De keizer van atlantis

Adolf Hitler was als kind al ‘maanziek’, en ontwikkelde zich toen tot een occulte dweper. Mythomanie vormde ook de kern van zijn desastreuze machtspolitiek. Maar hier kwamen al die ideeën over het arische ras superras, de mystieke werking van de Swastika en de nalatenschap der graalridders eigenlijk vandaan?
HOOG IN DE HIMALAYA, op het dak van de wereld, leven volgens een oude Aziatische legende de ware vorsten van deze wereld. In het oud-Indische sanskriet worden zij de mahatma’s genoemd, de ‘grote zielen’. Ongenaakbaar voor sneeuw, kou en wind zijn deze Adepten van de Hoogste Wijsheid ontsnapt aan het samsara, het eeuwig draaiende wiel van dood en wedergeboorte. Zij zijn voorbij de limieten die de materie aan gewone stervelingen stelt, hun geest regeert over hun lichamen in plaats van andersom, en hoewel zij sterfelijk zouden zijn, kent niemand hun ware leeftijd.

De kennis en macht die deze mahatma’s bezitten, houdt met hun geestelijke evolutie gelijke tred - hoe meer zij zich verheffen, des te verder reiken hun vermogens. De meest volmaakten van hen vinden een rustplaats ergens in de Melkweg. Ze onderhouden interplanetaire contacten met de ruimtewezens die eens hun sporen nalieten op de aarde en aldus de keten van de mensheid in gang zetten - buiten de materie om, langs ‘astrale’ weg, als het ware opgelost in een wolk van losstaande atomen, regeren zij als de oude Griekse goden over de elementen en de mensheid.
Lang bleef de kennis die in Tibet geconcentreerd was, verborgen voor de buitenwereld. Hoewel onderworpen aan de strenge tucht van boeddhistische monniken stond de plaatselijke bevolking bekend om zijn harde aanpak van vreemdelingen - in de regel werden deze beroofd en vermoord. Bovendien waren de klimaatsomstandigheden en de moeilijke bereikbaarheid van het gebied hinderpalen voor pottekijkers. Pas in het midden van de vorige eeuw slaagde een westerling erin contact te leggen met twee van deze Meesters. Het was de Russische theosofe Helena Anna Petrovna Blavatsky, die onder speciale bescherming van haar 'Meesters’ een beweging oprichtte die een geheel nieuwe zwaai zou moeten geven aan de geschiedenis van de mensheid.
MADAME BLAVATSKY, vandaag de dag algemeen erkend als de oermoeder van de New Age, kwam als Helena Hahn von Rottenstern in 1831 ter wereld in het Georgische Jekaterinaslav. Haar vader was de zoon van een prinses Von Hahn uit het Duitse groothertogdom Mecklenburg, van moederskant heette haar stamboom terug te gaan tot groothertog Roerik, de eerste heerser van Rusland. De naam Blavatsky dankte ze aan een oude kolonel uit het Russische leger, aan wie zij op jonge leeftijd werd uitgehuwelijkt. Ze was zeventien toen ze het controlerende oog van haar drie keer zo oude echtgenoot ontvluchtte en haar leven in dienst stelde van het najagen en verkondigen van mystieke wijsheid.
'Ik hoor bij een geheime sekte van de Druzen van de berg Libanon en verkeerde lange tijd onder derwisjen, Perzische molla ’s en mystici van allerlei soorten ’, schreef Blavatsky. Maar evengoed verkondigde ze denkbeelden uit het boeddhisme, het hindoeïsme, de joodse kabbala en de talmoed, het mystiek-islamitische soefisme, de Chinese I Ching, de christelijke bijbel, de gnosis, de antieke Griekse filosofen, de uit Perzië afkomstige zonnecultus van de profeet Zarathoestra, de rituelen van de oude Egyptenaren enzovoort. Haar uitgangspunt was dat van de soefi’s, de mystieke orde uit de islamitische wereld: alle oude religies gaven ieder op hun eigen manier dezelfde occulte en mystieke boodschappen door, en er bestond een goddelijk veld dat via allerlei vormen van extase - via muziek, wijn of hasj, dans of meditatie - door mensen kon worden bereikt.
Dwars door alle cultuurverschillen en religies heen regeerde een geheim verbond van 'Ingewijden’ en 'Adepten’ over de materie. Tot die ingewijden behoorden bijvoorbeeld de ridders van de Ronde Tafel van koning Arthur, die de geheimen kenden van de Heilige Graal. Maar ook de eerste kruisridders behoorden ertoe, evenals mystiek-christelijke genootschappen als de Rozenkruizers en de vrijmetselaars. De moderne wetenschap was blind voor deze andere bestaansdimensies, waarvan ieder mens toch iets bevroedde, al was het maar intuïtief. Mystici zoals Blavatsky zelf konden deze in symbolen verborgen wereld openbreken, en de goddelijke vonk die in ieder mens zat verborgen weer doen vlammen.
