Interview met Otto von Habsburg-Lothringen

De Keizer van Europa

Nee, keizer is-ie niet – en toch ook wel. Europa ligt veel oostelijker. De hertog van Alva was achteraf bezien misschien toch niet zo’n succes. De kroon is een persoon. En nee, hij is geen monarchist. Niet coûte que coûte. ‘Het keizerschap zit in de mensen zelf.’ Het Stehaufmännchen is terug. En het Heilige Roomse Rijk is nooit weg geweest.

‘MEIN KAISER!’ Een man springt in de houding. Een vrouw kust zijn hand.
Het gebeurt hem regelmatig. Niet zozeer in Wenen, maar vooral in Hongarije, Kroatië, Oekraïne, de nieuwe landen van de EU.

‘U HEBT de kroningsfoto’s van mijn ouders meegebracht? Ha ha, um Gotteswillen!
30 december 1916, ik was toen vier jaar oud; die dag herinner ik mij goed. De trappen waren hoog en ik was klein. Ik draag voor de gelegenheid een prinsenpakje. Ik ken ze nog allemaal: die met de keten van het Gulden Vlies is graaf Esterházy. Die in het zwart minister-president Tisza, die kort daarop vermoord zou worden. Hij was me direct opgevallen: de calvinisten altijd in ’t zwart, de katholieken, pfff; kakelbont!
En toch is mijn herinnering anders dan op de foto’s. Ik heb van binnen naar buiten gekeken. En zíj hebben van buitenaf naar mij gekeken. Wanneer je iets van de buitenkant bekijkt ziet het er heel anders uit dan wanneer je het van binnenuit beschouwt. Het is een ander perspectief.’

SORRY, we have no emperors, only their jewels: de olijke leus waarmee het Weense Hofburg Museum sinds kort toeristen lokt. Villa Austria, een comfortabele villa in het pittoreske Beierse dorp Pöcking, even onder München, lijkt in niets op het immense paleizencomplex dat aartshertog Otto von Habsburg-Lothringen, kroonprins van Oostenrijk-Hongarije, als kind aan het eind van de Eerste Wereldoorlog gedwongen moest verlaten. Zonder die juwelen.
Al is de Habsburger Gesetz, de wet die de gewezen keizerlijke familie voor altijd de toegang tot de Donaurepubliek verbood, deels opgeheven, hij is in Pöcking blijven wonen. Otto von Habsburg (96) lijkt zich thuis te voelen in zijn vroegere ballingsoord aan de Starnbergersee. Een lange oprijlaan, een sleetse rode loper, een ijzeren draaimolentje in de tuin voor de 22 kleinkinderen. Binnen vooral veel familieportretten. ‘Ik ben erg gelukkig. Ik heb een fantastisch leven gehad.’

