Pater familias: passé defini

De ketenen zijn afgeworpen

De eerbiedwaardige, grijze pater familias die vanuit zijn leunstoel als een vorst regeert over zijn omgeving is in het egalitaire Nederland altijd een zeldzaamheid geweest. De laatste klap kwam in de jaren zestig.

Tussen Jeruzalem en Mekka zijn niet veel bomen te vinden. De natuur is er weinig vrijgevig. Water en dadelpalmen zijn beperkt tot een enkele oase. Wie door het toeval in die contreien ‘in die Welt’ geworpen werd, trok als lid van een nomadenstam van de ene schaarste naar de andere. Het leven was hard, de concurrentie om die enkele bron en dat zeldzame stukje weidegrond meedogenloos. De stammen waren met de natuur en met elkaar in permanent gevecht.

Ze aanbaden goden die rijmden met hun leven: streng, ongenaakbaar, veeleisend. Goden? Nee, er was geen plaats voor een uitgebreide godenfamilie met tal van functies. Er was plaats voor slechts één omnipotente God. Een despoot. Een tiran. Net zo ontzagwekkend als de woestijn, als de kale rotsen, als het uitspansel van gesmolten lood, als de schitterende sterren in het kille nachtelijke firmament. Deze God maakte zijn wil kenbaar in één boek, dat de onveranderlijke waarheid bevatte. De drie godsdiensten die daar ontstonden horen bij elkaar en botsen met elkaar, zoals de nomaden in de woestijn elkaars lot delen, maar elkaar niettemin bestrijden.

De monotheïstische woestijngodsdiensten koesterden het beeld van de vader als hoeder van wet en waarheid. God is de supervader, de mannen op aarde zijn zijn plaatsbekleders en vertegenwoordigers. Zij staan aan de top. Vrouwen en kinderen onderwerpen zich aan de autoriteit van de vader. Aartsvader Abraham strijdt met zijn God als die hem beveelt zijn zoon te offeren. Die zoon wordt dubbel op de proef gesteld, zowel door God als door Abraham. Zal Isaac zijn vader gehoorzamen en zijn hals ontbloten op het altaar? Zal Abraham God gehoorzamen en het mes klaarhouden? Ja hoor, dat doen ze. En dan hoeft het offer opeens niet meer. ‘The readiness is all…’

Het christendom, ontstaan op joods fundament, voegde een machtige zoon toe aan de vader. Dat compliceerde de zaak enigszins, maar de boodschap bleef duidelijk: gehoorzaamheid, deemoed en nederigheid waren de deugden die de mensheid diende te cultiveren. De lijn was verticaal. Onder God als opperwezen werden de paus en zijn priesters met vaderlijk gezag over de gelovige schapen bekleed. Daaronder weer ressorteerde het hoofd van het gezin. De pater familias was ook in het Romeins recht geen onbekende. Hij was het juridische aanspreekpunt en het sociale gezicht van de clan. Vrouwen en slaven waren niet meer dan bezit dat men goed diende te beheren. Dat bracht verantwoordelijkheden met zich mee. In de kerk, in de maatschappij, in het openbaar bestuur waren de vader en een vaderlijke taakopvatting essentieel voor een juiste houding, voor goed leven. De combinatie van de ene God, het ene boek en de verticale gezagsverhouding bleek een vrij stevig fundament te zijn, waarmee erosie door de tijd eeuwenlang werd getrotseerd.

‘Als een goed huisvader’ is tot op de dag van vandaag de mantra waarmee de wet ons beveelt voor zaken te zorgen en op zaken te passen. De vader is gezien die formulering juridisch nog altijd het morele ijkpunt van het gezin en van de maatschappij. Gehuwde vrouwen werden pas in 1956 voor de wet handelingsbekwaam geacht. Voor die tijd sprak haar man voor haar; hij was verantwoordelijk voor haar handelingen, hij nam officieel de beslissingen. Kocht mijn moeder in die tijd een wasmachine, dan moest ze toestemming vragen aan mijn vader. Ik geloof niet dat ze dat ooit heeft gedaan. In de praktijk waren vrouwen – ook gehuwde vrouwen – al veel langer zelfstandig. De Nederlandse zeventiende-eeuwse vrouw stond in het buitenland bekend om haar onafhankelijkheid, haar bazigheid zelfs. Ze dreef handel, beheerde het familiefortuin, of nam zaken waar voor de echtgenoot als die op zee was. De botte, drankzuchtige, Hollandse kerels zaten stevig onder de plak. Of, om het vriendelijker te zeggen: er was sprake van een onderhandelingshuishouden.