Blavatsky streefde naar de grondlegging van een 'religieuze wetenschap’. Daarop kon dan een soort wereldoecumene der religies worden gebaseerd. Haar uitgangspunt was dat er een Nieuwe Tijd in aantocht was, het Aquarius-tijdperk, waarin alle onderlinge menselijke twisten zouden verdwijnen, evenals de dwingelandij van kerk en staat, die zo kenmerkend was voor het Vissen-tijdperk waarin zij zelf leefde.
DEZE MISSIE had volgens Blavatsky haar wortels in een ervaring uit haar kindertijd. Zij zou als klein meisje zijn 'bezocht’ door een soort geest, die niets anders was dan een heilige man uit de Himalaya, die zij later ook in levenden lijve in Tibet zou ontmoeten. Deze mahatma, Moria genaamd, zou samen met zijn mede-Adept Kuthumi Blavatsky hebben uitverkoren als hun boodschapper op aarde. Meermalen redden de Adepten haar langs magische weg van een wisse dood. In haar volwassen leven trok de gezette, onorthodoxe Russin met ogen als napalm onder de hoede van haar beschermheren de wereld in, overal het kwaad bevechtend dat met name de rooms-katholieke kerk in haar ogen had aangericht. In Italië vocht ze aan de zijde van de Italiaanse vrijheidsstrijder Garibaldi tegen de macht van Rome en zijn Oostenrijkse vazallen. Bij de slag van Mentana, waar ze naar eigen zeggen alleen naar toe was gegaan om 'papisten te schieten ’, liep ze oorlogswonden op. Sommigen beweerden dat Blavatsky tijdens die slag was gesneuveld, maar haar Meesters zorgden ervoor dat haar lichaam als vehikel werd gebruikt voor het etherische lichaam van een andere chela (discipel).
Veel inspiratie putten Blavatsky en haar mede-theosofen uit het boeddhisme. Zij getroostten zich veel moeite om deze weinig georganiseerde religie van de nodige hiërarchische structuren te voorzien. Zij ontwierpen zelfs een boeddhistische vlag, waarmee vanaf dat moment ijverig werd gezwaaid van Sri Lanka tot Tibet. Telkens hield Blavatsky haar lezers voor dat de 'heidens’ geachte godsdiensten in praktijk veel menslievender waren en dichter bij de esoterische wijsheid stonden dan het christendom. Over de boeddhisten merkte zij eens op dat 'ze de meest deugdlievende en deugdbetrachtende mensen ter wereld zijn. Het boeddhisme zegt: eerbiedig de godsdienst van anderen en blijf getrouw aan de uwen, maar het kerkelijk christendom, dat al de profeten en goden van andere volken als duivels brandmerkt, zou iedere niet- christen naar de eeuwige verdoemenis willen helpen ’. Ze sprak van 'de wrede, antropomorfe en naijverige god der Joden, en zijn wraakzuchtige wet van “oog om oog en tand om tand’ ’, zijn bloedvergieten en dierenoffers’. Daartegenover stelde ze haar eigen leer, waarin Zarathoestra, Krishna, Boeddha en Jezus golden als incarnaties van één en hetzelfde opperwezen
Blavatsky beweerde langere tijd in een kring van Meesters in een onderaardse plek in Tibet te zijn geïnstrueerd voor haar trans-religieuze missie. Ten bewijze van deze gehaar een verzameling brieven mee, waarin alle geheimen van het esoterische en het occulte stonden. Madame Blavatsky vertelde dat haar Meesters haar bij het schrijven van haar werken lange passages langs telepathische weg letterlijk influisterden, terwijl de rest ook door hen was 'ingegeven’. Ook zou zij enige brieven hebben gekregen via zogenaamde 'materialisering’. Met de nodige bombarie doneerde ze een collectie brieven van de Meesters aan de vermaarde British Library in Londen. Sceptici uit de wetenschap riepen meteen dat het ging om vervalsingen, dat het ging om 'mahatma ’s van mousseline en goudpapier’. Zij stelden dat de mediamieke Russin de brieven eigenhandig had geschreven, dat zij zelfs nooit in Tibet was geweest. De Society for Physical Research in Londen brandmerkte Blavatsky als 'de meest geslepen bedriegster van deze eeuw, wier naam aan het nageslacht verdient te worden doorgegeven ’. In de pers vielen beschuldigingen als zou Blavatsky een agente van de Russische geheime dienst zijn, naar het Westen getrokken om een spoor van religieuze ontreddering achter te laten. De clairvoyante bleef de authenticiteit van haar vondst met grote felheid verdedigen, al werd het haar soms zwaar te moede. Eens verzuchtte ze dat zij liever 'ervan verdacht werd dat ze de mahatma ’s uit de diepten van haar eigen innerlijke bewustzijn heeft voortgebracht, dan dat ze hun namen en verheven ideaal zo schandelijk ontheiligd moest zien als thans geschiedt’.