HIJ WAS twee jaar toen met de moord op Franz Ferdinand in Sarajevo vader Karl plotsklaps troonopvolger werd en de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Hij was vier toen zijn vader, bij de gratie Gods als keizer van Oostenrijk, Koning van Hongarije, Bohemen, Kroatië, Jeruzalem en nog zo’n veertig landen en gebieden waarvan de Große Kaisertitel spreekt, aan het hoofd kwam te staan van een veelvolkerenstaat waar, zoals betovergrootvader Karel de Vijfde placht te zeggen, ‘de zon nooit onderging’.
‘Ik kom uit een politiek nest. Wanneer je familie meer dan zeshonderd jaar in de politiek actief is, dan zit dat in de genen. Ook mijn vroegste jeugdherinneringen zijn bijna louter politiek van aard. Dat ik kroonprins was, was me worst, daar ben ik nooit van onder de indruk geweest, maar “Hongarije” “Natie” en “Minister”, dát telde.’
Ondanks verwoede pogingen van de nieuwe keizer om de Eerste Wereldoorlog zo spoedig mogelijk te beëindigen – het zal hem postuum een zaligverklaring opleveren – verliest Karl I zijn troon en sterft in 1922 in ballingschap op Madeira. Aan het sterfbed laat keizerin Zita haar tienjarige zoon zweren ‘voor zijn volkeren een even goede vorst te zijn als zijn vader was’. ‘Van nu af aan spreekt u Otto aan met Majesteit’, gebiedt keizerin Zita dan het personeel.
Verder staat hij die dag alleen met zijn verdriet. ‘De keizerin? Nee, ze heeft geen tijd voor me gehad. Wanneer je vader koning is, je moeder koningin, schiet er voor de kinderen helaas weinig tijd over. Ook hier geldt dat het er van buitenaf anders uitziet dan wanneer je het zelf meemaakt.’
Hij gaat sociale en politieke wetenschappen studeren in Leuven. Werkt aan z’n promotie in Berlijn. Ontwijkt de hofmakerij van Hitler, die hem steeds maar op de thee uitnodigt. ‘Anders dan velen had ik Mein Kampf gelezen. Kun je je voorstellen wat Hitler met een foto van een privé-treffen met mij zou doen?’ Op 30 januari 1933, de dag dat Hitler de macht grijpt, vertrekt Otto uit Duitsland. Een tijdje werkt hij als oorlogsverslaggever aan het front in Spanje. In Oostenrijk groeit intussen een monarchistische beweging, maar het ‘Unser Motto – Kaiser Otto’ legt het spoedig af tegen de roep van de Anschluss. ‘Het vaderland is in gevaar’, stelt Otto en in een parmantige poging het tij nog te keren, vordert hij per brief bondskanselier Schuschnigg hem het kanselierschap per omgaande over te dragen. Hitlers wraak is zoet. Onder de codenaam ‘Operatie Otto’ marcheren de Duitse troepen een maand later triomfantelijk Oostenrijk in. Otto wordt bij verstek als landverrader ter dood veroordeeld. Maar hij zit dan al in de Verenigde Staten, waar hij vriendschap met Roosevelt heeft gesloten.

‘FROM STETTIN in the Baltic to Trieste in the Adriatic an iron curtain has descended across the Continent. Behind that line lie all the capitals of the ancient states of Central and Eastern Europe. Warsaw, Berlin, Prague, Vienna, Budapest, Belgrade…’
Stettin, stad van het Heilige Roomse Rijk waarover de Habsburgers in de Middeleeuwen regeerden; Triëst, persoonlijk Habsburgs bezit. Praag en Boedapest, waar ze koningen waren, zoals keizer in Wenen en vojvode in Belgrado; de Heer van Triëst, zoals een van Otto’s vele titels luidt, heeft zich nooit bij Jalta neergelegd. Of überhaupt bij grenzen. ‘Grenzen zijn er om opgeheven te worden.’
Hij sluit zich aan bij de Pan-Europese Unie. Stelt zich later verkiesbaar voor het Europees Parlement voor de Duitse CSU. Voert campagne in achterafzaaltjes met vijf, zes mensen. ‘Gott sei Dank, das Heilige Römische Reich ist wieder zurück’, grapt partijleider Franz Josef Strauss wanneer Otto in Straatsburg opduikt.

GLIMLACHT. ‘Ten diepste is het Heilige Roomse Rijk nooit weg geweest. Onder de oppervlakte is het altijd nog aanwezig. Wat in de bodem is gezaaid, komt ooit weer op, wanneer het zaad in goede bodem valt. Vanuit Bourgondië, het vroegmiddeleeuwse Regnum Arelatense, is de idee van Europa noordwaarts gereisd; langs de Rhône en de Loire, via de rivieren, die snelwegen van beschaving, door de Nederlanden naar Duitsland en Midden-Europa. Het Latijnse element, erfgenaam van het Romeinse Rijk, vermengt zich met het Germaanse en het Slavische. Vergeef me, ik zwets te veel…
En toch: nationale grenzen hebben die oude Europese notie nooit helemaal verdrongen. Kort voor de Tweede Wereldoorlog stond ik met mijn oom Sixtus van Bourbon-Parma op een stralende dag op een heuveltop bij Valence. Voor ons de Auvergne. Onder ons de Rhône. Heel in de verte de Alpen. Een bergboer komt van zijn veld en zoals dat in gesprekken met boeren gaat, spraken we eerst over de familie en toen over ’t weer. “’t Zal niet lang zo mooi meer blijven”, zegt de boer, naar het zuidwesten blikkend: “Het regent al in het Rijk.” Een rijk dat toen al duizend jaar verdwenen was.’