De familie was een klein bedrijf en een zorg­instelling. Wie arm was of in problemen raakte klopte in eerste instantie aan bij familie. Dat ging verder dan bloedverwantschap. Ook trouwe bedienden en leveranciers behoorden tot de kring cliënten die min of meer afhankelijk waren van de man met geld, de man met connecties, de man aan de top van de piramide. En was er geen geld, dan was er liefdadigheid, die kerkelijk was geregeld. De regenten van de diaconie waren de vaders van armen en bejaarden. Wie niemand had en niet eens een kerk, die klopte aan bij de overheid. Altijd wel ergens een zorgzame vader, die voorwaarden stelde, beloonde en strafte.

Zien we bij de term pater familias een eerbiedwaardige, strenge, eventueel grijze heer die in een leunstoel zit en op zijn wenken wordt bediend, die als een vorst heerst over zijn omgeving, die geen tegenspraak duldt en die gevreesd en ontzien wordt, dan is die in Nederlandse verhoudingen toch meer een zeldzaamheid, een incident. Pater familias-light, zou ik zeggen. Hij bestond wel in de vlakke delta die we bewonen, maar hij had een ander karakter dan in de ons omringende landen. Dat vloeit voort uit de sociale en politieke structuur van ons land. Sinds de onafhankelijkheidsstrijd in de zestiende eeuw waren de Nederlanden een republiek, een novum in West-Europa, met als uitzondering stadstaten als Venetië en Genève. Het absolutisme ging aan ons voorbij. Zelfs de ‘Vader des Vaderlands’ was eerder de eerste onder zijns gelijken dan een koning. Centrale regelingen waren zwak. De Staten-Generaal was een college van eindeloos palaverende en onderhandelende vertegenwoordigers uit de steden en de gewesten. De godsdiensten zoals ze hier werden beleden in wederzijdse tolerantie blonken evenmin uit in sterke centrale leiding. De samenleving was verstedelijkt, grootgrondbezit met alles wat daarbij hoort, bestond niet of nauwelijks. De traditie van de horizontale gezagslijnen, van religieuze tolerantie en van kleinburgerlijkheid staat haaks op de verticale gestrengheid en de reikwijdte van de pater familias.

De revoluties van de achttiende eeuw en het Verlichtingsdenken brachten een schok van vrijheid, gelijkheid en broederschap, al kwam die schok niet zo hard aan in een egalitaire samen­leving als de Nederlandse. De nieuwe ideeën pasten hier eigenlijk wel, vonden voor een deel hier hun oorsprong. De rede was neutraal, diende het onderzoek en de waarheid en liet tot schrik van velen weinig heel van traditionele of irrationele verbanden. De geopenbaarde waarheid werd een openbare waarheid. In die sfeer van gelijkheid en onderzoek kon een instituut als de pater familias minder goed gedijen. Alles woelde om verandering. Europa stond op z’n kop. Het nieuwe maakte bang en oude gewoonten stierven langzaam. De reactie werd zichtbaar in de keizerlijke pretenties van de kleine korporaal Napoleon. De piramide moest hersteld. Men haastte zich dat te doen.

Toen Nederland een koninkrijk werd op gezag van de internationale gemeenschap en we ons conformeerden aan de heersende politieke structuur van een centraal geleide monarchie deed koning Willem I zijn uiterste best de vaderlijke autoriteit te personifiëren. Onze parlementaire gewoonten, hoe broos ook, lapte hij aan zijn laars. Ministers gebruikte hij als loopjongens. Elders in Europa en een tikje later ook hier schiep de industriële revolutie de voorwaarden voor groeiend nationalisme. Groei en welvaart, het doel van de staat, dankzij de techniek bereikt, wakkerden gevoelens van loyaliteit en liefde voor eigen land en eigen volk aan. Het nationalisme verheerlijkte de held, de autoriteit en het eigene.

Op bescheiden wijze bliezen we ons partijtje mee. In de burgerlijke cultuur kreeg de pater familias schoorvoetend gestalte, vaders op pantoffels, dat wel, met de koffiemakelaar Batavus Droogstoppel uit Max Havelaar als satirisch hoogtepunt. Was de pater familias in de zeventiende eeuw een directeur van een zakelijke onderneming, in de negentiende eeuw werd hij de verpersoonlijking en de hoeder van alle burgerlijke waarden die het geloof en de politieke betekenis van de gezeten middenklasse in zijn hart plantten. Het was het hoogtij van het vaderlijk gezag, dat onuitgedaagd leek. Naast de machtige mannelijkheid van de vader stond het bleekzuchtige ideaal van de dienstbare vrouw, maagd, moeder. Maar in het hout van het patriarchaat kroop de worm juist op het moment dat het vaderschap politiek en cultureel zijn hoogtepunt had bereikt. Dat zul je altijd zien.