IN 1875 RICHTTE Madame Blavatsky, bijgestaan door twee Amerikanen - de mediamieke burgeroorlogveteraan kolonel Henry Steel Olcott en de advocaat W. Q. Judge - in New York de Theosophical Society op. Een vereniging die overal ter wereld de heilsboodschap van Blavatsky’s Tibetaanse Meesters ingang zou doen vinden. De drie voornaamste doeleinden van de vereniging werden als volgt geformuleerd: ’

  1. Het vormen van een kern van de Algemene Broederschap der Mensheid, zonder onderscheid van ras, kleur ongeloof.
  2. Het aanmoedigen van de studie van Arische en andere geschriften alsmede van ’s werelds godsdiensten en wetenschappen, en het aantonen van het grote belang der oud-Aziatische literatuur, zoals die der brahmaanse, boeddhistische en zoroastrische wijsbegeerte.
  3. Het naspeuren van de geheimen der natuur onder elk mogelijk aanzicht, en in het bijzonder van de psychische en geestelijke vermogens, die nog in den Mensch sluimeren. ’ Overal in de wereld van de mediamiek begaafden en de spiritisten werden nu ontmoetingen met de 'geesten’ Moria en Kuthumi gemeld. De Theosofische Vereniging ageerde fel tegen deze wildgroei aan astrale contacten en bleef hameren op de naleving van een strikte hiërarchie in de esoterische organisatie. Alleen ingewijden in de hogere echelons van het occulte konden contact krijgen met de Meesters, zo werd verordonneerd. Dit leidde tot een zeer hiërarchische opbouw van de esoterische organisatie, bestaande uit los van elkaar opererende 'secties’ en 'loges’, met in het bovenste compartiment de hoogste Ingewijden, verenigd in de Esoterische Sectie. ook wel De Grote Witte Broederschap genoemd. Deze afdeling, die naar de buitenwereld een absoluut stilzwijgen bewaarde en waarvan het lidmaatschap strikt geheim diende te blijven, had Blavatsky’s speciale zorg. Ze waakte over de vele initiatieriten die moesten worden doorlopen om toegang te krijgen tot een loge. In 1888 publiceerde Madame Blavatsky het vuistdikke compendium van de theosofische doctrine, getiteld De geheime leer. Hierin ontvouwde Blavatsky een alternatief scheppingsverhaal van de mensheid. Deze bestond volgens haar uit een sequentie van zeven 'wortelrassen ’, gebonden aan even veel continen- ten. Het eerste ras traceerde zij miljoenen jaren terug op de Noordpool. Op die ijskorst vertoefden wezens zonder fysiek lichaam, geheel 'etherisch ’, 'zonder typologie of kleur, met een nauwelijks vastbepaalde, doch kolossale vorm ’. Dit eerste wortelras, aldus De geheime leer, kon sterven noch gewond raken. Het tweede ras ontstond iets zuidelijker, op een continent dat zich zou hebben uitgestrekt van Groenland tot Kamtsjatka. Deze 'hyperboreeërs ’ waren 'de eerste pogingen van de materiële natuur om menselijke lichamen te scheppen ’, en blijkbaar ging dat niet van een leien dakje, want volgens Blavatsky waren dit 'monstrueuze, androgyne, semi-menselijke wezens ’, van wie het merendeel bij een grote klimaatscatastrofe verging. Lemuria was de naam van het derde continent in Blavatsky’s geschiedenis van de mensheid. Het bestond zo'n achttien miljoen jaar geleden en reikte van de Indische Oceaan tot Australië. Dit ras ontwikkelde zich van androgyne ei-leggers tot twee verschillende seksen, en was volgens Blavatsky het eerste wortelras met echt menselijke trekken. Het ontstaan van de aapachtigen moest volgens De geheime leer op het conto worden geschreven van seksuele contacten van de Lemurianen met monstrueuze beesten. Nadat ook Lemuria was vergaan, vestigden de overlevenden zich in Atlantis. Dit was een half verzonken continent in de Atlantische Oceaan, niet te verwarren met het verzonken rijk waar Plato vier eeuwen voor Christus over sprak - volgens Blavatsky was dat slechts een laatste fragmentje van het verzonken continent. Dit Atlantis-ras werd gekenmerkt door een zekere vloeibare constitutie en was begiftigd met telepathische krachten, samengebald in een zogenaamd 'derde oog’. Hier ontstond voor het eerst een scheuring tussen goed en slecht, tussen 'rechtvaardigen en onrechtvaardigen’, tussen lichtdragers en de krachten