De zigzag van de middenpartij

De kiezer gelooft het niet

Van verkiezing tot verkiezing slingeren Nederlandse middenpartijen heen en weer tussen progressieve en restrictieve immigratieposities. Is die spagaat te overwinnen? Er zijn mogelijkheden, maar vooral problemen.

Medium zigzagkoers

Nadat Geert Wilders de regering had laten struikelen zette het cda een flinke campagne in om het ‘pvv-verleden’ te doen vergeten. Mevrouw Spies volgde haar hart weer, in plaats van haar hoofd, en zou nooit meer hardop pleiten voor een boerkaverbod of tegen de dubbele nationaliteit; lokale cda-fracties keerden zich tegen het strenge asielbeleid van cda-minister Gerd Leers; en demissionair minister Leers zelf gaf aan in Brussel niet langer te hameren op een verdere aanscherping van de regels rond gezinsmigratie. Volgens lijsttrekker Sybrand van Haersma Buma is het cda de discussie over wel of niet samenwerken met de pvv al lang voorbij. Het cda is teruggekeerd naar haar echte, zuivere zelf.

De vraag is hoe lang ze het volhouden. In mijn onlangs verdedigde proefschrift, The Impact of Anti-Immigration Parties on Mainstream Parties, laat ik zien dat de Nederlandse midden­partijen van verkiezing tot verkiezing in een zigzag heen en weer slingeren tussen progressieve en restrictieve immigratieposities. Als er een sterke dreiging is van een anti-immigratiepartij, dan wordt er hard geroepen om strenge maatregelen, maar als de dreiging verdwijnt, dan verdwijnt ook de anti-immigratieretoriek. Pim Fortuyn veroorzaakte de eerste ruk naar ­restrictievere immigratietaal in 2002, terwijl in de verkiezing van 2006 de tegen­beweging volgde. In 2010, toen Wilders echt doorbrak, kozen cda en vvd opnieuw voor de harde lijn. En het lijkt erop dat partijen deze lijn in de aanloop naar de verkiezingen van 12 september even makkelijk zullen laten vallen.

Middenpartij cda, en met haar pvda en vvd, zijn de ene dag hardliners, de volgende dag weer brave multiculti’s. Deze zigzagbeweging heeft een logische basis in kiezersvoorkeuren. Maar een logische beweging is niet noodzakelijkerwijs een effectieve. De kiezer wantrouwt middenpartijen op terreinen als immigratie, maar ook Europa, die niet makkelijk in een links-rechts-tegenstelling passen, waardoor ze gedoemd zijn de strijd te verliezen van partijen op de flanken.

De zigzagbeweging komt voort uit twee tegengestelde krachten. De eerste is de roep van de kiezer om een meer restrictieve opstelling van partijen. Zowel de achterban van de pvda als die van het cda vindt dat hun partij zich permanent te slap opstelt op het immigratiedossier. Dit is het gat waar de anti-immigratiepartij in springt om ontevreden kiezers weg te kapen. Het is een blijvend gat, dat al bestond in de vroege jaren negentig, ruim voor de opkomst van Fortuyn, en er nog steeds is, ondanks verwoede pogingen van deze partijen om het vertrouwen van de kiezer op dit dossier te herwinnen.

De achterban van de vvd vindt gemiddeld dat de partij zich goed, of net iets te restrictief opstelt. Ook deze beoordeling is een structurele, en heeft weinig te maken met de politieke waan van de dag. De vvd heeft van de middenpartijen wel de meeste kiezers die voorstander zijn van een zeer restrictief immigratiebeleid, en daarom is de opkomst van een anti-immigratiepartij ook voor de vvd een groot gevaar. In een poging het gat tussen partij en kiezer te dichten, en om ervoor te zorgen dat kiezers niet overlopen naar de anti-immigratiepartij, is het logisch dat partijen reageren en opschuiven als een anti-immigratiepartij te groot dreigt te worden. Dat is deel één: de slinger naar rechts.

Deel twee, de slinger naar links, ontstaat omdat geen van de drie middenpartijen echt baat heeft bij een politieke strijd op dit dossier. Bij de vvd won Mark Rutte in 2006 met een nipte voorsprong de strijd om het lijsttrekkerschap van Rita Verdonk. Maar bij de verkiezingen bleek, gezien de voorkeurstemmen, dat vvd-kiezers liever Rita Verdonk en haar anti-immigratietaal hadden gehad. Het cda likt haar wonden na de interne tweestrijd over de samenwerking met de pvv. En de pvda blijft worstelen met het theedrink-imago. De partij bleef na Fortuyn maar rapporten uitgeven waarin bleek dat de sociaal-democratie niet wist wat ze aan moest met het thema immigratie.