Aan het eind van de negentiende eeuw werd ‘vaderschap’ onderwerp van een verhitte, juridische discussie, juist omdat het zo belangrijk was. De vraag was: mogen ongehuwde, zwangere vrouwen de vaderschapskwestie stellen, mogen zij de man die zij verantwoordelijk houden voor de zwangerschap de plichten van het vaderschap wettelijk doen opleggen? Protest! O foei: de integriteit van de man en zijn moraal werden aangetast. Nog andere subversieve elementen en schokkende gebeurtenissen zaagden aan de poten van de vaderlijke troon. Feministen en loonslaven eisten hun plaats en hun rechten op. Freud ontwikkelde zijn ideeën over de geheime drijfveren van de mens, die onder de bourgeois-façade hun fatale bijdrage leverden aan de psychische problemen van zovelen. Het Ich, het Es en het Ueber-Ich verklaarden de werking van de menselijke geest en de rol van de vader en de vaderlijke moraal daarin. Het was alsof een geheim werd onthuld, dat door die onthulling van zijn kracht werd ontdaan.

In 1963 schrijft Alexander Mitscherlich: ‘De voortschrijdende arbeidsverdeling – gevolg en oorzaak van een machinale massaproduktie en een uiterst gecompliceerd, op de moderne massamaatschappij afgestemd bestuurssysteem –, het teloorgaan van de eenheid van woon- en werkplaats, het verdwijnen van de zelfstandige producent die tot een betaalde arbeidskracht wordt die consumptiegoederen verbruikt, heeft ten gevolge gehad dat de vaderlijke auctoritas steeds meer aan inhoud heeft verloren en dat de potestas van de vader, zowel binnen als buiten het gezin, voortdurend geringer is geworden.’ Het boek heette Auf dem Weg zur vaterlosen Gesellschaft. Het is een welhaast programmatische sociaal-psychologische analyse. Het voorbeeld van de vader wordt ingeruild voor het voorbeeld van de peer group. De vader wordt desnoods met geweld opzijgeschoven. Het generatieconflict is van die drang de kortstondige erfenis. Als de tekenen niet bedriegen is aan de naoorlogse controverse rond vaderlijke macht en waarden een eind gekomen. De sixties zijn nostalgie.

De rol van de vader is veranderd. Vrouwen hebben hun ‘ketenen’ afgeworpen. Het gezin kent een tweehoofdig gezag, soms meerhoofdig als aan de kinderen een verregaande beslissingsbevoegdheid is toegekend, wat in Nederland niet ongebruikelijk is. De familie is vervangen door reële of virtuele netwerken. In de jaren zestig stortte ook het gezag van de kerken verbazingwekkend snel in. De noodzakelijke toegeeflijkheid van een man als bisschop Bekkers luidde voor de katholieken het einde in van de Nederlandse kerkprovincie als pijler van het sociale leven en als moreel kompas. De aantrekkingskracht van christelijke politiek, een vanzelfsprekend onderdeel van de traditionele gezagsstructuur verdween iets langzamer, maar heeft nu vrijwel zijn beslag gekregen.

Ik was ervan overtuigd dat de secularisatie zou doorzetten. Dat klopt voor de aanhang van de oude kerkgenootschappen, maar niet voor de behoeften en verlangens van mensen. Die willen nog steeds deel uitmaken van een zinvol geheel. Die zoeken betekenis, ook en juist waar die niet is. Maar de nieuwe verschijnselen van religiositeit ontberen een gezagsverhouding, een vader. Het is een wazig ietsisme, een hemel gevuld met goede geesten en vibraties, betrekkelijk onschuldig. De mens heeft misschien wel iets geleerd.

De pater familias in traditionele zin is in geen velden of wegen meer te bekennen. Soms klinkt nog een tedere echo in familieberichten als een dode opa ‘onze pater familias’ wordt genoemd. Daarnaast blijven als een vreemde anomalie de militante masculiene resten overeind van de woestijngodsdienst die er het laatst is bij gekomen. Een irrigatieproject tussen Jeruzalem en Mekka moet ook aan die resten tribaal paternalisme een eind kunnen maken.