De keuken legde zich toe op kroketten

CHANTAL VAN DAM
DE LUCHT VAN ZOUT EN TEER
Nijgh & Van Ditmar, 336 blz., € 19,80

Wie graag straatrumoer in een roman aantreft, kan in de nieuwe roman van Chantal van Dam zijn hart ophalen. Ze geeft een mooi beeld van de manier waarop bestuurders begin jaren tachtig van de vorige eeuw probeerden een nieuw visserijbeleid van de grond te krijgen. De Noordzee begon leeg te raken, zeker toen vissers allerlei nieuwe vistechnieken begonnen toe te passen. Er moest iets gebeuren, beweerden beleidsmakers, al vonden vissers dat het allemaal zo’n vaart niet liep, en dus had je binnen de kortste keren allerlei groepen die elkaar in een stevige houdgreep hielden. EG-bestuurders, biologen, ministeriële ambtenaren en vissers. Veel wist ik er niet van toen ik met deze roman begon, het had iets te maken met quota, controles, visafslagen, fraude en zeebonken die bereid waren hun vangsten op zee te dumpen onder het motto: dan heeft tenminste niemand er meer iets aan.
Maar nu ben ik flink ingevoerd in deze kwestie en Van Dam wist me prima bij de les te houden. Ze slaagde erin de discussies, de twisten, de misverstanden en de verontwaardiging in alle kampen tamelijk onderkoeld en met de nodige ironische afstand en zonder al te formele praatjes voor het voetlicht te krijgen. Het is duidelijk dat deze schrijfster van de hoed en de rand weet en bereid was dat eens zorgvuldig op ons over te dragen. Men moet dit niet onderschatten. Hoe krijg je zo’n ingewikkelde zaak helder in beeld zonder in oeverloos ambtelijk geneuzel te vervallen? Van Dam creëerde hiertoe een interessant personage, Ilse Versluijs, een biologe die als visserijspecialiste in dienst treedt bij de ‘Controledienst van Landbouw en Visserij’, een instituut dat merkwaardig ver van de visgronden in Zuid-Limburg is gevestigd. Veel bizarder kan niet, dus moet het wel waar zijn dat een dergelijk instituut bestond en wie weet nog bestaat. Men kan zich voorstellen hoeveel tijd er vanuit dit instituut met reizen naar IJmuiden, Texel, Arnemuiden en al die andere visserijplaatsen verloren ging. Heerlijk allemaal, zo gaat het in de ambtenarij, het kwam op mij zeer geloofwaardig over.
Die Ilse is uiteraard de enige vrouw in het controlerende gezelschap, nog academica ook, dat levert de nodige scheve blikken bij de mannen, de toespelingen, de vileine grappen en de stiltes bij binnenkomst. Maar gelukkig overdrijft ze hier niet in, ze had duidelijk geen zin in een klagerig boek over de onderdrukking van de vrouw door nare mannen met een machocomplex, daarvan zijn er al veel te veel, van die boeken bedoel ik. Die Ilse blijft mooi overeind, ze zeurt niet, ze slaat ook niet ineens vals wijverig terug, ze aanvaardt de toestand en weet zich aldus een prima positie te verwerven. Al met al krijg je een mooi inkijkje in deze onbekende wereld die toch alweer niet al te veel van de normale wereld blijkt te verschillen. De ambtelijke debatten, de betweters, de verslagenen, de cynici, de kleine successen die later toch nederlagen blijken te zijn, de leuke chefs, de nare chefs, de broodjes kaas, de koffie, het geroddel, de snel aangebrande vissers, de boottochtjes – mij vermaakte het zeer. Vooral omdat Van Dam er zo laconiek over schrijft, ze deelt geen zwarte pieten uit, ze verklaart haar heldin niet tot een heilige die alles doorziet, ze geeft fraaie beelden van mensen die allemaal andere belangen hebben maar toch tot elkaar veroordeeld zijn.
Het ambtelijk bestaan in beeld gebracht: ‘Voor de lunch verhuisden we naar de grote zaal van het café-restaurant. Koperwerk, blaasbalgen en Perzische kleedjes. De keuken legde zich toe op kroketten, uitsmijters en gehaktballen, geserveerd met een blaadje sla en een schijf tomaat, die Blokland consequent op de rand van zijn bord schoof. Groenvoer! Hij was te oud voor zulke fratsen, meende hij. Een gehaktbal at je puur, maar niet nadat je de Heer voor deze spijs had bedankt.’ Ingehouden stijl die aan Elsschot en Alberts herinnert. Mooi is ook dat je het als lezer bijna vanzelfsprekend begint te vinden dat men elkaar doodleuk de hand boven het hoofd houdt, vissers en controleurs, dat er met de quota gefraudeerd wordt bij het leven en dat daar gewoon niks aan te doen is. Omdat niemand er iets aan wíl doen.
Tussen de bedrijven door laat Van Dam haar Ilse ook verslag uitbrengen van haar belevenissen in de privé-sfeer. Van haar relatie met Sicco, die ik langzamerhand wel een steeds grotere eikel begon te vinden, al deed Van Dam haar best het er niet te dik bovenop te leggen. Laat hem toch barsten, die egoïst, voelde ik me steeds vaker denken, een goed teken, ik begon blijkbaar te vergeten dat ik bezig was een roman te lezen, de meest onnatuurlijke kunstvorm op aarde. Ook bij deze liefdesperikelen slaagde de schrijfster erin allerlei valkuilen te vermijden, je moet als lezer de niet geringe emotionele achtergrond van het geheel er zelf bij invullen. Van Dam verdomt het eeuwig met grote woorden als liefde, vertrouwen, wanhoop en verdriet te werken, dat is haar schrijverseer te na. Zoek het zelf maar mooi uit! Ze weet heel goed waar het in literatuur op aankomt: je moet als schrijver de lezer gelegenheid geven tot ontroering en emotie, niet die van jezelf erbij leveren. En zo is het.