Verkiezingen 2012: Het midden wint

De kiezer hoeft niet alleen zichzelf te horen

In de campagne ging de strijd ook tussen twee typen leiderschap. Diederik Samsom belichaamde de autonome leider die een zekere afstand tot de kiezers houdt, Mark Rutte de politicus die een partijpolitiek aangezette campagne voerde om zijn premierschap te prolongeren.

In het essay Herfsttij der democratie, zijn laatste woord aan zijn lezers voor hij in 2008 overleed, schreef de socioloog Jacques van Doorn dat de democratie niet kan zonder leiders met een brede blik, autonome politici die afstand tot de kiezers bewaren en de verleiding weerstaan hen naar de mond te praten. ‘Zonder zo’n gezaghebbende elite zal het spel al te laag bij de grond worden gespeeld’, schreef Van Doorn. De verkiezingscampagne maakte duidelijk hoe laag. Wie, zoals de auteur van dit stuk, in een zonnige stemming vanuit het zuiden bij Limburg het land binnen reed en de manshoge vvd-verkiezingsaffiches langs de weg in het oog kreeg, werd door zeurderige slogans meteen geconfronteerd met de kleinheid van de liberale politiek: ‘Handen uit de mouwen in plaats van hand ophouden’; ‘Werkend Nederland verdient belastingverlaging’; ‘Meer straf en minder begrip voor criminelen’.

Op de affiches van dit jaar vereenzelvigde de vvd zich onbewimpeld met het materiële eigenbelang, de afgunst en de ergernissen van burgers die zij steevast typeert als ‘de hardwerkende Nederlanders’.

Ooit droeg het aanplakbiljet van de vvd een rustige afstandelijkheid uit, passend bij de klassiek liberale traditie waarin politici worden geacht het groepsbelang te overstijgen en de natie in haar geheel te dienen. Leuzen en foto’s van de lijsttrekker ontbraken, drie oranje gekleurde letters ‘vvd’ op een stemmig blauwe achtergrond volstonden om de kiezers op de partij attent te maken. Van die afstandelijkheid jegens de kiezers was in het optreden van Mark Rutte geen sprake meer.

Integendeel. Naarmate de verkiezingsdag naderde en in de vvd-gelederen de paniek over de inhaalrace van pvda-lijsttrekker Diederik Samsom toesloeg, appelleerde Rutte opzichtiger aan de engere belangen van zijn electoraat. Net als in 2010 de belaagde cda-lijsttrekker Balken­ende speelde hij in op de angst van woning­bezitters voor ingrepen in hypotheekleningen. Van alle kwesties wist hij geen onderwerp van groter belang dan het beschermen van de hypotheekrenteaftrek, zei hij in De Telegraaf: ‘Dat is een absolute topprioriteit.

Naar de kiezer luisteren is in deze benadering hetzelfde als hem behagen in de toffe taal van de reclamebureaus. De electorale opkomst van de vvd is begonnen toen Mark Rutte in de aanloop naar de verkiezingen van 2010 besloot zijn politieke verhaal strikt te beperken tot de drie thema’s veiligheid, welvaart en immigratie. Hij zwijgt tegenwoordig over onderwerpen van een hoger abstractieniveau, zoals vrijheid en tolerantie, laat staan dat hij nog een woord wijdt aan duurzaamheid of milieu. Hij heeft zijn les geleerd uit de geschiedenis van de vvd. Sinds Hans Wiegel, begin jaren zeventig, van de partij een machtsfactor van betekenis maakte, boekt de vvd vooral succes als zij uitdraagt dat uw geld, uw huis en uw auto bij de liberalen veilig zijn. Lijsttrekkers die meer de immate­riële waarden van het liberalisme belichaamden, zoals Joris Voorhoeve en Hans Dijkstal, moesten dat met zetelverlies bekopen.

Van Doorn beschreef de tendens dat politieke partijen zichzelf reduceren tot marketing­machines als een fenomeen dat zich breder manifesteert: ‘Niet eerder in onze parlementaire geschiedenis hebben politici zo nadrukkelijk, hinderlijk zelfs, voeling gezocht met de kiezers in het algemeen en hun achterban in het bijzonder. Ze reageren op elk onwelwillend geluid dat uit de media opstijgt en zijn niet zelden bereid de hurkstand aan te nemen om niet arrogant over te komen.’

