De kern van de zaak

Vorig jaar stierf de Israelisch-Franse kunstenaar Absalon, 29 jaar jong. Te vroeg, denk je onmiddellijk. Toch kan wie het oeuvre beziet, zich nauwelijks voorstellen dat Absalon nog krachtiger, nog preciezer had kunnen worden.

Het is een zedeloze gedachte, maar wie in zijn leven zo snel tot de kern van de zaak komt, bedreigt daarmee zichzelf. Figuurlijk gesproken, uiteraard. Als alles al af is, tot de essentie herleid, tot op het bot onderzocht, als alles begrepen en beoordeeld is, wat doet dan pakweg het jaar 2034 er nog toe?
Voorgaande betreft hopeloze onzin voor wie kunstenaarschap en persoonlijk leven wenst te scheiden. Maar alweer: voor wie de kern van de zaak zo snel bereikt, kunnen leven en werk niet anders dan hetzelfde zijn. De kern van de zaak ligt altijd buiten kantoortijd. De dood ook.
In De Appel, sinds kort in een nieuwe behuizing, is tot en met 8 mei een aantal werken van Absalon opgesteld. De ruimten worden er nog witter van dan ze al waren. Op het eerste gezicht lijken de werken oefeningen in sensorische deprivatie, zoals dat heet. Toch heeft de videoinstallatie bij de ingang al duidelijk gemaakt dat je hier niet weer eens teruggeworpen zult worden op jezelf. De eindeloze beeldsequentie, getiteld Bataille (1993), laat de kunstenaar zien in een gevecht met niet zichtbare tegenstanders. Uitzinnig van woede slaat hij om zich heen. De leegte loopt talloze klappen op. De kale ruimte wordt gevuld met uppercuts en rechtse hoeken. De boodschap is agressief.
Hoe sereen de dan volgende opstelling van de kunstwerken ook lijkt, bijkomen doe je als toeschouwer niet meer. Je kunt nu eenmaal niet tegelijkertijd aan essenties raken en vakantie opnemen. Absalon toont geen weetjes, maar wijsheden van alle tijden, geopenbaard aan sommigen. Natuurlijk, men kan ergens kwaad om zijn. Dat gaat wel weer over. Maar men kan ook in een staat van woede geraken die onherroepelijk is: wanneer men gaat beseffen dat de grondprincipes van het bestaan tegenvallen. Wie eenmaal zover is voelt weinig meer voor een potje biljarten in het Cafe des Arts.
De werken van Absalon zijn het absolute tegendeel van gezellig. Kloostercellen maakt hij, Wohnungen fu"r das Existenzminimum, waarbij die Existenz als Essenz is opgevat. De in De Appel getoonde Cellule no 1 en Cellule no 6 (beide 1992-1994) zijn niet bepaald huizen van de toekomst, die aantrekkelijke modellen voor een schijnbaar onbekommerde dag van morgen. Zijn minimum is meteen ook een maximum, elk meer is een afleiding van de essentie. In een huis moet je kunnen eten, slapen, baden. Zitten misschien ook nog, en dat is het dan. Absalon heeft die basisfuncties een aantal malen ruimtelijk georganiseerd en zich een leven voorgesteld waarin hij daarmee verder genoegen zou nemen. Een leven van tijdloze ascese der elementaire categorieen.
De kunstenaar heeft ook een aantal proposities aangeboden, bijvoorbeeld in het werk Propositions dobjects quotidienne (1990). De al te menselijke verleiding is groot dit als voorstellen op te vatten, maar veeleer is hier sprake van de vooronderstellingen van Absalon. Zijn leer behoeft, als in een negatieve dialectiek, een omgekeerde verbeelding. De kunstenaar houdt zich daarbij aan zijn eigen Tweede Gebod: gij zult niet afbeelden. De keuze is geenszins vrij.
Een vroege dood wordt steevast tragisch genoemd. Zou het niet kunnen zijn dat het werkelijk tragische van Absalon ligt in zijn vermogen de ultieme waarheden van het bestaan achter elkaar te kunnen plaatsen? En daar vervolgens naar te willen leven? De gewaarwordingen van smaak, tast, reuk, gehoor en gezicht; de universele condities van ruimte en tijd, van wonen en zwerven, de eeuwige wetten der Gestalt - wie de pijlers van het Zijn blootlegt zoals Absalon heeft gedaan, is bij voorbaat klaar met alles. Wie het rafelige weefsel van het leven van alledag, dat doorgaans deze pijlers aan het oog onttrekt, als middelmatig en teleurstellend van de hand wijst, houdt nog slechts de organisatieprincipes over. Die in hun ware gedaante voor je zien, daar word je koud van…