der duisternis. Atlantis ging zo,n 850.000 jaar geleden aan aardbevingen en vloedgolven tenonder, waarna de lichtdragende tak van de stam zich via Scandinavië en Centraal Europa naar Azië begaf, met als middelpunt de toen nog uiterst vruchtbare Gobi-vlakte. Zo ontstond het vijfde wortelras, dat van de Ariërs, waarmee Blavatsky was gearriveerd bij de huidige tijd. Nog twee wortelrassen zullen volgen eer de menselijke evolutie tot een harmonieus hoogte- en eindpunt zal komen. TIBET, INDIA EN PERZIE waren volgens de theosofische leer de bakermat van het Arische ras, met als abolute centra twee verborgen plekken in de Himalaya, alwaar een topkaste van Arische priesters, de al eerder gesignaleerde Meesters, waken over geheime krachtbronnen. Agartha en Shambalha, zoals deze locaties werden aangeduid, zijn aan elkaar tegengestelde bronnen van enorm telepathisch vermogen, direct gelieerd aan mysterieuze buitenaardse intelligenties. Agartha was het epicentrum van het Goede, de harmonie, van vrede en het zoeken naar de opperste kennis. Het symbool van Agartha was het 'Wiel van de Gouden Zon ’, het rechtsdraaiende hakenkruis (in het sanskriet: swastika) waarvan de vier armen naar links wijzen, zodat het kruis denkbeeldig meedraait met de rotatie van de aarde. Shambalha had als symbool het linksdraaiende hakenkruis, het 'Wiel van de Zwarte Zon ’, waarvan de armen naar rechts wijzen en dat dus tegen de rotatie van de planeten indraait. Shambalha stond voor de 'weg van de krijger’, het verzet van de mens tegen de natuur, de wil om te heersen over de elementen, energie opwekkend die ofwel leidt tot totale oppermacht ofwel tot totale destructie. Madame Blavatsky tooide haar persoonlijke zegel met een hakenkruis. Dat werd ook opgenomen in het officiële logo van de Theosofische Vereniging. Vandaaruit begon het symbool aan een bliksemcarrière door Europa. Onder regie van tsarina Alexandra, een geestdriftig theosofe, werd het ingevoerd aan het hof van de laatste Russische tsaar Nicolaas II. Lord Baden-Powell liep er ook warm voor en gebruikte het voor de officiële padvindersvlag. Het teken had al een lange traditie. Het oudste voorbeeld zou in Transsylvanië zijn gevonden en zou uit het eind van het stenen tijdperk dateren. Verspreid over de hele wereld, ook in Noord- en Zuid-Amerika, treft men het teken in grotten of gekerfd in stenen. Het symbool kwam voor in de mysterieuze Runen-tekens die in IJsland, Scandinavië en ook de Waddeneilanden werden gevonden. In de vierde eeuw v. C. dook het teken op in India, Perzië en Tibet, achthonderd jaar later in China en Japan, in welk land het op gezag van de boeddhisten tot nationaal embleem van voorspoed werd verklaard. DE IN 1891 GESTORVEN Blavatsky bedoelde het allemaal zo kwaad niet. Haar theosofie was zeker niet gericht op het aanwakkeren van racistische wanen. Integendeel, juist de verbroedering der volkeren was haar oogmerk. Dat mocht niet verhinderen dat het theosofische vocabulaire vanaf het eind van de negentiende eeuw met name in het Duitse keizerrijk en in het Duitstalige gedeelte van de Habsburgse dubbelmonarchie werd geperverteerd tot een rassenwaan zonder weerga, in de regel aangeduid als 'ariosofie’. In feite werd het hele idee van het Arische wortelras omgesmeed tot een leer die de 'Germanen’ de status van Arisch oppervolk toebedeelde, door de natuur uitverkoren om te heersen over de minderwaardige rest van de mensheid, de joden en de Slavische volkeren voorop. Het was de motor van de overal ontluikende pan-Germaanse krachten. Aanvankelijk fungeerde Wenen als hoofdstad van de ariosofie. Hier verkondigden Guido List (1848- 1919) en Jörg Lanz von Liebenfels (1874-1954) hun obscure raciale doctrines. Dit op basis van Blavatsky’s theosofie, die met de oprichting van de Duitse tak van de Theosofische Vereniging in 1884 brede ingang had gevonden. Guido List, een onvermoeibare exegeet op het gebied van germanisering van antieke hindoe-ideeën, maakte veel furore met zijn völkische cocktail van antisemitisme, aristocratenverering, natuuraanbidding en Teutoons