Een analyse van kiezersvoorkeuren bevestigt die tweespalt, en laat zien dat pvda, cda en vvd van alle Nederlandse partijen de meest verdeelde achterban hebben. Depolitisering is in zo’n situatie een verstandige strategie om de partij intact te houden. Bovendien heeft de politieke elite vaak progressievere immigratievoorkeuren dan de kiezer, die ze bij afwezigheid van een sterke anti-immigratiepartij aan die kiezer kan opleggen. Als de dreiging van de anti-immigratiepartij wegvalt, haalt de partijtop opgelucht adem en schuift de partij terug naar progressieve posities. De zigzag is compleet.

Of het wat uithaalt, die beweging naar ‘rechts’ omdat de kiezer erom vraagt, is maar zeer de vraag. Kiezers wantrouwen de verandering van standpunten en internaliseren haar vaak nauwelijks. In de aanloop naar de verkiezingen van 2002 verhardde de vvd bijvoorbeeld haar asielstandpunt. Geen halve maatregelen meer. Afgewezen asielzoekers, asielzoekers die niet voldoende meewerkten en asielzoekers zonder papieren moesten zonder pardon het gevang in en daarna het land uit, de asielprocedure moest versoberd worden, en ook minderjarige asielzoekers of asielzoekers die al jaren vastzaten in het asielsysteem konden niet meer op een voorkeursbehandeling rekenen. De kiezer daarentegen had in deze periode de indruk dat de vvd naar ‘links’ was opgeschoven op het gebied van asiel. Naast Fortuyn, die beweerde dat Nederland nog slechts vluchtelingen uit buurlanden Duitsland, Vlaanderen, Engeland en wellicht Denemarken op moest nemen verbleekte de _‘old-school’-_mentaliteit van de vvd, die nog ouderwets mensen uit oorlogshaarden als vluchteling wilde aanmerken. Waar in 1998 17 procent van de kiezers en 15 procent van de vvd-achterban van mening was dat de vvd een te ‘softe’ koers voer op asiel steeg dat naar 26 procent van de kiezers in 2002, en 22 procent van de vvd-achterban in 2002.

cda en pvda hadden een ander probleem. Hun kiezers zagen en erkenden wel dat deze partijen hun standpunten verschoven naar meer restrictieve posities tussen 1998 en 2002, maar zij verschoven hun eigen standpunt en voorkeuren ook, waardoor het netto resultaat nagenoeg nul was. Er bleef een relatief stabiele kloof tussen de gemiddelde cda- en pvda-sympathisant, en de standpunten van hun partij. Deze verschuiving van kiezersvoorkeuren is te zien op zowel de thema’s immigratie en asiel, als op het thema integratie. Op beide thema’s lijken kiezers hun beeldvorming meer te laten beïnvloeden door de retoriek van de leider van een anti-immigratiepartij dan door die van de partijen waar ze zelf op stemmen.

Het dichten van de kloof tussen kiezer en partij is dus niet zo eenvoudig als het lijkt – een verschuiving van partijstandpunten resulteert niet of nauwelijks in een kleinere kloof. Sommige commentatoren beweren dat juist het tegenovergestelde gedaan moet worden. Niet de anti-immigratiepartij naar de mond praten en de eigen standpunten verharden, maar de anti-immigratiepartij isoleren en uitsluiten, en trouw blijven aan een progressievere partijkoers. Maar in Vlaanderen, waar een cordon sanitaire het politieke immigratiespectrum voor nagenoeg twintig jaar bevroor, is de kloof tussen de kiezer en zijn partij nog groter dan in Nederland. Een analyse van Vlaamse kiezersvoorkeuren op het dossier van immigrantenrechten in de jaren negentig laat zien dat kiezers, ongeacht hun partij, vinden dat hun eigen partij zich veel te genereus opstelt ten opzichte van migranten. Met uitzondering van Vlaams Belang-kiezers, die vinden dat hun partij zich te restrictief opstelt. Ook in absolute zin is de afstand tussen kiezer en partij groter dan in Nederland. Het enige wat het cordon met succes heeft gedaan, is de beleidsinvloed van Vlaams Belang tot nul reduceren. Filip Dewinter placht graag te zeggen dat zijn partij een ‘zweeppartij’ is die andere partijen dwingt tot strengere immigratie en integratiewetgeving. Dewinter is in de war wat betreft land en partij. Het waren de lpf en pvv in Nederland die aanzetten tot een verharding van (al ingezet) strikt beleid, niet het Vlaams Belang in Vlaanderen. En met de opkomst van de n-va lijkt de zweep van Vlaams Belang nog minder indruk te maken.