Maar het verloop van de stembusstrijd kan ook anders worden geduid, op een wijze die het misantropische beeld van kiezers die alleen op het eigenbelang letten nuanceert. Wie goed naar de kiezers luisterde, hoorde wellicht juist de roep om afstandelijkheid en autonomie, om politici die tegen de keer durven ingaan en de complexe werkelijkheid niet handzaam vereenvoudigen tot de schijnduidelijkheid van een belastingdouceurtje van duizend euro of een ‘nee’ tegen de Grieken.

Het onverwachte succes van pvda-lijsttrekker Diederik Samsom wijst daarop. Altijd gebrand op ‘kantelmomenten’ in de campagne legt menig politiek commentator of kiezerspeiler de omslag in Samsoms electorale kansen bij de oneliner waarmee hij Rutte voor de tweede keer op een misleidend beeld van het pvda-programma betrapte: ‘Nu doet u het weer!’ Die uitleg past in een visie op politiek als een strijd om de meest gevatte opmerking, de beste grap, het mooiste maatpak. Hoewel snedigheid en smaak mooi meegenomen zijn bij een politicus is het voor een nadere verklaring van het keren van Samsoms kansen van wezenlijker betekenis dat de omslag kwam vanaf het moment dat hij de waarheid over Griekenland sprak en verzoenende gebaren naar Rutte maakte, oftewel buiten het geijkte campagnekader van ferme uitspraken en opgeklopte tegenstellingen trad.

Het succes van Samsom kan erop duiden dat kiezers het waarderen als een politicus een eigen positie inneemt en tegen hen in durft te gaan. Zij hoeven in de verkiezingsstrijd niet alleen zichzelf te horen. Een aanwijzing te meer daarvoor is dat Wilders minder dan verwacht is geslaagd in zijn opzet om een electorale opstand tegen Europa te ontketenen, een onderwerp dat bij uitstek op de kiezers een beroep doet in hun stemafweging het eigen belang te overstijgen. Ook dat wettigt de conclusie dat zij minder primair reageren dan cynische waarnemers ver­onderstellen.

In dat licht bezien reageerde Rutte eerder paniekerig dan doordacht op Samsoms opmars. In de laatste campagnedagen keek Rutte meer dan ooit over zijn rechterschouder naar zijn eigen kiezers, met zijn uitspraken over de hypotheekrenteaftrek en over de ‘experimenten’ waarin links het land zou willen storten. Hij oogde veeleer als een partijpoliticus die het zijn achterban naar de zin wil maken dan als een kandidaat-premier met de wil de natie te binden. Deze houding deed Van Doorn destijds denken aan mr. Pickwick uit het boek van Charles Dickens, die altijd met de menigte placht mee te schreeuwen en in het geval van twee ruziënde menigten de raad gaf: ‘Shout with the largest.’

In de campagne van Samsom lag daarentegen de notie besloten dat politieke afwegingen bij uitstek over de weerbarstige, taaie maatschappelijke kwesties gaan, waarin het ene belang bijna als vanzelf strijdig is met het andere en dus niemand ooit volledig zijn zin kan krijgen.

Deze twee tegengestelde posities, hier wat zwart-wit weergegeven, drukken ook een tegengestelde benadering van de kiezers uit. Vanuit het ene gezichtspunt is de kiezer een burger, wiens sociale bewustzijn hem ingeeft dat hij in een pluriforme samenleving bereid moet zijn om z’n belangen te middelen met die van anderen. Vanuit het andere is hij een consument die van de politiek net als van de economie prompte levering mag verwachten, niet alleen van water uit de kraan maar ook van veiligheid op straat en ruimte op de weg.

De eerste visie past in de traditie van de volkspartij. In haar aard ligt besloten dat zo’n partij verschillende groepen met verschillende belangen moet verenigen en dus gedwongen is deze belangen tegen elkaar af te wegen. In een land van minderheden is de volkspartij ‘een ijzersterke formule’, schreef Van Doorn: ‘Er is geen alternatief te bedenken dat op dezelfde effectieve manier als ultieme bemiddelaar kan fungeren tussen de maatschappelijke pluriformiteit en de politieke organen die de uiteindelijke beleidsbeslissingen nemen.’ In zo’n stelsel zal niemand ooit het onderste uit de kan kunnen krijgen, aldus Van Doorn: ‘De identificatie met het regeringsbeleid is altijd partieel en moet partieel blijven, gezien het diepgewortelde pluralisme in Nederland.’