nationalisme. Teruggrijpend op Tacitus en diens lyrische beschrijvingen van een onverzettelijk, blond en blauwogig natuurvolk dat in het jaar 9 voor onze jaartelling onder leiding van een krijger genaamd Hermann (of Arminius) in het Teutoburgerwoud het oppermachtige Romeinse leger in de pan had gehakt, richtte List de Germanen-Orde op, met het hakenkruis als leidend symbool. Hij introduceerde het begrip Armanenschaft, de natuurlijke staat van het Arische lichtvolk als meesters van de wereld, de Übermensch die in direct contact stond met de Arische zonnegod Wodan. De gevreesde Teutoonse ridders uit de Donkere Middeleeuwen leefden in perfecte Armanenschaft, schreef List, alsook de mystieke orde der Tempeliers, die uiteindelijk de geheimen kende van de Graal, de heilige beker waarmee het bloed was opgevangen van die andere super-Ariër, Jezus Christus - of Freija, zoals List hem als goede Germaan liever noemde. List noemde zichzelf altijd von List, hoewel hij niet van adel was. Hij gaf zich er alleen graag voor uit, bezeten van het idee dat de heilige Arische erfenis via het bloed was overgeleverd aan de Duitse adel van zijn dagen. Hij was dan ook een vurig pleitbezorger voor het herstel van het heilige Rooms-Duitse rijk, met een Duitse keizer aan het hoofd. Deze zou weer naar behoren over de wereld kunnen heersen wanneer hij kon beschikken over de twee belangrijkste magische objecten in de Ariërs-cult: de heilige lans waarmee de Romeinse centurion Gaius Cassus Longinius volgens de bijbel gaten prikte in de Arische heiland aan het kruis, en de al even heilige graal. De houder van de speer, 'de lans van het lot’, besliste over de koers van de geschiedenis, zo leerden middeleeuwse Graal-overleveringen als Wolfram von Eschenbachs mystieke heldendicht over de graalridder Parsifal. De vol-Arische componist Richard Wagner maakte dankbaar gebruik van Lists völkische leer en grossierde royaal in de graalthematiek, vooral in de opera Parsifal uit 1882. JÖRG LANZ VON Liebenfels, ook al van zelfgeproclameerde adel, ging in zijn ariosofische dolzinnigheid nog verder dan zijn leermeester List. Lanz, een gewezen cisterciënzer monnik, ontwikkelde de zogenaamde 'theozoölogie’. In zijn boek Theozoologie oder die Kunde von den Sodoms Äfflingen und die Götter Elektron ( 1905) verkondigde Lanz dat niet-Ariërs, zoals joden, het produkt waren van seksueel contact tussen oer-Ariërs en dieren - enigszins gebaseerd op Blavatsky’s melding van de Lemuriaanse escapades. Deze non-Ariërs waren derhalve slechts half-mensen. Lanz droeg verschillende mogelijkheden aan waarop de Ariërs zich van hen konden ontdoen, zoals gedwongen castratie of sterilisatie, deportatie naar Madagaskar, een bestaan als slaaf, een rituele verbranding naar oud-Germaans model, als offer aan de goden, en een gebruik als lastdieren. 'Zowel de psychopathologie van de nazi-holocaust als de onderwerping van niet-Ariërs in het oosten waren voorafgegaan door Lanz ’ macabere speculaties’, schrijft Derde-Rijkspecialist Nicholas Goodrick-Clarke in zijn baanbrekende studie The Occult Roots of Nazism (1985). Evenals List greep Lanz von Liebenfels gaarne terug op de hoogtijdagen van de Teutoonse ridders en de Tempeliers, en voor dat doel richtte hij in 1907 de Orden des Neuen Tempels (ONT) op, bij voorkeur in oude kastelen of ruïnes zetelende gezelschappen die werkten aan de voorbereiding van de wereldheerschappij van het Arische ras. Zowel de Zwarte Orde van Heinrich Himmlers SS als de latere Ku Klux Klan waren zeer schatplichtig aan de ONT. De Orde bestaat overigens nog immer en is volgens de meest recente berichten twintigduizend leden sterk. Ze zitten verspreid over de hele wereld, ook in Nederland, waar de ONT-leider, op voor- spraak van de Lanz-fan bisschop dr. van Vreede van de liberaal-katholieke kerk, volgens Rudolf J. Mund in zijn boek Jörg Lanz von Liebenfels und der Neue Templer Orden (1972) zelfs financiële vergoedingen krijgt van de staat. In het tijdschrift Ostara zong Lanz exclusief de lof op de blonde en blauwogige mens, die naar zijn vaste overtuiging op het punt