MR. EUROPE was zijn bijnaam in het Europees Parlement. Eigenlijk is het hele idee van nationale staten een negentiende-eeuwse anomalie, vindt hij: ‘Een fase die we godzijdank nu weer achter ons gelaten hebben. Ik ben als kleine jongen opgegroeid in de Dubbelmonarchie die sowieso een veelvolkerenstaat was. Ik denk in termen van volkeren, niet van staten. En ook de joden en de Bosnische en Albanese moslims zijn een integraal deel van de Europese cultuur. Dat is geen internationalisme, maar supranationaal. De fout van vandaag zijn de verschillende extremistische en nationalistische bewegingen die allemaal hun oude concepten verdedigen. Op de keper beschouwd zijn die reactionair. Inderdaad, zoals je zegt: door mijn afkomst, in zekere zin, bén ik Europa. Ik onderteken met Otto von Habsburg-Lothringen. Lotharingen is Frans en al lang niet meer bij ons, maar ik voel me er nog steeds sterk mee verbonden.
Maar Europa zijn we allemaal, wij allen maken er deel van uit. De Europese Unie is pas rond als álle Europeanen erin verenigd zijn. Een uitbreidingsstop is absurd en staat volledig haaks op de Europese geest. Er is een recht op Europa!’
Zelf had hij voor de val van de Muur op de Europese gedachte alvast een voorschot genomen. Zijn goede Hongaarse contacten benuttend, organiseerde hij in 1989 op de Oostenrijks-Hongaarse grens een ‘Pan-Europese picknick’. 661 DDR-burgers grepen hun kans toen dochter Walburga persoonlijk het prikkeldraad doorknipte en vluchtten naar het Westen. Erich Honecker sprak van een CIA-Habsburgse samenzwering. Luttele weken later viel het IJzeren Gordijn.

KROATIË, Kosovo, Albanië en Macedonië moeten wat hem betreft vandaag in de EU: ‘En zonder Oekraïne, Georgië en Armenië is Europa niet compleet.’
Wie van pakweg Praag naar Wit-Rusland rijdt, ziet steeds dezelfde dorpen, dezelfde daken, dezelfde lintbebouwing…
‘Ja, das sind wir! Nog steeds! Daar is men thuis.’
‘Europa houdt op waar Rusland begint.’ En dus doen delegaties Kosovo-Albanezen en Kaukasusbewoners, soms openlijk, soms heimelijk, het pittoreske Pöcking aan.

