Interview Robert Lemm, gelovig intellectueel

«De kerk durft zichzelf niet meer te zijn»

Hispanist Robert Lemm heeft als gelovige intellectueel een en ander op te merken over religie en maatschappij. Zo vindt hij katholieken «wereldvreemde angsthazen die zich schamen voor hun geloof» en noemt hij intellectuelen «veelal vals».

Als we een afspraak maken voor het interview vertelt Robert Lemm dat hij weliswaar aan de Weesperzijde woont, maar niet aan de Amstel. Voorbij het Amstelstation moet de bezoeker de hoek om, want Lemm woont aan het deel dat gelegen is aan de Weespertrekvaart, in een buurtje dat in de loop van de vorige eeuw werd opgeslokt door de grote stad. Eigenlijk wel een toepasselijk adres voor Lemm, een veelvuldig gelauwerd vertaler van Spaanstalige literatuur maar tevens iemand wiens opvattingen volgens veel mensen «niet van deze tijd» zijn, iemand die om de hoek van de Zeitgeist leeft.

Zo verscheen onlangs zijn vertaling van Joseph de Maistres Les soires de Saint-Pétersbourg (1821), met een voorwoord waaruit blijkt dat Lemm een grote sympathie koestert voor deze felle opponent van de Verlichting en de Franse Revolutie, wiens boek opent met een loflied op de beul.

Als redacteur van de door Aspekt uitgegeven Maatstaf-reeks, waarin sleutelteksten van het conservatisme verschijnen, bezorgde Lemm vorig jaar een uitgave van de ultra katholieke, reactionaire Spaanse politicus-filosoof Juan Donoso Cortés. Eveneens vorig jaar verscheen zijn boek Vloekgezant, waarin hij de Franse katholieke schrijver en polemist Léon Bloy (1846-1917) presenteert als een cultuurcriticus die minstens even onverzoenlijk is als Nietzsche, zonder in diens nihilisme te vervallen.

Onlangs publiceerde hij een boek over de 56 Maria-verschijningen die tussen 1945 en 1959 in Amsterdam plaatsvonden, en een essaybundel met als titel De teloorgang van het geweten. De ondertitel hiervan maakt Lemms positie duidelijk: Kanttekeningen bij de geest van de tijd.

In de jaren zestig studeerde Lemm (1945) Spaans in Amsterdam, Barcelona, New York en Bogotá. Het was de tijd dat «iedereen» links was. Er ontstond een grote belangstelling voor Latijns-Amerikaanse literatuur, onder meer omdat er op dat continent sprake leek te zijn van een revolutionaire ontwikkeling. Lemm vertaalde de memoires van de in linkse kringen bijzonder populaire Pablo Neruda. Ook schreef hij begin jaren zeventig Bloedjas, een boek over negentiende-eeuwse Latijns-Amerikaanse dictators.

Zo op het eerste gezicht leek Lemm in deze jaren nog wel aansluiting bij de tijdgeest te vinden, maar volgens hem berust dit op een misverstand. Robert Lemm: «Er was inderdaad in die tijd grote bewondering voor Latijns-Amerikaanse helden als Che Guevara en Fidel Castro, en voor schrijvers als Márquez. Ik sympathiseerde daar helemaal niet mee. Ik interesseerde me met name voor iemand als Borges, en dat is me in die tijd ontzettend kwalijk genomen. Dezelfde mensen die mij toen verweten een fascist te zijn — want Borges was in hun ogen fout — die dwepen nu met Borges. Als je toen koos voor Borges en andere grote auteurs die niet aan de kant van de sociale revolutie stonden, had je geen leven. Ik doceerde aan de Universiteit van Amsterdam, maar kreeg geen vaste aanstelling. In dat kleine vakgebiedje kon je geen kant op.»