stond om onder leiding van een nieuwe Arische heiland naar de wereldmacht te grijpen. Zowel in zijn blad als in de symboliek van zijn ridderorden strooide Lanz kwistig met het hakenkruis. LANZ’ BLAD KENDE veel illustere afnemers, onder wie toneelschrijver August Strindberg, de Britse oorlogsheld Lord Kitchener, Lenin en de legendarische Weense journalist Karl Kraus. Maar de allerbekendste (tenminste dat werd hij later) kwam op een dag in 1909 zomaar bij zijn Weense woonadres langslopen om enkele exemplaren van Ostara aan te schaffen. Het was de toen twintigjarige kunstschilder Adolf Hitler, zo vertelde een trotse Lanz in 1951 aan Wilfried Daim, auteur van de Lanz-biografie Der Mann, der Hitler die Ideen gab (Wenen, 1958). Volgens Lanz zag Hitler er zo berooid uit dat hij de Ostara- exemplaren gratis meegaf en ook nog een bijdrage doneerde voor Hitlers terugreis. In zijn terublik was Lanz wat verbitterd over het feit dat de Führer later zo weinig over had voor zijn ideologische pionierswerk. En het had hem helemaal gestoord dat Hitler in 1938 zelfs een schrijfverbod tegen hem had uitgevaardigd. De ontmoeting tussen Adolf Hitler en Lanz von Liebenfels geldt in de Hitler-kunde als het vroegst traceerbare blijk van occulte belangstelling van de toekomstige Führer. De op 20 april 1889 in Braunauam Inn geboren zoon van douanier Alois Schicklgruber en diens nicht Klara Poelzl stamde weliswaar uit een streek die al van oudsher was vergeven van mediums, zieners en andere mystici (zoals L. Pauwels en J. Bergier opmerken in hun Dageraad der magiërs), en zijn moeder noemde hem weliswaar al vroeg 'mondsüchtig ’, maar van een overdreven hang naar het occulte was bij de koorknaap tot zijn 'vormende jaren’ in Wenen verder niet veel te bespeuren geweest. In de hoofdstad van het Habsburgse rijk ging het echter hard. Zijn toenmalige kamergenoot August Kubizek, auteur van De jonge Hitler, vriend van mijn jeugd, beschrijft de hevig aan onderwaardering lijdende kunstschilder als een niet te bevredigen veelvraat van allerhande esoterische lectuur, gek van de graallegenden van Von Eschenbach en Wagner, bezeten door het idee van raszuiverheid en de Groot-Duitse gedachte als antwoord op de multiculturele chaos van Wenen. In zijn autobiografie Mein Kampf (1924) laat Hitler geen misverstand bestaan over de impact van zijn Weense jaren op de verdere koers van zijn leven. Het is hier dat hij voor het eerst in aanraking komt met ,het leerstuk der rassen ’, zoals zijn furieuze antisemitisme en zijn glorificatie van het Arische ras ook een Weense erfenis zijn. In The Spear of Destiny (1973), een spektakelstuk over de occulte bronnen van Adolf Hitler, laat de Britse historicus Trevor Ravenscroft de Weense filosoof Walter Stein aan het woord, die beweerde de occulte carrière van Adolf Hitler vanaf de eerste wankele schreden te hebben gevolgd. Stein was een gerenom- meerd kenner van de esoterische traditie, die net voor de oorlog naar Engeland was gevlucht. Tijdens de oorlog fungeerde hij als persoonlijk adviseur van Winston Churchill in- zake de psychopathologische bewegingen in de occulte koppen van de nazi-top. Volgens Stein zou Hitler in zijn Weense jaren zijn ingewijd in een occulte orde, direct gelieerd aan het besloten netwerk van de beruchte Russische soefi-magiër Gurdjieff, een Blavatsky-epigoon die zich nadrukkelijk liet voorstaan op buitenaardse contacten. Met dit inwijdingsproces waren zelfs experimenten met psychedelisch werkende paddestoelen en andere drugs ge- moeid, aldus Ravenscroft, een ex-militair die na de oorlog twaalf jaar onder Stein zegt te hebben gestudeerd. Met behulp van speciaal uit Tibet overgevlogen yogi’s zou Hitler zijn geprepareerd voor zijn aanstaande taak als Arische leidsman, de nieuwe Arminius, de nieuwe Parsifal, direct ingeplugd in de oud-Arische krachtcentrale van de wil tot heersen, Shambalha. Stein zou Ravenscroft hebben verzekerd dat ook Winston Churchill geheel overtuigd was van dergelijke occulte machinaties. De Britse oorlogsleider verbood echter dat deze materie aan de orde zou komen