TURKIJE heeft een eigen rol, vindt hij. Buiten de EU. Ieder het zijne. ‘Zij hebben ons nodig en wij hen. Turkije heeft in het Midden-Oosten de uitstraling die Oostenrijk-Hongarije nog altijd heeft op de Balkan. In mijn reizen naar het Irak van voor Saddam Hoessein heb ik gezien hoezeer men daar nog steeds op Ankara en Istanbul getuned is. Dat geldt ook voor Afghanistan; in de tijd dat de Turken daar het opperbevel hadden, was het er relatief rustig. Op de dag van de Amerikaanse invasie in Irak heeft president Bush gezegd dat Turkije er niets mee te maken had en dat hij de Turken daar niet gebruiken kon. Op dat moment was me duidelijk dat Bush daarmee de oorlog had verloren. En zo is het gegaan. Wanneer we wereldvrede willen hebben, doen we er verstandig aan Turkije als het graviterende middelpunt te behouden. Dat zal niet gaan wanneer het land EU-lid is. Ik zou Turkije aanraden – ik weet dat ze dat niet graag horen – de oude wegen van het Osmaanse rijk te gaan en daarop in te zetten. Dat betekent: de grote culturele verbindingen hernieuwen. Turkije kan de integrerende kracht van de islam zijn.’
OOK HET OTTOMAANSE rijk is nooit echt weg geweest. Hij denkt in grote rijksverbanden, Kulturräume. De universele idee van Keizerschap en Veelvolkerenstaat.
‘Of noem het hedendaagse keizerrijk voor mijn part Europese Unie. De soevereiniteit zit in de mensen zelf. Iedere Hollander heeft iets geërfd van die grandioze cultureel hoogstaande Nederlanden. De autonomie, de onafhankelijkheidszin. Dat krijg je mee, dat zit er in. ’t Is fascinerend om dat te zien.
In het Habsburgse staatsmodel stond het principe van de subsidiariteit vanouds centraal: dat betekent dat een grotere eenheid nimmer mag doen wat door een kleinere eenheid afdoende geregeld kan worden. Wat van onderop ontstaat, functioneert doorgaans beter dan wat van boven wordt afgedwongen. Als je vandaag de dag door Hongarije rijdt, kom je door Kroatische dorpen, Sloveense dorpen, Slowaakse dorpen en naast Hongaars spreekt ieder zijn eigen taal. Dat is overigens iets anders dan “de multiculturele samenleving”; die wordt van bovenaf opgedrongen. Wat wordt afgedwongen, is zelden duurzaam.
De Bourgondische Nederlanden hadden hun eigen Staten-Generaal en Rekenkamers, in Brussel en Den Haag et cetera. Een bottom-up-model. Hoe meer eigenheid men heeft, hoe rijker men is. Gelijkmakers als Hitler hebben hard geprobeerd die rijkdom te vernietigen.’
Hoe zit dat met de brandstapels van uw betovergrootvader Karel V?
‘Iedere regering moet je beoordelen in het licht van de machtsverhoudingen van die tijd. De geschiedenis had er zonder twijfel anders uitgezien als Karel zijn aanvankelijke politiek van godsdiensttolerantie had kunnen doorvoeren. Er was grote druk van Rome. Karel kon in zijn eigen regering zijn wil niet doordrukken tegenover hardliners als Alva. Het zijn in ’t leven de niet-fanatici die het het moeilijkst hebben, niet de mannen van de klare korte oneliners, die echter niet kloppen.’
Philips de Tweede was een fanaticus.
‘Was-ie. De geschiedenis zit vol met interessante figuren, ha ha.’
We hebben ’m eruit gegooid.
‘Er zijn fouten aan beide kanten gemaakt.’
Het gaat niet om goed of fout.
‘We hadden de hertog van Alva er niet op af moeten sturen.’ (grinnikt)

‘NEE, we hebben nooit een koning-playboy gehad, goddank! En ook geen echte dictators. Habsburgers glijden mee met de geschiedenis. Drijven op de stroom. Daarom spreken ze wellicht minder tot de verbeelding dan Draufgänger als Napoleon. Het is als met die foute bisschoppen van de laatste weken: men spreekt nu eenmaal ’t liefst over de narren. Het wellicht wat saaie imago heeft er ook mee te maken dat in onze familie je van kindsbeen af wordt ingeprent dat je een verplichting hebt tegenover God. Ikzelf zie het Heilige Roomse Rijk absoluut als heilig. Niet zozeer als heilig recht, maar heilig in de zin van: verplichting, roeping, ideaal. Met het besef dat je als feilbaar mens zo goed als het gaat een taak hebt te vervullen. De rol van de vorst? Keizer Franz-Joseph heeft eens gezegd: “Heel simpel – mijn volkeren tegen hun regeringen beschermen.” Een intelligente taakopvatting! Nationale regeringen maken er vaak een puinhoop van. Een intelligente taakopvatting en precies de rol die het Europees Parlement vandaag vervult.’
Het Heilige Roomse Rijk via de achterdeur weer terug in Brussel?
‘Precies!’

‘NEE, HIJ HOEFT dus niet zo nodig een kroon op de kop’, zeggen vrienden. Toch heeft Otto nooit écht afstand gedaan van zijn rechten op de troon. In 1961 ondertekende hij tandenknarsend een Verzichtserklärung teneinde Oostenrijk weer binnen te kunnen reizen om campagne te voeren voor Europa. Veel waarde lijkt hij niet te hechten aan deze, wat vaag geformuleerde, troonsafstand: ‘Alsjeblieft! Ik heb dat formuliertje getekend omdat het onrealistisch was ’t niet te doen. Het gaat mij niet om woorden, het gaat me om het Idee. En het Idee leeft weer!’
U wilt tóch weer keizer worden?
‘Doen we dat niet te vaak, etiketten plakken? Het keizerschap is heel wat anders. Het is een gevoel van verplichting. Een verplichting naar zijn omgeving heeft een boer precies zo als een heerser.’
Dat was de vraag niet. Uw vader droeg wel degelijk een kroon. Kun je van een verplichting afstand doen?
‘Niet wanneer het een stuk van iemands leven is. Van het leven kan men nimmer afstand doen.’