Als ik hem wijs op het feit dat hij wel Neruda’s Ik beken ik heb geleefd heeft vertaald, reageert hij met een besmuikt lachje. «Dat is het enige boek dat ik heb vertaald waarbij ik tijdens het vertalen een enorme weerzin kreeg tegen de auteur ervan. Ik moet bekennen: Neruda heeft een groot retorisch vermogen dat erg verleidelijk is. Maar het is een lichaam zonder ziel, het is een man met veel woorden, maar achter die woorden staat niets. Eigenlijk is dit het enige boek waarvan ik spijt heb dat ik het heb vertaald. Ook politiek deugde hij niet. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog, toen hij de Chileense ambassadeur in Madrid was, stond hij op de loonlijst van de Russische geheime dienst en nog in de jaren zestig verheerlijkte hij Stalin.»

Ook het boek over de Latijns-Amerikaanse dictators was niet een vlammende aanklacht waarmee Lemm zich schaarde aan de zijde van mensen die protesteerden tegen de staatsgreep van Pinochet of het Argentijnse Videla-regime. Lemm: «Er verschenen in die tijd veel romans over die dictators. Dat waren erg literaire boeken, maar als je je in de feiten verdiepte, dan bleek de werkelijkheid veel fantastischer dan de fictie. Geconfronteerd met de werkelijkheid verbleekten die romans. Vooral die van Márquez, De herfst van de patriarch, was ronduit waardeloos. Het beste was nog van Alejo Carpentier, De methode.

Ik begon steeds meer biografieën en historische studies te lezen en raakte gefascineerd door die mannen. Nadat het Spaanse bestuur was verdwenen waren het de hoge ambtenaren die de onafhankelijkheid wilden. Dat is altijd zo, dat zag je ook in Suriname. Dat is altijd hetzelfde model. Maar het gewone volk, de half-indiaanse half-negroïde bevolking, had veel liever de koning van Spanje; het wilde niets met die plaatselijke elite te maken hebben.

De dictators kwamen aan de macht als spreekbuis van het volk, tegen die verlichte elite die de Amerikaanse grondwet wilde imiteren en een democratie wilde invoeren. Ze zeiden in feite: deze mensen zijn nog kinderen, ze hebben een leider nodig, geen verkiezingen. Een grondwet was een stuk papier, de dictator gaf gewoon leiding. Deze dictators belichaamden inderdaad het volkse element, tegen het intellect dat liberale ideeën wilde introduceren.»

Lemm kan wel begrip opbrengen voor die dictators aangezien ook hij een broertje dood heeft aan de liberale elite: «Ik houd niet zo van intellectuelen omdat ze veelal vals zijn. Toen ik eraan begon dacht ik: wat een bizarre figuren zijn dat, maar later begon ik ze wel te begrijpen.

Ik ben nu met een boekje over Napoleon bezig, daar zie je hetzelfde. Napoleon had een verschrikkelijke hekel aan intellectuelen. Toen hij op een receptie eens werd voorgesteld aan de beroemde geleerde Alexander von Humboldt, en deze mededeelde dat hij botanist was, zei Napoleon «dat doet mijn vrouw ook», en draaide zich om. Zulke figuren fascineren mij. Pure mannelijke kracht, dat bewonder ik wel. Er zitten natuurlijk gevaarlijke kanten aan, maar ik vind ze veel leuker dan die vervelende intellectuelen.

Het zal u waarschijnlijk ook niet verbazen dat ik een groot bewonderaar van Pim For tuyn ben. Die bezat die kracht ook. Qua taal, qua inhoud stond deze man zo ver boven het gemiddelde. Natuurlijk is hij vermoord! Dat is toch logisch. Zo iemand laat je toch niet leven. De dader verdient een standbeeld. Die heeft Nederland namelijk verlost van een monster. Nederland is tenminste een verlicht land. In België, Oostenrijk en Frankrijk laten ze dergelijke monsters vrij rond lopen. Nederland niet. Wij zijn verlicht, wij maken een eind aan dit soort mensen. Er is geen veiliger land voor de dieren en de zwakken dan Nederland.»

De in een katholiek gezin opgegroeide Lemm raakte zoals zoveel adolescenten het geloof kwijt, tot hij in 1975 in New York op 14th Street een klein kerkje ontdekte waar hij het geloof hervond. Hoewel hij inmiddels meer dan een kwart eeuw een trouw lidmaat van de rooms-katholieke kerk is, heeft hij erg veel kritiek op de moederkerk.

