindelijk op, en vindt er een tamelijk obligaat gesprekje plaats. 'Wat is alles al lang geleden’, zegt Eefje dan. 'Het lijkt wel andermans leven.’
Het is niet moeilijk te achterhalen bij herlezing van De kat achterna waarom dit destijds voor mij een belangrijk boek was. Er spreekt een tragisch levensbesef uit dat onweerstaanbaar lichtvoetig wordt gebracht. Terwijl ik er tegelijkertijd ernstig rekening mee houd het boek nooit ten volle te hebben begrepen, wat natuurlijk deels ook de aantrekkingskracht was. Neem alleen al de titel, waar ik nu opnieuw op zit te staren. Ik beken: de hele Alice in Wonderland-manie is aan mij voorbij gegaan. Maar 'the Cheshire cat’ ken ik evengoed wel, de kat vermaard om zijn grijns en zijn verdwijnkracht, die op zeker moment in Alice’s gezichtsveld opdoemt. In De kat achterna heeft de ik-persoon het op een bepaald moment over de inwisselbaarheid van katten. De liefde voor katten hebben we te danken aan de liefde voor de kat in het algemeen, 'de eeuwige kat die onaanraakbaar is en grijzend verdwijnt als we hem menen te zien’. De kattenliefhebster tegen wie ze dat zegt, riposteert: 'Als men zo denkt als jij, dan bestaan alle mensen slechts als één mens, die we nooit te zien krijgen omdat hij niet bestaat zoals wij.’
Net als in Robinson legt de schrijfster een ongekende mengeling van ratio en emotie aan de dag, van alpha en beta zogezegd, die op een of andere manier een soort ontsnapping lijkt te bieden aan de gangbare patronen. Alles is even verschrikkelijk als futiel. Aan de ene kant zijn er die ongegeneerde wanhopige verzuchtingen van de verteller - 'Ik wil niet weg uit mijn verleden, ik wil aanwezig zijn, vriendelijk, warm, zonder angst’ -, aan de andere kant is er die onverschrokkenheid - 'Ik kon daden stellen. Ik kon ingrijpen. Ik bestond.’ En de derde weg is de grote verdwijntruc: de kat achterna.
Ook verhaaltechnisch gezien heeft De kat achterna de dubbelzinnigheid omarmd: aan de ene kant heel strikt ingedeeld in drie delen, conform de verschillende tijdzones van waaruit wordt verteld, aan de andere kant worden binnen de verhalen weer andere verhalen opgedist, en is het eindresultaat veel barokker dan de belangrijkste verhaallijn suggereert.
Dit klinkt wat abstract, en dus zal ik het toelichten. Het tweede deel - 'Wit’ genaamd - is de weergave van een periode die de vertelster in het ziekenhuis doorbrengt nadat ze een ongeluk heeft gehad en een ernstige hersenschudding heeft opgelopen. Ze ligt weerloos in een ziekenhuisbed en bedenkt ondertussen dat ze het beste maar verhalen zou kunnen vertellen. En dus krijgen we achtereenvolgens de verhalen opgedist die ze aan haar vader, haar moeder en haar uitgever vertelt. Om even een indruk te geven, het verhaal dat ze aan haar moeder vertelt begint zo: 'Op 17 februari in het jaar 1600 werd het vuur op de Campo dei Fiori aangestoken onder de voeten van Giordano Bruno, ook genaamd Filippo.’ Zo'n achttien pagina’s lang buitelen de verhaallijnen over elkaar. Met realisme of geloofwaardigheid hebben die intermezzi niks te maken, wel met weerbarstigheid, brutaliteit, verbeeldingskracht en het willen tarten van wetten. Voor de zekerheid heb ik opgezocht wat de critici destijds vonden van deze passages, omdat ik zomaar dacht dat men toen meer begrip had voor buitenissigheden. Maar nee, de critici maakten er niet zoveel van, en vroegen zich af wat de verhalen te betekenen hadden. Alhoewel: één criticus vond het een verademing dat het 'toch wel benauwende egocentrische zelfonderzoek van de verteller’ eindelijk eens verruimd werd door die 'kwasi-verhalen aan haar moeder, haar vader en haar uitgever’. En zo blijkt dat hetgeen zich aandiende als een compliment, eigenlijk toch vooral als kritiek was bedoeld.
Het is indrukwekkend zoals Doeschka Meijsing de afgelopen week in verschillende kranten en bladen is herdacht. Tegelijkertijd lijkt in het licht van een heel oeuvre, en haar grootste recente successen, bijna over het hoofd gezien te worden hoe essentieel en oorspronkelijk haar eerste werken waren. Haar latere, meer direct te herleiden autobiografische werk, heeft haar de grootscheepsere waardering en erkenning gebracht die in de kiem eigenlijk altijd wel aanwezig waren. 100 % chemie en Over de liefde zijn inderdaad prachtige boeken, maar ze hadden niet geschreven kunnen worden als ze die eerste eieren niet had gelegd. Zoals Mondriaan een omgekeerde beweging doormaakte, en nooit tot zijn strenge vlakverdeling was gekomen als hij niet eerst eindeloos die molens had gepointilleerd. De hanen, Robinson, De kat achterna: stuk voor stuk zijn het oefeningen in taal, vorm, beheersing, emotie. Geen voorstudies, maar noodzakelijk werk en in zichzelf hoogtepunten. Zonder deze boeken was 100 % chemie anekdotiek geworden, en Over de liefde zelfbeklag, in plaats van literatuur. De intensiteit van het latere werk is onverminderd groot, de zinnen zijn gedresseerd, de poëtische ruimte is intact gebleven, niets is uiteindelijk helemaal helder, laat staan dat er iets is opgelost. Met terugwerkende kracht blijkt haar oeuvre een bouwwerk, stevig, sierlijk, met onverwachte verbindingen, en passages die zich in het licht van haar einde moeilijk nog zomaar laten lezen. Zoals die in dat hoofdstuk 'Wit’ in De kat achterna, waarin de hoofdpersoon na een ongeluk willoos en machteloos is overgeleverd aan de zorgen van verpleegkundige handen.
'Ik slaap een eeuwigheid, en dan nog een eeuwigheid, want ze hebben beloofd dat die oneindig zijn zal. Tussen de tijden door mag ik wakker worden in een witte kamer die ik nooit herken van de vorige keer. Ze rijden mijn bed telkens in een nieuwe kamer, waar alles hetzelfde is, zelfs de val van het licht. Ze tonen me de hele witte wereld, waar al het andere één is in heerlijkheid. Ik geef mij over aan de genade van allerlei handen die niet aan mensen schijnen vast te zitten, maar aan bovenaardse wezens die het goede met mij voorhebben. Als de handen me loslaten val ik automatisch terug in die tijden waar dag en nacht niet van elkaar te onderscheiden zijn. Alles is goed. Ik hoef nooit meer iets te doen. De zaligheid is mijn. Ik heb het verdiend.’


Foto:

Doeschka
Steye Raviez / HH