tijdens de Neurenberger processen tegen de oorlogsmisdadigers. Het publiek zou er nog niet rijp voor zijn. INMIDDELS HAD de Ariër-cultus van Lanz en List in Duitsland ook veel navolging gekregen. In de Orde der Germanen opereerden tal van Duitse aristocraten, zoals groothertog Johann Albrecht van Mecklenburg, die tot zijn dood in 1920 grootmeester was. Onder leiding van de Beierse grootmeester van de Orde der Germanen, de ook weer zelfbenoemde baron Rudolf von Seboten-dorff, kwam in München het besluit tot oprichting van het Thule-gesellschaft. Thule, vernoemd naar de Germaanse naam voor Blavatsky’s Atlantis, tooide zich met een Shambalha-hakenkruis. Het gezelschap zette zich aan de verdere ontwikkeling van de Ariër-leer in antisemitische richting. Eind 1918 telde het Thule-gezelschap vijftienhonderd leden, onder wie gezaghebbende aristocraten als prins Gustav Franz Maria von Thurn und Taxis. Verwant aan de Thule-ideeën was het streven van het eveneens in Berlijn gevestigde Genootschap van de Vril, ook wel de Lichtende Loge genoemd. Dit genootschap stond niet minder dan een Arische wereldheerschappij voor, en wel door middel van de aan Ariërs voorbehouden controle over de geheime energie van de vril, een in de allerkleinste deeltjes van de materie verborgen superkracht. Een belangrijk lid van Thule en van het Vril-genootschap was de Beierse artillerie-generaal Karl Haushofer, alias 'de Magiër’. De in 1869 in München geboren Haushofer verbleef lange tijd in Indië en het Verre Oosten. In Japan, waar hij samen met zijn verbindingsofficier en mede-Thulelid Leo Hausleiter vaak kwam, zou hij zijn ingewijd in een van de belangrijkste boeddhistische orden. Ook zou hij contacten hebben gelegd met diverse belangrijkse Tibetaanse orden. In de toch al van mythomanie doortrokken generale staf van de Duitse keizer Wilhelm II viel Haushofer op door zijn mediamieke gaven: schijnbaar moeiteloos voorspelde hij het tijdstip van de inslag van granaten, de plaats van vijandelijke aanvallen, het uitbreken van stormen, et cetera. Na de Eerste Wereldoorlog legde Haushofer zich toe op het schrijven van allerlei mystieke Arische poëzie. Ook richtte hij het Geopolitik Gesellschaft op, dat in feite een wetenschappelijk-politieke theorie moest maken van het Thule-denken. Haushofer centreerde zijn geopolitiek rondom het idee dat de oude Arische levenssfeer in ere moest worden hersteld. Hij introduceerde het begrip Lebensraum, een natuurlijk evenwicht tussen de volkeren door vaststelling van de diverse invloedssferen. Ten dienste van de Arische Lebensraum dienden in ieder geval Tibet, de Kaukasus en de Gobi tot Arisch 'kerngebied’ verklaard te worden. Een van Haushofers meest enthousiaste pupillen van het eerste uur was de jonge architect Rudolf Hess. ADOLF HITLER vestigde zich in 1913 in Wenen. In 1914 trok hij naar de loopgraven van de Eerste Wereldorlog, om in 1916 gewond en gedecoreerd terug te komen. Hess en Haushofer behoren dan al snel tot zijn kring van intimi, evenals het morfineverslaafde Thule-lid dichter Dietrich Eckhart. Allen behoorden tot het magische zevental van moderne Teutoonse ridders dat in 1919 de NSDAP oprichtte, met het Shambalha-hakenkruis in de vlag. 'Hitler danst op mijn muziek “ zou Eckhart kort voor zijn vroege dood hebben gezegd. Het is onder het gesouffleer van Haushofer en Hess dat Hitler tijdens zijn korte gevangenschap in Landsberg an der Lech vanwege de mislukte novemberputsch van 1923 zijn Mein Kampf schrijft. Vanaf dat moment wordt er met ernst gewerkt aan de vestiging van de Listiaanse Armanenschaft, in zijn meest demonische verschijningsvorm van de Zwarte Orde van de SS. Deze moest tegelijkertijd dienen als schrikbewind en als fokcentrale voor nieuwe 'rondes’ van het Arische herenras. Tal van Duitse aristocraten, met de List-doctrine van het heilige edelliedenbloed nog in de oren, meldden zich aan voor deze nieuwe ridderclub. Zodra blijkt dat deze Thuledroom werkelijkheid wordt, beginnen Hitler, Himmler en de rest van de nazi-top zich heftig van hun vroegere inspiratoren en hun symboliek