Een bestel dat rust op volkspartijen doet een beroep op mensen om in te schikken en tolerantie op te brengen voor andersdenkenden. Alleen daarom al zal het altijd een prooi voor populisten zijn, zeker in een tijd waarin de individualisering mensen op zichzelf terugwerpt. Voor de populisten is het idee dat Nederlanders één volk zijn, met één wil en één gedachte, een nuttige fictie om de volkspartijen te kunnen verwijten dat ze de belangen van het volk verkwanselen. Het populistische wapen is dat zij alles wat in een bestel van volkspartijen onvermijdelijk traag en complex is juist als een nodeloze zwakte neersabelen. ‘Nederland moet zijn wat het volk nú wil en dat moet onmiddellijk wet worden’, zegt politicoloog André Krouwel kortweg over de onuitgesproken boodschap van het populisme.

Het verweer daartegen zal de volkspartijen des te moeilijker vallen als ze zelf niet op orde zijn. De kracht van de populisten is het spiegelbeeld van de zwakte van de volkspartijen. De essentie van de teloorgang van deze partijen is dat het accent in hun afwegingen verschuift van een integrale belangenbeoordeling naar het behartigen van deelbelangen, onder het mom dat ze alleen dan naar het volk luisteren.

Wrang genoeg manifesteert deze zwakte zich juist in een tijd waarin de economische crisis latente spanningen tussen bevolkingsgroepen kan laten escaleren, zoals die tussen jong en oud, allochtoon en autochtoon, kosmopoliet en nationalist. Een politiek van deelbelangen komt er al gauw op neer dat de ene groep onder de andere zal lijden. Tegen die achtergrond waarschuwde oud-vice-president van de Raad van State Herman Tjeenk Willink: ‘In de crisis van dit moment is niet alleen en misschien zelfs niet in de eerste plaats van belang hoe sterk de economie is, maar hoe sterk de democratische rechtsorde is.’

Dat onderstreept het belang van Samsoms poging om de mentale houding van de leider van een volkspartij in te nemen, al is één zwaluw nog geen zomer. Afgewacht moet worden of de ‘bekering’ van de voormalige actievoerder voortkomt uit een diepe motivatie, dan wel naderhand een campagnetruc blijkt te zijn geweest die pr-adviseurs en spindoctors hem hebben aangeraden om zich staatsmannelijk tegenover Rutte te profileren. Het succes dat Samsom hiermee boekte, liet in de laatste tv-debatten zijn sporen na in het optreden van Rutte. Hoewel hij in het weekeinde het pvda-programma nog karakteriseerde als een ‘bedreiging’ voor Nederland was in Rutte’s bijdrage aan het laatste tv-debat geen spoor van dat soort apocalyptische beelden meer te bekennen. Met Samsom beklemtoonde hij dat in een coalitiestelsel als het Nederlandse geen partij ooit volledig haar zin zal krijgen.

Een reden te meer om terughoudend te zijn met definitieve conclusies over het leiderschap van Diederik Samsom is dat zijn partij ideologisch nog niet de oude is. De ideologische onderkoeling van alle volkspartijen, de pvda niet in de laatste plaats, heeft ook hun intuïtie voor het middelen van belangen minder scherp gemaakt. In hun hoogtijjaren beschikten ­sociaal-democraten, christen-democraten en liberalen over een uitgewerkte, eigen ideologie, die zij verbonden met een politiek project. Los van de onderlinge verschillen zat in alle drie de ideologieën een verbindende notie.

De historische missie van de sociaal-democratie was arbeiders en intellectuelen, de ‘werkers van hand en hoofd’, met elkaar te verenigen achter het ideaal van vrijheid en gelijkheid. De christen-democratie streefde naar een verzoening van kapitaal en arbeid. De geschiedenis van het liberalisme is nauw verweven met natievorming, waarin het zijn van Nederlander boven de verschillen uitgaat. Dat alles is goeddeels voltooid verleden. Dat geldt zeker sinds het gezamenlijke grote project van de drie volkspartijen pvda, cda en vvd, de naoorlogse welvaartsstaat, omstreden is geraakt, bij de ene partij meer dan bij de andere.