DE KROON als recht en roeping. Hij is de enige ter wereld die zonder afspraak kan binnenlopen bij de paus. Volgens sommigen, vooral in de Landen van de Heilige Stefanskroon – Hongarije, Kroatië, Transsylvanië, de Karpaten – is hij nog steeds de hoogste wereldlijke macht op aard’, de Apostolische Majesteit. ‘Er zijn er nog enkelen die me zo noemen, ja. Er is zoiets als de Mystiek van de Heilige Kroon. De duizend jaar oude Stefanskroon van Hongarije, die mijn vader op de foto draagt, wordt gezien als méér dan een symbool. Die kroon heeft een mythisch-religieuze component. Je moet niet vergeten: de Hongaren komen uit het Verre Oosten en brengen een bepaald soort Aziatisch denken mee, dat voor ons allen heel gezond is, maar dat voor velen die alleen westers denken slechts moeilijk te begrijpen is. Voor een Hongaar is de kroon, heel fysiek, de enige realiteit. Ten eerste vanuit de geschiedenis, ten tweede omdat de kroon door een Aziatische mystiek omgeven is. Dat betekent: hij is de waardevolste relikwie die Hongarije bezit. Na de Tweede Wereldoorlog werd de door de nazi’s gestolen kroon door Amerikaanse troepen gevonden en naar de VS gebracht. We hebben daar toen een groepje gevormd om te zorgen dat de Heilige Kroon beschermd werd en niet zomaar wat rondslingerde. Dat heeft een tijdje zo gefunctioneerd, totdat ik erachter kwam dat de Amerikanen tijdens drinkgelagen deze reliek van de geschiedenis op ordinaire en schandelijke wijze behandelden. Ik wil daar niet over uitweiden, want het zou iedere Hongaar nu nog emotioneel maken. De ergste communist in Hongarije zou respectvoller zijn. Ik probeerde de kroon te beschermen en ben dus direct naar de andere kant gegaan en heb, tot woede van de anticommunistische oppositie, doorgezet. Sinds 1978 is de kroon weer in Hongarije, waar hij nu, met een eigen lijfwacht, staat opgesteld in het parlement. De kroon, zoals ze gedacht is, is het werkelijke staatshoofd en de heerser is de dienaar van dit staatshoofd. In de tijd dat er nog geen grondwetten waren, was de kroon de grondwet. Je kunt de innerlijke waarde die dit voorwerp representeert eigenlijk alleen begrijpen als je het testament van de Heilige Stefan leest; het is de beste grondwet die ik ooit gelezen heb! Wat minderheidsrechten betreft enzovoort oneindig veel democratischer dan heel het papieren circus dat we tegenwoordig hebben… pfff!’

GELOOFT u nou wel of niet in een erfelijke dynastie?
‘Dat kan ik niet zo patsboem zeggen. Ik ben monarchist noch republikein. Ik ben voor een legitiem regime. Het zou even absurd zijn om in Spanje de republiek te proclameren als grotesk om in Zwitserland de monarchie uit te roepen. Een kroon is een verplichting. Je bent een vrij mens; je kunt ’m ook naast je neerleggen, zoals de Duke of Windsor of zo. Maar ik, Otto, vind dat ik linksom of rechtsom idealen moet vertegenwoordigen die eeuwige idealen zijn. Zo ben ik opgevoed. Er is die religieuze component: het leven is er niet om zich te amuseren en om zijn eigen trom te roeren. Dat alles betekent voor mij persoonlijk onnoemlijk veel.’
U neemt het woord ‘Keizer’ niet graag in de mond…
‘Nee! Men moet geen woorden claimen. Men moet gedáchten claimen. Ook wanneer een gedachte nog helemaal geen uitdrukking kent.’
De Keizerskroon als transcendente Europese metafoor, zoiets. Maar toen broer Felix, die nimmer een Verzichtserklärung tekende, niet zo heel lang geleden het land probeerde binnen te glippen, reageerde Oostenrijk minder metafysisch en waarschuwde dat hij een volgende keer gearresteerd zou worden. ‘We hebben geen begrip voor lieden die overduidelijk nog steeds geloven in het goddelijk recht van vorsten en de legitimiteit van de republiek dus niet erkennen.’ En nog steeds bepaalt de Oostenrijkse grondwet dat drie categorieën mensen niet in aanmerking komen voor de functie van bondspresident: dronkaards, beroepsmisdadigers en Habsburgers.
‘Het is wat cru geformuleerd. Aber den Kaiser bringt man gerne um.’