In zijn drie jaar geleden verschenen boekje De kruisgang van het christendom trekt hij fel van leer tegen de slappe houding van de katholieke kerk. In plaats van vierkant stelling te nemen en onverzoenlijk strijd te voeren tegen rationalisme, materialisme, atheïsme, individualisme en democratie, heeft de kerk zich proberen aan te passen aan de moderne tijd, meent Lemm. Zij heeft de ene concessie na de andere aan de Verlichting gedaan, en neemt hierdoor zichzelf, en God, niet meer serieus.

Vandaar dat Lemm zich zo aangetrokken voelt tot intransigente denkers als De Maistre en Donoso Cortés, die de suprematie van de kerk boven de staat bepleiten. Lemm: «Dat is toch het mooie van de katholieke kerk, dat ze in beginsel boven de staten staat. Protestante kerken zijn nationale kerken, net als de Russisch-orthodoxe kerken. Daar heb je dus niets aan, want dat zijn de slavinnen van de staat. Nee, de kerk moet volkomen onafhankelijk zijn. Ultramontaans, over de bergen. Als bijvoorbeeld de Ieren worden onderdrukt door Londen, dan kunnen ze een beroep doen op Rome. Als wij worden onderdrukt door de Nederlandse staat, dan kunnen wij vragen: Rome help ons.

Helaas werkt het niet meer zo. De kerk is niet meer zelfbewust, niet meer trots. Ze heeft zich de liberale kritiek aangetrokken. In 2000 heeft de paus het mea culpa uitgesproken voor de inquisitie. Dat is gewoon stom, de kruistochten waren heel goed. Die waren bedoeld om de islam tegen te houden.

Ach, er zijn natuurlijk excessen geweest, maar die heb je in elke oorlog. En de inquisitie heeft ook fouten gemaakt, maar het beeld dat daarvan bestaat klopt helemaal niet met de feiten. Ik heb boeken geschreven over de Spaanse inquisitie en over de Spaanse verovering van Zuid-Amerika, waarin ik aantoon dat al die gruwelverhalen zwaar overtrokken zijn.

Bij de linkse intelligentsia hoef je daar niet mee aan te komen, maar ook de kerk wil het helemaal niet horen. In plaats van trots te zijn op de mensen die voor haar hebben gebloed, schaamt de kerk zich. De kerk durft zichzelf niet meer te zijn en katholieken zijn wereldvreemde angsthazen die zich schamen voor hun geloof.»

In zijn pleidooi voor een radicaal, zelfbewust katholicisme lijkt Lemm eerder verwant aan fundamentalistische moslims dan aan moderne, vrijzinnige katholieken. Lemm: «Nou, ik moet zeggen, er zijn bepaalde trekken in de islam die ik voorbeeldig vind, die als spiegel kunnen dienen voor ons. Ze zijn bijvoorbeeld heel trouw in het gebed, ze hebben een grote eerbied voor God, ze zullen niet gauw vloeken. Ze zullen allerlei ruwe woorden gebruiken maar ze zullen nooit gvd zeggen, dat begrijpen ze niet, dat je zoiets kunt zeggen. Ze hebben ook een zekere sociale cohesie waar ik jaloers op ben. Maar wat me eraan tegenstaat, is dat het natuurlijk toch een slavengeloof is. Want hun Allah mag dan in wezen wellicht Jehova zijn, maar het gaat om hun beleving ervan. Wij hebben als christenen van God individuele vrijheid gekregen, wij zeggen niet voortdurend «dat is de wil van God». Nee, wij moeten zelf actie ondernemen, wij hebben een vrije wil, en God werkt door mensen. En dat vind ik in de islam heel erg onderontwikkeld. Dat is het belangrijkste verschil. De islam geeft veel minder vrijheid aan het individu dan het christendom.»

Als gelovige is Lemm niet alleen een vreemde eend in de intellectuele bijt — ondanks het feit dat hij bijna twintig boeken heeft geschreven krijgt hij bij elke subsidieaanvraag nul op het rekest. Als intellectueel neemt hij in de kerk een volstrekt marginale positie in. «De verzwakte, folkloristisch geworden kerk wil niets weten van de handvol intellectuelen die ze nog heeft. De kerk wantrouwt het intellect.»