Als gevolg van hun bemiddelende aard neigden de volkspartijen als vanzelf naar het midden, ook al hield hun verhaal een ‘linkse’ of ‘rechtse’ toon. Ook die intuïtie voor het midden heeft geleden onder de ontideologisering. Dat ging in het kabinet-Rutte zelfs zo ver dat kiezen voor het midden in de ogen van cda-politicus Maxime Verhagen neerkwam op opportunisme om als partij zo veel mogelijk macht vast te houden. Het cda was in dat kabinet een politiek verbond aangegaan met een groepering, de pvv, die openlijk voor het deelbelang van ‘Henk en Ingrid’ opkwam en een integrale belangen­afweging veroordeelde als toegeeflijkheid jegens ongewenste minderheden. Helemaal verwonderlijk was het dus niet dat Verhagen zich volgens het christelijke Nederlands Dagblad verloor in algemeenheden zodra hij sprak over de ‘christelijke inspiratiebron’ van het cda. Zonder substantie sterft het appèl op christelijke of christen-democratische waarden in zinledigheid. Ook Rutte verliet openlijk het midden toen hij aankondigde dat zijn kabinet een programma had waarbij rechts Nederland ‘zijn vingers’ aflikte.

Volgens Van Doorn is het functieverlies van de volkspartijen, ook in hun natuurlijke rol van belangenbemiddelaars, het gevolg van de individualisering, waardoor het ze moeilijker valt burgers met elkaar te verbinden. ‘De uiteindelijke verklaring van de politieke malaise moet worden gezocht in een fundamentele maatschappelijke ontwikkeling: de geleidelijke versplintering van de samenleving door een proces van individualisering’, zo besloot hij zijn essay. ‘Zij heeft de vitaliteit van het politieke bestel aangetast en dreigt het resterende democratische potentieel verder uit te putten.’

Een ander verschijnsel van dat functieverlies van de politiek is de politisering van het premierschap. Partijen zien het premierschap meer en meer als een partijpolitieke functie, sinds Pim Fortuyn in 2002 de vraag of hij al dan niet minister-president zou worden tot de ultieme inzet van de Tweede-Kamerverkiezingen maakte. Ruud Lubbers en Wim Kok waren de laatsten die zich nog expliciet ‘premier van alle Nederlanders’ noemden. Onder Koks opvolger, Jan-Peter Balkenende, deed het cda alsof de partij het premierschap bezat. Typerend was dat toen een ontsteking aan de voet Balkenende aan het bed gekluisterd hield het cda hem wilde vervangen door een andere minister van christen-democratischen huize, Donner of Verhagen. Voor het cda was dat niet meer dan vanzelfsprekend, hoewel het staatsrecht voorschrijft dat in zo’n geval de vice-premier de taak waarneemt. Dat was voor het cda uitgesloten, gezien het feit dat dan een vvd’er, Gerrit Zalm, op deze ‘cda-post’ in het kabinet zou zitten.

Ook in het laatste kabinet-Balkenende was de premier evenals zijn vice-premier, Wouter Bos (pvda), als het erop aankwam eerder partijman dan dienaar van het landsbelang, waardoor partijpolitieke rivaliteiten het kabinet binnenslopen. Dat gaf Balkenende en Bos een benauwde blik op de dingen. Hun preoccupatie met het partijbelang maakte het hun onmogelijk in de geschiedenis van beide politieke bewegingen te kijken en de geestverwantschap tussen sociaal-democratie en christen-democratie te onderkennen. Het vroegtijdige einde van de coalitiesamenwerking van cda en pvda in Balkenende IV heeft ook dáármee te maken. Dat kabinet zat er wel maar stond er nooit, in een typering van politiek commentator Hans Goslinga.

Rutte ging voort in dit spoor, met zijn zwaar partijpolitiek aangezette campagne om zijn ­premierschap te prolongeren. Het gevolg is dat het premierschap dreigt te worden ontdaan van zijn kern. Voor dit ambt in het landsbestuur geldt nog het meest van al dat het zijn waarde en zijn gezag ontleent aan de positie boven de partijen. Alleen dán kan het ook ontstijgen aan de greep van de deelbelangen. Mede daarom kwam Van Doorn in zijn zwanenzang tot de conclusie dat de democratie niet kan zonder leiders met een brede blik, autonome politici die de verleiding weerstaan de kiezers naar de mond te praten.

De verkiezingsuitslag veroordeelt de vvd en pvda tot coalitiesamenwerking. Nu het proces waarbij de flanken het midden dreigen leeg te eten is gekeerd, is er mogelijkheid tot politieke ontspanning en kunnen Rutte en Samsom het leiderschap ontplooien zoals Van Doorn dat wenste.