MET RECHT en reden, vinden sommigen. Zijn constatering dat ‘in het Pentagon de sleutelposities worden bezet door joden en op het State Department door zwarten en de blanke Amerikanen een relatief kleine rol spelen’, ontlokt een storm van protest. Hij springt voor het omstreden rechts-nationalistische weekblad Junge Freiheit in de bres. En blijft proberen de Europese grondwet op het godsbegrip te schragen. Maar zijn beste vrienden zijn joods, hij is erg gesteld op Colin Powell, heeft zijn leven lang gestreden voor persvrijheid en ziet God – ‘en niet alleen de katholieke’ – als een gegeven. Hij is graag een rebel. ‘Politieke correctheid is de grootste onzin die er is. Omdat het altijd betekent dat de visie van de machthebbers de juiste is en al het andere niet.’

OPZIEN baart hij wanneer hij bij het pausbezoek aan het Europees Parlement in 1988 met collega Ian Paisley op de vuist gaat. ‘I renounce you as the Antichrist!’ riep de Ierse dominee de Heilige Vader toe. ‘We hadden van tevoren afgesproken: we moeten rustig blijven hoezeer hij zich ook opwindt. Dat heb ik eenvoudigweg niet uitgehouden.’ Hij grinnikt. ‘Het is een beer van een vent, maar wij waren met z’n vijven. En we waren boos. Een paar minuten; ik houd het nooit lang vol om boos te zijn. We hebben na afloop ontzettend gelachen… Weet je; Paisley is geen slecht mens, hij is een ouwe fanaticus. We hebben tegenwoordig een vriendschappelijke verhouding. De man heeft persoonlijkheid. Hij gelooft ergens in. Ik geloof vanzelfsprekend niet waar Paisley in gelooft, maar hij treedt voor zijn overtuiging in het krijt en dat respecteer ik. Ik heb een stellige voorkeur voor persoonlijkheden.’
Een parlementslid van de ÖVP dat heimelijk naar Pöcking kwam om Otto teruggave van geconfisqueerd vermogen aan te bieden als hij ervan zou afzien Oostenrijk binnen te reizen, kon op beduidend minder genade rekenen. Glunderend: ‘Die heb ik er persoonlijk uitgesmeten. Letterlijk. Het ergert me wanneer iemand me probeert om te kopen. Het was chantage en een voorstel tot prostitutie. Dus: hoppa! Nee, nee; geen moment spijt van. Ik heb er erg veel pret om gehad.’

DIT JAAR wordt-ie 97. Het Project Europa lijkt goeddeels geslaagd. Als journalist, historica, beeldhouwster, ambassadeur, parlementslid, wonen en werken de zeven kinderen in Tbilisi, Stockholm, Madrid, München, New York en Boedapest. Jongste zoon Georg komt binnenkort voor Hongarije in het Europees Parlement. Troonopvolger Karl behartigt in Den Haag de belangen van Inuit, Aboriginals en Tibetanen in de UNPO. Ze zijn er nog helemaal, de Habsburgers, en timmeren aan de weg.
‘Als kind werd ik het Stehaufmännchen genoemd. Wanneer ik me pijn gedaan had direct weer verder, ’n duikelaartje. Het gaat er niet om hoe vaak je op je neus valt, maar hoe vaak je opstaat.’ In het Hofburg Museum, intussen, behoort de fonkelende Rijkskroon niet Oostenrijk, alleen zichzelf. Tijdelijk te gast in de Donaurepubliek, zoals het officieel heet. ‘Totdat er opnieuw een Keizer is van het Heilige Roomse Rijk.’