Zo bezien is er geen goede politieke strategie voor middenpartijen op thema’s als immigratie. Middenpartijen hebben meer dan andere partijen een verdeelde achterban. Kiezers vinden dat hun partijen moeten opschuiven naar ‘rechts’, maar geloven partijen niet als ze dat daadwerkelijk doen. Anti-immigratiepartijen hebben meer invloed op hoe kiezers denken over deze onderwerpen dan zijzelf, en ook het uitsluiten van de anti-immigratiepartij helpt niet. Een lastig parket.

De enige echte oplossing ligt op het niveau van het partijsysteem. In tweepartijen­systemen, zoals in het Verenigd Koninkrijk, hebben partijen deze problemen niet. In het Verenigd Koninkrijk zijn de rollen omgedraaid. De anti-immigratiepartijen ukip en bnp worden door de kiezer niet vertrouwd op het immigratiethema, ook als kiezers het eens zijn met hun immigratiestandpunt. Labour overigens ook niet, hoe de partij ook haar best doet om het ‘softe’ imago van zich af te schudden. Op dit thema zijn het de Conservatives die zegevieren.

In tweepartijensystemen blijft het initiatief hoe dan ook in handen van een traditionele partij. Het is een self-fulfilling prophecy: omdat nieuwe en kleine partijen door het kiesstelsel benadeeld worden, blijven ze verwaarloosbaar klein, en omdat ze verwaarloosbaar klein blijven, blijven ze ook ongeloofwaardig. De grote partijen, de media en de kiezer: alle drie laten ze anti-immigratiepartijen links liggen. In meerpartijensystemen, en met name die met lage kiesdrempels zoals in Nederland, is de dynamiek omgekeerd. Omdat anti-immigratie­partijen hier eerder een bedreiging vormen voor de gevestigde orde, en partijen op rechts samenwerking soms prima kunnen gebruiken, worden ze eerder serieus genomen door de gevestigde orde en ook door de kiezer.

Maar zelfs een onwaarschijnlijke ingreep als het veranderen van het partijsysteem komt voor Nederland te laat. In de huidige politieke constellatie zou hiermee niet alleen een eind komen aan de problemen van de middenpartijen, maar ook aan de middenpartijen zelf! Het zou nog een spannende strijd worden of vvd, pvda en cda het zouden winnen van sp en pvv in een strijd om de twee grootste partijen te leveren.

De spagaat van de middenpartij is een feit. Bij gebrek aan een oplossing zijn er voor middenpartijen twee belangrijke lessen te leren. De eerste, algemene, is dat het verplaatsen van standpunten in de ene verkiezing om ze later weer terug te draaien geen verstandige strategie is. De kiezer gelooft het toch niet. Het coalitie-regeren maakt het Nederlandse partijen in dit opzicht niet makkelijk, want er moet onderhandeld worden, maar dat is nog iets anders dan naar het pijpen te dansen van de anti-immigratiepartij als het kiezers of macht oplevert, om vervolgens te doen of die standpunten nooit de eigen standpunten waren als dat niet meer uitkomt. Deze zigzag geeft de kiezer terecht weinig vertrouwen in de betrouwbaarheid van de partij. Overigens heeft ook hier de anti-immigratiepartij een voordeel boven de middenpartijen: de kiezer vergeeft ze inconsistente, tegenstrijdige en extreme uitspraken eerder.

De tweede les, specifiek voor het thema immigratie, is dat sommige partijen, met name pvda en cda, zich zullen moeten schikken in de wetenschap dat hoe ze ook proberen het de kiezer naar de zin te maken door restrictieve immigratieposities in te nemen, ze die kiezer misschien niet kunnen overtuigen. Ook het ‘oplossen’ van het immigratieprobleem helpt weinig. In de jaren negentig werden bijvoorbeeld onder bewind van onder andere de pvda een strikt asielbeleid en de koppelingswet ingevoerd, en werd afstand gedaan van integratie ‘in eigen kring’. Men dacht dat de kiezer dankbaar zou zijn als het immigratieprobleem aangepakt zou worden. Het was een misrekening, en de lpf schoot het parlement in. Het thema immigratie is er voor deze partijen een van damage control. Het helpt waarschijnlijk als deze partijen een structureel restrictievere koers inzetten, in plaats van de zigzag, maar of het genoeg is om het gat tussen kiezer en partij te dichten is allerminst zeker.


Amber Davis is politicoloog en bestuurs­kundige. Zij promoveerde aan de European University Institute op het proefschrift The Impact of Anti-Immigration Parties on Mainstream Parties’ Immigration Positions in the Netherlands, Flanders and the UK 1987-2010