af te keren. Zoals de Australische auteur S. H. Roberts het zo treffend omschreef in in boek Het huis dat Hitler bouwde (1937): 'In het vroege najaar van 1936 zag ik in München gekleurde platen van Hitler in de werkelijke zilveren kledij der graalridders, maar deze werden spoedig ingetrokken; zij verrieden het spel, zij waren te na aan de waarheid van Hitlers mentaliteit. ’ De Thule-doctrines, de theozoölogie en de ariosofie werden, naarmate Hitlers machtsbasis verstevigde, steeds meer opgenomen in de nieuwe orde, inclusief de extreem buitenissige Arisch-wetenschappelijke doctrines als de Holle-Aarde-theorie van Hans Hoerbiger, diametraal tegengesteld aan alles wat de mensheid sinds Galilei van het heelal afwist. Het wetenschappelijke SS-bureau Ahnenerbe, voor 'onderzoek naar de nalatenschap der voorvaderen’ werd het allesbestierende occulte studiecentrum der nazi’s. Het bureau beschikte over een groter budget dan het Amerikaanse team dat de atoombom ontwikkelde en had infiltranten in alle mogelijke vertakkingen van de internationale occulte en esoterische gezelschappen. De organisatie verzamelde een gigantische hoeveelheid gegevens over alle mogelijke occulte zaken en zond ook expedities uit naar het Tibetaanse stamland der Ariërs, om contacten te leggen met de Meesters. Een stoet van boeddhistische monniken werd uit de Himalaya naar Berlijn overgevlogen om de Duitse zaak bij te staan. Het was in opdracht van datzelfde Ahnenerbe dat Joseph Mengele zijn 'genetische onderzoek’ in Auschwitz uitvoerde. De pioniers die dit alles mogelijk hadden gemaakt werd de mond gesnoerd, een deel van de Thule-leden zelfs gevangen gezet. Zij zouden de aandacht afleiden van de uniciteit van de Führer, de reïncarnatie van de Arische Messias, die zijn militaire strategie bepaalde op grond van de stand der sterren en zijn geheime wapens liet ontwikkelen op basis van haaks op alles staande theorieen. DE KONING VAN Atlantis, zo heette de opera die joodse muzikanten in het Tsjechische concentratiekamp Theresienstadt opvoerden. Het stuk was ter plekke geschreven door Viktor Ullmann en werd ondanks de barre omstandigheden in het kamp opgevoerd. In het wonderwel bewaard gebleven stuk (8 mei te horen op Radio 4) roept de keizer van Atlantis op tot een oorlog van iedereen tegen iedereen. Pas wanneer de despoot zich realiseert dat zijn macht verdwijnt als de mensen niet meer sterven, komt hij tot inzicht en slaat hij de hand aan zichzelf. Het moge duidelijk zijn wie met deze keizer werd bedoeld. Deze pleegde dan ook op 30 april 1945 zelfmoord, al is daar lang niet iedereen meer van overtuigd. Zeker niet na de laatste onthullingen uit de KGB-kokers over Operatie Mythos, het onderzoek dat Stalin liet uitvoeren naar Hitlers einde. Stalin, zo blijkt daaruit,kon nooit geheel worden overtuigd van de dood van zijn voormalige verdragspartner. Honderd procent uitsluitsel dat het inderdaad de overblijfselen van Hitler waren die in de nacht van 4 op 5 april 1970 door enkele KGB-officieren in Magdeburg werden opgegraven, verbrand en in de wind verstrooid, zal er wel nooit komen. Voor sommigen is dat een bron van hoop. Bijvoorbeeld voor Miguel Serrano, gewezen ambassadeur van Chili in India, Joegoslavië en Oostenrijk en lid van tal van aan de VN-gelieerde organisaties. Serrano, een kenner van het Tibetaanse boeddhisme, die eerder een boek schreef over de vriendschap tussen Jung en Hermann Hesse, publiceerde in 1984 een zeshonderd pagina’s tellende studie genaamd Adolf Hitler, el Ultimo A vatara, opgedragen 'aan de glorie van de Führer ’. Hierin treffen we Hitler naar oud-Thuleaans recept als de tiende verschijning (een 'Avatar’, zoals voor hem Krishna, Boeddha en Jezus) van Vishnu, de zonnegod der Hindoes, op aarde gezet om het lichtvolk naar het nieuwe millennium te geleiden. Volgens Serrano ontsnapte Hitler in 1945 uit de Berlijnse bunker, en wel in een vliegende schotel van Duitse makelij. Vanuit een ondergrondse centrale aan de Zuidpool werkt hij verder aan de Esoterische Oorlog tegen de minderwaardige rassen. Het is maar dat u het weet.