Tegelijkertijd moeten de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders weinig hebben van de uiterst devote gelovigen die vragen om glasheldere standpunten en duidelijke leiding. Evenmin weet men goed raad met de beweging die binnen de kerk ijvert voor een grotere rol voor de Maria-devotie.

Lemms laatste boek, De Vrouwe van alle volkeren, gaat om deze strijd voor erkenning van Maria als «Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster». Hoewel de Haarlemse bisschop Punt de Maria-verschijningen in Amsterdam heeft erkend, lijkt het Vaticaan voorlopig nog niet van plan dit vijfde Maria-dogma af te kondigen.

Lemm: «Ze zijn er bang voor. Maar Maria is toch niet voor niets in Amsterdam verschenen, en nog wel in 1945? Honderdduizend joden zijn weggehaald, en als je naar het schilderij kijkt… ik heb nog nooit zo’n joodse Maria gezien. Een pure jodin! Je kunt het zien. Het mooie vind ik dat, doordat ze zich Vrouwe van alle volkeren noemt, ook de moeder wil zijn van de moslims. Als Vrouwe van alle volkeren is haar geheime agenda de bekering van de islam. Dat kan zij alleen. Want ze is natuurlijk niet voor niets in Fátima verschenen. Dat heeft ze uitgekozen, kom nou. Ze had in ieder Portugees dorpje kunnen verschijnen, maar ze koos Fátima, dat is immers de dochter van Mohammed. Ze wil via de mohammedaanse vrouwen de islam weer tot de waarheid brengen. Dat is het grootse van Amsterdam. Amsterdam is belangrijker dan Lourdes en Fátima en alle andere Maria-oorden.»

Dat de paus het Maria-dogma niet durft af te kondigen wordt wellicht veroorzaakt door het feit dat diens positie volledig is uitgehold. Het door Lemm zo gewenste primaat van de kerk en het oppergezag van de paus zijn ver te zoeken. Als bewonderaar van sterke leiders moet Lemm zich in onze samenleving wel erg ongelukkig voelen. Lemm: «De democratie is het systeem van de geïnstitutionaliseerde afgunst. De Maistre heeft terecht Rousseau aan de kaak gesteld als de vader van het ressentiment. Hij preekte alleen de gelijkheid omdat hij zelf niet tot de adel behoorde. Dat ressentiment heeft de democratie voortgebracht. Dan krijg je het idee dat iedereen gelijk is. Maar dat is natuurlijk niet zo, we zijn niet gelijk. De meeste mensen die in mijn straat leven hebben nog nooit een krant gelezen, die hebben nog nooit ergens over nagedacht, en die hebben toch evenveel stemrecht als ik. Dat vind ik verkeerd!

Daarom bewonderde ik Pim Fortuyn, die was duidelijk géén democraat. Die zei, laat mij het nu maar eens doen, geef mij maar carte blanche, laat mij het maar doen. Nou, zou mooi geweest zijn. Die democratie hebben we nu lang genoeg gehad.»

Dat het betitelen van Fortuyn als «anti democraat» door de meeste aanhangers werd gezien als «demoniseren», maakt op Lemm weinig indruk. «Nou, hij wás dus geen democraat. Maar hij kwam wel op voor hard werkende mensen die het niet breed hebben, maar die te lijden hebben van de kneuzen in de maatschappij, zoals de drugsverslaafden, die heel erg beschermd worden door linkse partijen.

Dat Fortuyn geen democraat was, daar bewonderde ik hem juist om. Ik dacht bij mezelf: zeg het nou maar gewoon. Jij bent het niet, en dat pleit in je voordeel. Maar ja, zover is het niet gekomen. Ik zie zijn dood ook als een tragedie, die zo moest zijn. Het was een eer, de eer van de kogel! Deze dood is voor hem uitgekozen en daarom zit hij nu in de hemel want iemand die op zo’n manier aan zijn eind komt, die wordt alles vergeven. Dus al dat vervelende moralistische gezeur, over die dark rooms en dergelijke, slaat nergens op. Als je zo sterft ga je meteen naar de hemel.»